Thomas W. Laqueur, Solitary Sex

Zelfbevrediging als luxe

Masturbatie was eeuwenlang een zondige ziekte. In ‹Solitary Sex› laat de Amerikaanse historicus Thomas Laqueur zien dat de basis voor het taboe op zelfbevrediging niet werd gelegd door de kerk maar door progressieve denkers uit de Verlichting.

Tot op heden praat niemand gemakkelijk of openlijk over masturbatie. In films en literatuur worden nauwelijks mensen opgevoerd die in extatische vervoering raken door zelfbevrediging. Hoe lastig dit onderwerp blijft, merkte de Amerikaanse historicus Thomas W. Laqueur, verbonden aan de universiteit van Berkeley, toen hij zijn vakgenoten vertelde dat hij onderzoek deed naar de perceptiegeschiedenis van masturbatie. Hij stuitte op besmuikt gegiechel of scepsis in de trant van «hou je hoofd koel, want anders komt dat boek nooit af». Deze reacties bevestigden voor de historicus de noodzaak van zijn project. Want, zo vroeg hij zich af, waarom is in de moderne westerse samenleving, waarin de seksuele revolutie in de vorige eeuw een bijna doorgeschoten moraal heeft voortgebracht, mastur batie nog steeds omgeven met schaamte, zenuwachtig gedrag en schuldgevoelens?

Anderhalf jaar lang stortte Laqueur zich op de bestudering van dagboeken, autobiogra fieën, kunstobjecten, literatuur, pornografie, websites en documenten van officiële instanties. Het resultaat is het deze maand verschenen, vuistdikke en in Amerika lovend besproken boek Solitary Sex: A Cultural History of Masturbation.

Laqueur toont aan dat de verkrampte houding ten aanzien van dit thema volledig is terug te voeren op de Verlichting. Het problematiseren ervan noemt hij de schaduwzijde van de periode waarin de moderne wereld is geworteld: parallel aan de opkomst van de ratio en de wetenschap en het ontwaken van het autonome individu werd zelfbevrediging benoemd als een gevaarlijke, zondige, egoïstische daad. Al die tijd daarvoor — in de Oudheid, de joodse en christelijke wereld — was het een verwaarloosbaar issue. Het gold als een nederige, enigszins obscure bezigheid waar geen zwaar moreel oordeel aan werd verbonden.

Opvallend exact legt de historicus de vinger op de zere plek van de grote angst waarmee mensen zich eeuwenlang in het geheim hebben overgegeven aan zelfbevlekking: rond 1712 beschreef de Britse arts John Marten in een traktaat met de titel Onania: The Heinous Sin of Self Pollution and All its Frightful Consequences (geïnspireerd op de oudtestamentische figuur Onan, die gestraft werd toen hij zijn zaad liever op de grond plengde dan de vrouw van zijn overleden broer te bezwangeren) het «onaneren» als een nieuwe ziekte.

Marten legt uit dat onanie uit pure onwetendheid wijdverspreid is en frequent wordt bedreven: «Vanwege eenzaamheid of ijdelheid leren jongeren zich zelf te misbruiken, en te vergiftigen, zonder dat ze weten hoe fout en gevaarlijk het eigenlijk is.» Zijn geschrift werd een ware sensatie. Na de eerste publicatie in het vrije Holland van het opkomende humanisme werd het gretig gekocht; via medische vakbladen en reguliere kranten vond het zijn weg door heel Europa.

Laqueur legt bloot dat de arts niet geheel gespeend was van eigenbelang. Hij ontdekte dat de dokter in dezelfde kranten waarin zijn artikel over de nieuwe ziekte werd gepubliceerd advertenties plaatste voor allerhande middeltjes, zoals vaginale druppeltjes, peniszalfjes en poedertjes, om de sololustbevrediging te beteugelen. Het grote succes van zowel zijn morele afkeuring als de verkoop van zijn kuurmiddeltjes maakt Marten volgens de historicus tot grondlegger van het taboe. In zijn kielzog namen medici en vooruitstrevende filosofen als Kant en Rousseau zijn visie over dat masturbatie niet paste in het nieuwe beeld van de mens als een rationeel, sociaal wezen dat de eigen verlangens en lusten volledig onder controle diende te houden. Zelfbetasting was een product van de fantasie en had geen relatie met de realiteit. Het maakte iemand gevoelig voor verslaving — Laqueur beschrijft het als «the crack cocaine of sexuality» — en maakte het lichaam ziek.

Waarom viel dit in vruchtbare bodem? Was het vanwege de destijds gangbare medische visie dat het lichaam een energieveld was dat door het lozen van sappen uit evenwicht raakte? Of ging het gepaard met een diepere angst voor een totaal verlies van de controle over het zelf, wat zou refereren aan de dood? De schrijver laat zien dat de moraal van de opkomende medische wetenschap aan de haal ging met de in de Middeleeuwen sluimerende religieuze aversie van «luxe». Het beleven van seksuele lust, het plegen van de daad die niet gericht was op de voorplanting in het bijzonder, was volgens de kerk een vorm van verderfelijke ijdelheid, niet-productieve ontspanning en weelde.

Laqueur, die zoals het een historicus betaamt niet houdt van gepsychologiseer, plaatst de problematisering van masturbatie ook in de historische context van de angst voor de rappe urbanisatie in het Frankrijk van begin achttiende eeuw: «In de overgang van een agrarische naar een industriële urbane samenleving was men bang voor het verlies van vruchtbaarheid. Mensen dachten dat als zij zich overgaven aan seksuele zelfbevrediging, zij niet meer hun plichten van werken en trouwen zouden nakomen. En zonder familie zou Frankrijk in elkaar storten.»

Eeuwenlang hield het gebod, dat een paradoxale samensmelting werd van de progressieve Verlichtingsgeest en conservatieve kerkelijke opvattingen over het zondige vlees, de gemeenschap moreel in zijn greep. Onanerende patiënten kregen tot ver in de twintigste eeuw van hun dokter te horen wat de gruwelijke consequenties van hun gedrag waren: verminking, blindheid, hysterie, agressie en waanzin (vooral bij vrouwen), nierafwijkingen of een kromgroeiende rug. Het ziektebeeld stimuleerde tegelijk een nieuwe bedrijfstak, die producten leverde als een erectiealarminstallatie, penishoezen, of voor meisjes speciale handschoenen en bandages om te voorkomen dat ze de benen konden spreiden.

Dat kennis mensen er niet van weerhield door te gaan met zelfbevrediging geeft aan hoe weinig invloed moraalridders uiteindelijk hebben op het menselijk handelen. Het verbodene gaf zelfs een impuls aan de voorlopers van de porno-industrie. In gelijke tred met de verspreiding van de benoeming van de zonde ontstond een levendige handel in prenten van mannen en vrouwen in eenzame, gelukzalige zinnelijke overgave.

Het stigma verdween in de westerse wereld pas recent. Met de komst van de psychoanalyse eind negentiende eeuw verplaatste het onderwerp zich naar het terrein van de geesteswetenschappen. Freud vond masturberen weliswaar niet normaal, wel zag hij het als een nuttige fase op weg naar volwassenwording. Jonge mensen konden via masturbatie «klaar komen met hun vader». De seksuele revolutie en het feminisme bevrijdden ten slotte lustbeleving van schuldgevoelens en angsten. Masturbatie kreeg binnen het idee dat aan seks plezier mocht (zo niet moest) worden beleefd de positie van ultieme zelfontdekking. Internet, dat fungeert als een soort moderne biechtstoel, heeft de weg vrij gemaakt voor een anoniem maar ongelimiteerd podium om impulsen op te wekken en fantasieën uit te wisselen binnen virtuele gemeenschappen van onanisten.

Laqueurs boek is een hoogstandje. De toegankelijk geschreven academische studie is geen zinnenprikkelende kost, maar een rationele informatieve verhandeling die beschrijft hoe mensen in hun meest normale behoeften tot op het bot getergd kunnen worden door opgelegde modieuze denkbeelden. Wel laat het boek een enigszins onbevredigd gevoel achter. Na vierhonderd pagina’s zegt ook de schrijver zelf dat het hem een raadsel blijft waarom het stigma zich zo lang en zo hardnekkig heeft kunnen nestelen in de westerse moraal. Waarom is masturberen nog steeds verbonden met gevoelens van schuld, eenzaamheid en schaamte? De auteur geeft tot slot de vraag uit handen, en speelt hem door aan psychologen.

Thomas W. Laqueur

Solitary Sex: A Cultural History of Masturbation Uitg. Zone Books, 498 blz., $ 34.00