Zelfgekozen lijdensweg

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn papieren kroniek kan bespreken. Deze week: Nog eentje dan.

Toen Suzanne Raes door de NTR gevraagd werd voor een jubileumdocumentaire (25 jaar Het uur van de wolf) kende ze eigenlijk alleen de naam van haar onderwerp: Jochem Myjer. Terwijl hij toch de meest succesvolle cabaretier van het moment is: zijn laatste tournee door gans het land, Adem in adem uit, honderd voorstellingen, was binnen twee uur uitverkocht: waaronder 36 keer Carré. Mirakels veel. Suzanne had wel een vage associatie bij Jochem, die zal lijken op de mijne: een hyperactief rondspringende krullebol van in de veertig, die dito snel en luid praat, met veel accenten en stemmetjes. Die mij in elk geval deed wegzappen als hij in aankondiging voorbijkwam. Te lollig.

Een van de verklaringen voor het succes (afgezien van onmiskenbare kunde en inzet) wordt in de documentaire gegeven door de regisseur van Adem, Jos Thie. Toen die door Myjer benaderd werd was hij nogal verbaasd en even onbekend met diens werk als Raes. Maar toen hij zijn zoontjes vertelde door wie hij was gevraagd waren die laaiend enthousiast: Jochem!!! En zo is het gekomen. Nee, natuurlijk niet: Thie heeft ongetwijfeld theatrale- en humorkwaliteiten gezien, maar zie het Jochem-publiek in de zaal en Alle Leeftijden is de verbazende conclusie. En hoewel Myjer zich in de film ook wel cabaretier noemt, vertelde Raes in Opium op 4 dat hij de term ‘komiek’ prefereert. Dat lijkt me terecht op basis van de fragmenten Adem die in de documentaire verweven zitten: André van Duin is beduidend dichterbij dan Micha Wertheim. Het verklaart tegelijk de vreugde van de jochies Thie. Ongelofelijk knap zoveel mensen aan je te binden, en dat ik daar niet bij hoor is geen verdienste van en hooguit jammer voor mij: zoveel te lachen valt er niet meer. (Heb ik dit net geschreven, vind ik een oud krantenstuk van Onno Blom, vriend van Jochem, die de keuze voor komiek ‘een meesterzet’ noemt. Want, had Jochem gezegd, ‘zo hoef ik nooit te voldoen aan de eisen van de azijnpissers’. Sta ik dan met mijn zure bek.)

In en om de documentaire valt trouwens bar weinig te lachen, want wat we zien is een zelfgekozen lijdensweg. Jochem moet en zal, maar kan eigenlijk niet meer. Wat ten koste gaat van lijf, gemoedsrust en tot op zekere hoogte van de relatie met vrouw en kinderen. Alles moet wijken voor de tournee, terwijl die noodgedwongen al op halve kracht wordt uitgevoerd met ‘maar’ drie voorstellingen per week in plaats van zijn gebruikelijke zes of zeven. Gebruikelijk tot aan een ingrijpende operatie wegens een tumor in een ruggenwervel in 2011. Sindsdien is ‘halve kracht vooruit’ de enige optie, met dien verstande dat dat alleen de frequentie van optredens betreft: de voorstellingen zelf blijven van tomeloze energie en intensiteit. ‘Hier sta, spring, schreeuw en zing ik – ik kan niet anders.‘ En, vermoed ik, ‘ik kan niets anders’. Of ‘ik wil niets anders’. Maar hij moet op een dag van optreden wel drie keer slapen, onder meer op een veldbedje in de kleedkamer.

De kleedkamerbeelden van uitputting, pijn en soms wanhoop wegen voor de kijker zwaarder dan de vreugde die Jochem aan ‘het mooiste vak ter wereld’ en aan optreden ontleent. De ingrijpende gevolgen van ziekte en operatie komen bovenop een fundament dat het hem extra moeilijk maakt: perfectionisme, dwangmatige precisie (‘ik heb autistische trekjes’). Alles maar dan ook alles moet op de klok, nee, de stopwatch. Elke minieme afwijking brengt hem in de war. De lichtste afwijking in zijn stem tijdens een voorbereidende doorloop brengt hem tot wanhoop en slaat hem tot hypochonder: dit optreden kan nooit iets worden. Hij maakt zichzelf gek. Een legertje getrouwen moet hem continu geruststellen. Hij smeekt daar impliciet haast om, tegelijk de geruststelling negerend. Het contrast met wat het publiek op het toneel ziet gebeuren (lekker gek doen, leve de lol) kan niet groter. In die zin past Myjer geheel in de traditie van de gekwelde clown. ‘Ridi, paglazzio’ (Leoncavallo). Of de anekdote over de grote Popov die, depressief en incognito, een psychiater bezoekt en het advies krijgt een avondje naar Popov te gaan.

Wat het ook niet makkelijker maakt is zijn aardigheid in combinatie met de extreme behoefte aardig gevonden te worden. Ik vermoed dat geen enkele komiek, artiest, cabaretier uit de vaderlandse geschiedenis zo vol overgave handen schuddend maar liever omhelzend en kussend een theater betreedt, zonder onderscheid tussen bij wijze van spreken toiletjuffrouw en directeur. Dat is oprecht en sympathiek en schaadt hem uiteraard niet. Integendeel: iedereen blij. Maar dat hij diezelfde houding heeft tegenover zijn niet te tellen fans, die, fans eigen, van terughoudendheid nooit gehoord lijken te hebben, dat is andere koek. Het selfies met hen maken na afloop van de voorstelling is door zijn manager nu streng ingeperkt qua tijd, want hijzelf zou gerust eindeloos doorgaan. Wat rampzalig zou zijn en het nu, in die toegestane tien minuten, al is. Omdat er geen rem staat op de energie en gekte die hij daar dan weer in stopt. Kort nadat we hem lijdend in de kleedkamer hebben gezien. Eén keer zien we een scène met zijn Persoonlijk Assistent. Ze komt in de kleedkamer waarna hij, alsof hij een nieuwe batterij heeft gekregen, grimassend het ene na het andere bedankje, geintje, complimentje, felicitatie op zijn mobieltje inspreekt voor volslagen vreemde bewonderaars die kennelijk allemaal zijn nummer hebben. Mij doet het pijn aan de ogen, doordat we hebben gezien wat het kost. Zijn manager heeft een keer zijn nummer veranderd, maar dat bleek weer een ramp, want elke verandering ontregelt hem.

Er wordt nog een grotere prijs betaald voor het vak en de allemansvriendelijkheid, en wel door het thuisfront. Het leven van vrouw en kinderen zou normaal al geplooid zijn rond de carrière van papa, zoals dat bij veel artiesten en anderen gaat. Maar de ziekte versterkt dat. Tijdens tournees leidt hij een hotelbestaan omdat hij met zijn hoofd toch niet bij het gezin kan zijn. Natuurlijk is er veelvuldig geluids- en beeldcontact, maar je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat de gigantische hoeveelheid tijd die hij per telefoon aan fans besteedt ook ten koste gaat van zijn naasten. Die hij trouwens oprecht bemint. In de show zit een liefdeslied voor zijn vrouw op wier schouders wel erg veel rust (onder meer het op afstand houden van de kinderen om papa te sauveren).

Hij verklaart zijn vergaande klantvriendelijkheid uit de frustratie die hij als jonge handtekeningenjager van allerlei soorten idolen ervoer wanneer iemand daar geen tijd of zin in had. ‘Dit nooit als ik beroemd word’ (want dat was al vroeg de bedoeling). Maar hij zegt ook het ‘intrinsiek’ mooi te vinden ‘mensen te pleasen, mensen blij te maken’. In één adem, maar mij dunkt dat dat twee verschillende dingen zijn en dat het ‘pleasen’ het zwaarst weegt. Aardig gevonden willen worden, ik herken het als niet mijn sterkste trekje, maar hier lijkt het haast pathologisch.

Over de kleinkunstenaar Myjer kom je weinig te weten, ondanks fragmenten uit de show. Hij vergelijkt zijn vrouw met Freek Vonk, wat tot grote hilariteit leidt en hem de kans biedt zijn talent voor imiteren te laten zien. Zoals Freek een wild dier benadert zo benadert zijn vrouw bij het shoppen een grijze trui. De zaal komt niet meer bij. Ik vind het vooral flauw. En hij introduceert zijn vader, een bekend rechter (‘enorme kakker’). Die leerde hem ‘de liefde voor de Nederlandse natuur in combinatie met die voor de muziek van J.S. Bach’. Jochem is inderdaad een buitenbeentje, want ‘van goeden huize’, met een door keuze voor cabaret niet afgemaakte biologiestudie en met een cultureel extreem brede smaak waarin de lichte muze een prominente plaats inneemt. De opmerking over vader lijkt even spottend, maar blijkt vooral dankbaar bedoeld. Want later vertelt hij hoe hij met de kinderen een duintop beklimt en zegt: ‘Kijk, geniet, mooier wordt het niet.’ Tegelijk klinkt een koor uit de Matthäus. Ode aan vader. Prachtige muziek natuurlijk en de opdracht aan de kinderen heeft iets roerends, maar de combinatie ervaar ik als curieus. Ze passen niet samen, versterken elkaar niet. Terwijl ik tegelijk besef hoe bijzonder het is dit aan een zo gemêleerd publiek voor te zetten.

Het blijft curieus dat de NTR uitgerekend dit onderwerp koos voor viering van zijn kunstenreeks. Het is absoluut meer dan een populistische keus. Het moet gegaan zijn om de tragiek, meer dan om het artistiek belang. Al is Het uur heel wat minder krampachtig ‘cultureel correct’ dan deze recensent. En leverde het een geslaagde film op van een regisseur die eerder ook een fraai portret van Boudewijn de Groot maakte. Wat haar bepaald niet tot kleinkunstfilmer maakt: het oeuvre is zeer veelzijdig.


Suzanne Raes, Nog eentje dan, NTR Het uur van de wolf, maandag 28 september, NPO 2, 20.25 uur.
De hele show Adem in adem uit is te zien op Kijk