Zelfcensuur

Ik werkte aan een scenario dat Floris en Miss Blanche heette. Het was een adaptatie van Floris ende Blancefloer. Ik had Medea al bewerkt en Theo van Gogh had ook Najeeb en Julia opgenomen. We wilden – op verzoek van de Avro – klassieke stukken in een modern jasje steken. Floris en Miss Blanche leek ons een perfect verhaal. In het kort: Floris is een islamitische prins en Blanche (Blancefloer) is een christelijk meisje. Ze worden samen opgevoed. Als ze de puberteit bereiken, wordt Floris verliefd op Blancefloer. Dat willen de ouders niet. Blancefloer wordt verkocht als slavin als Floris weg is. De ouders doen net of Blancefloer is overleden en maken een nepgraf. Floris komt erachter dat zijn ouders gelogen hebben… Het verhaal gaat verder, ik had ‘iets moderns en ouderwets’ in gedachten, en ik had al een aantal scènes geschreven, toen Theo werd vermoord.
Op dat moment was het – en dat gevoel heeft mij nooit en nooit meer verlaten – alsof ik
in mijn eigen film stapte. Theo was vermoord – en ik werd wereldnieuws. Tot op de dag van vandaag lukt het me niet daarover echt te schrijven, omdat het allemaal ‘waar’ is. Het vreemdste was dat alles waarover we hadden gesproken op een of andere manier waarheid werd.
In Najeeb en Julia had Van Gogh al de problemen van deze tijd aangestipt, in Cool – knipogend naar A Clockwork Orange – werkten we met de hardcore van de allochtone jeugd, de jongens van de Glenn Mills School. In Medea ging het over de bovenwereld versus de onderwereld en in 0605 over Fortuyn. Floris en Miss Blanche moest een tamelijk harde film worden, zonder enige vorm van politieke correctheid, maar ook niet voor de hand liggend. Ik had gezegd dat het moest gaan over ‘liefde en politiek’ – dat leek ons een aardig thema. Of de film ooit gemaakt zou worden, was de vraag. We hadden totaal geen geld.
Tijdens het schrijven stapelden de problemen zich op. Wat zeg je wel, wat niet. Wat wilden we eigenlijk zeggen? Hoe hard pak je de islam aan? Hoe hard de christenen? Voor de zoveelste keer las ik de Koran; misschien vielen er soera’s uit te halen die we konden gebruiken, maar op dat moment – Submission was al gemaakt – wist ik ook dat dit gevaarlijk kon zijn. Ayaan, met wie we toen regelmatig contact hadden (ik had zelf destijds het contact tussen Ayaan en Theo verzorgd), werd al zeer goed beveiligd.
Ik voelde zelfcensuur.
Je schrijft een scenario, je bent met een scène bezig, de Koran ligt opengeslagen naast je, je wilt iets overtikken – en je durft het niet (terwijl Theo nog niet was vermoord), omdat je de kranten leest en van die bedreigingen weet. Ik deed het toch – niet omdat ik een held ben (wie wist hiervan? wie zag mij?), maar omdat ik juist geen held ben. Ze zouden mij, de scenarist, toch niet aanpakken?
Zelfcensuur kent een moedeloos makende angst en is van alle angsten misschien wel de meest psychologische. Niemand zal ooit weten wat je niet hebt geschreven, gezegd, gedaan – alleen jijzelf. Als woorden ergens een waarde krijgen, dan is het daar, als je ze niet moet wikken en wegen om esthetische redenen, maar om ethische redenen.
Toen Theo werd vermoord, hadden wij, vrienden, meteen de juiste Koranteksten voorhanden: soera 2:191, 4:89, 4:91. Het gaat daar over ongelovigen en de tekst luidt: ‘Doodt hen waar ge hen maar aantreft.’ Er zijn trouwens meer passages. Het is het woord van God. God had blijkbaar geen last van zelfcensuur – denk je dan. En op dat moment begreep ik ook Ayaan Hirsi Ali en haar strijd veel en veel beter.
Floris en Miss Blanche moet nog een keer worden gemaakt.