Zelfde hoofddoek, ander debat

Brussel - De hoofddoek blijft de voorpagina’s halen, ook in België. Daar worstelen ze al een tijdje met een eventueel verbod in openbare scholen. Aan beide kanten van de taalgrens. Maar, zo lijkt het, met verschillende motieven.
Vlaanderen heeft even pauze. De Raad van State oordeelde dat een algemeen verbod op religieuze symbolen, zoals beoogd door de raad van openbare scholen, wel eens in strijd zou kunnen zijn met de grondwet. Aan het grondwettelijk hof nu om te besluiten of de scholen wel bevoegd zijn - iets wat wel een jaar op zich kan laten wachten.
Dat verbod moest een eind maken aan jarenlange onduidelijkheid. Anders dan in Nederland, waar openbare scholen de hoofddoek niet mogen verbieden, hebben Belgische scholen altijd zelf mogen kiezen. De meeste kozen voor een verbod. Veel scholen die dat niet deden zagen steeds meer leerlingen hun haar bedekken, ook meisjes die dat eerder niet deden. Twee scholen in Antwerpen besloten begin dit jaar alsnog een verbod in te voeren: de sociale druk om een doek te dragen zou te groot zijn geworden.
Wallonië is anders. Niet alleen praten ze er Frans, ze denken er ook Frans. De laïcité, de scheiding van kerk en staat, is er bijna even heilig als bij hun zuiderburen. De neutraliteit van de ambtenaar is onwrikbaar. Geen wonder dus dat ze met afgrijzen reageerden op de uitspraak van het hof van beroep in Bergen eerder deze maand, dat een schorsing van een leerkracht met hoofddoek in het openbare onderwijs ongedaan maakte. Hun oplossing is om snel het algemene schoolreglement aan te passen. Dat gebeurde maandag. Drie dagen na haar terugkeer voor de klas is la prof voilée wederom niet meer welkom.
‘In Vlaanderen is de hoofddoek een probleem omdat het de vrouw zou onderdrukken of de integratie zou belemmeren’, schrijft Nadia Fadil, socioloog aan de Katholieke Universiteit van Leuven en een van de meest gehoorde stemmen in het Belgische integratiedebat, op de website van de Franstalige krant Le Soir. 'Franstaligen zien de hoofddoek vooral als een bedreiging van de neutraliteit, als een vorm van bekeringsdrift.’ De Vlamingen categoriseren zichzelf als autochtoon en allochtoon, zo is haar analyse, maar staan daardoor wel toleranter tegenover religieuze symbolen in de publieke ruimte. De Walen zijn in de eerste plaats allemaal burger, citoyen, ongeacht kleur of geloof, maar zijn daardoor allergisch voor alle vormen van publieke geloofsbeleving. Intolerantie, zo concludeert Fadil, bestaat aan beide kanten. De één predikt uit naam van de vrijheid, de ander uit naam van de natie.