Zelfgekozen oponthoud

Wat ooit begon als een romantische voorkeur voor de reis in plaats van de bestemming, is uitgedraaid op een noodlot. Wie niet reist, telt niet mee. Terwijl wordt afgegeven op bestemmingen, als een dubieuze categorie uit het verleden, is het reizen een teken van beschaving, van politieke correctheid zou je bijna zeggen.

Omdat ik de niet altijd bedwingbare neiging heb in deze mythe te geloven, begaf ik me naar Londen om daar een tentoonstelling over bruggen te bekijken. De Royal Academy of Arts toont onder de titel Living Bridges tot en met 18 december een geschiedenis van gedroomde en gebouwde bruggen, sommige nog altijd in functie, andere reeds lang gesloopt. Eenentwintig uiterst verzorgde schaalmodellen, de een nog fraaier dan de ander, overspannen een kunstmatige rivier die zich door de zalen slingert. Van de middeleeuwse London Bridge, de Venetiaanse Rialtobrug en de Ponte Vecchio in Florence tot aan de voorstellen voor een nieuwe verbinding tussen het London Televisie Centrum op de zuidoever van de Thames en Temple Gardens, wordt een overzicht geboden van een geschiedenis van een bijzonder bouwtype. Een brug is een overweg, een verbinding tussen twee punten die het water overwint. Infrastructuur dus. Maar de voorbeelden laten zien dat dit gepaard kan gaan met een geschiedenis van groot ontwerptalent. De tentoonstelling is samengesteld in het kader van een prijsvraag die ex aequo gewonnen werd door de Fransman Antoine Grumbach en de Irakees-Engelse architecte Zaha Hadid. Zij stelden respectievelijk een hangende tuin en een bliksemschicht voor. Potentiële wereldwonderen.
Bruggen impliceren beweging. Een brug zonder verkeer is als een deur die niet open kan. Bruggen maken ontmoeting mogelijk. Deze eigenschap is in deze tentoonstelling heel letterlijk genomen. Zó letterlijk zelfs, dat het ontmoeten de essentie van de brug is geworden. Living Bridges gaat over bruggen als verblijfplaats, een plek die toevallig boven het water ligt, maar die bovenal gemaakt is niet om mensen te transporteren, maar om ze te laten blijven. Daarmee grijpt ze terug op een soort van gebruik dat de laatste tweehonderd jaar nauwelijks nog voorkwam. Vanaf de middeleeuwen werd er in de krap bemeten vestingsteden boven het water gebouwd, door de bruggen te voorzien van winkels, woningen, markten en tolhuizen. Bruggen vormden een opgave voor de architect. Maar met de opkomst van de ingenieur als de belangrijkste bruggenbouwer, kwamen er andere doeleinden. Hygiëne, verkeersefficiency en het creëren van feeërieke vergezichten brachten een nieuw type met zich mee. De brug werd infrastructuur. Bruggen werden nu gebouwd om de wereld sneller te maken. Zo ontstond de cultus van de snelheid. In de iconografie van de bruggen komt deze preoccupatie der ingenieurs terug in de vorm van zichtbaar gemaakte krachtenlijnen, adembenemende spanningsbogen, sublieme fly-overs. Woeste wateren, diepe ravijnen, lastige obstakels werden moeiteloos genomen door knappe staaltjes civiele techniek. Een tendens die zover ging dat uiteindelijk alles alleen nog als obstakel of als techniek werd gezien. En op dat moment, wanneer alles beweging is geworden, alles een reis en alles infrastructuur, komt er weer ruimte om te spreken over het verblijven. Bruggen als monumenten van vooruitgang worden weer mogelijkheden tot zelfgekozen oponthoud.
Maar wat is verblijven en wat is oponthoud? Die bruggen voor de eenentwintigste eeuw mogen dan weer vol zijn van cafés, tennisbanen, bioscopen of fitnesscentra, de mensen die er zijn hebben nu hun beweging niet meer onder hun voeten, maar in hun zak. Een brug is nu een kwestie van een abonnement op het mobiele netwerk. Omdat de echte bruggen van vandaag bestaan uit een zaktelefoon, kunnen de bruggen van weleer weer verblijfplaats worden. Het is alleen de vraag wat er nu nog onder dat verblijven verstaan kan worden.