Zelfgeschreven

Soms, wanneer ik bezig ben een mail op te stellen, doet mijn gezicht mee met de toon van die mail. Het gebeurt uitsluitend bij mails die met werk te maken hebben. Blijkbaar heb ik ervoor gekozen die altijd opgewekt te laten klinken, ongeacht mijn gemoed.

Een toezegging, een afzegging, een factuur, een herinnering aan die factuur, nog maar eens, sorry hoor, knipoog, groet, uitroepteken. Het is een servicebalieglimlach, de verstarde grimas van een prima ballerina met bloedende tenen. Ik word me er meestal pas van bewust als ik al op de verzendknop heb gedrukt. Daar zit ik, met een bevroren vertekening in mijn gezicht, en ik moet opstaan en een of ander geluid maken om hem er weer vanaf te krijgen. Helemaal duiden kan ik het niet, maar het heeft te maken met schaamte voor het onechte, en daarbovenop weer schaamte voor de compensatie van het onechte met nog meer onechts, en ten slotte schaamte voor de schaamte, omdat ik me aanstel en dat ook nog eens zonder publiek.

Hieraan moest ik denken toen ik de mails zag binnenkomen van mijn studenten, die ik de opdracht had gegeven een kort frictiefragment te schrijven. Sommige studenten wensten me vrolijk veel plezier bij het lezen, anderen hoopten slechts dat hun stuk ‘een beetje leesbaar’ zou zijn. Een paar studenten waren te laat en verzonnen omslachtige excuses over ontstoken tanden en voedselvergiftigingen. Ze deden dat heel formeel, of juist nonchalant. Eén iemand kon niet kiezen, en besloot alles in de mix te gooien.

Bijna schoot ik bij het lezen van al die mails in een plaatsvervangende glimlachkramp. Ik weet dat het projectie is, maar o, de specifieke schaamte wanneer je een ingeleverd stuk moet voorzien van een begeleidend schrijven. Ik zie mezelf dan bijvoorbeeld dingen typen als ‘Ik ben maar een beetje met het onderwerp aan de haal gegaan’ en ‘Ik hoop dat het past bij wat jullie voor ogen hadden’. Wat zijn dat nu weer voor afschuwelijke zinsneden? Natuurlijk gaat een schrijver met een onderwerp aan de haal, en wie heeft er in vredesnaam precies voor ogen wat hij van een verhaal verlangt?

‘Ik weet dat dit niet goed is maar ik werk aan iets nieuws, iets beters, iets echts’

Maar goed, mijn studenten dus. Ondanks de grote verscheidenheid van hun mailstijl vertoonden hun berichten een opvallende overeenkomst: haast zonder uitzondering refereerden ze aan hun tekst als een ‘zelfgeschreven tekstfragment’. Zelfgeschreven? Dat mag ik hopen ja! De toevoeging klonk kleuterachtig, alsof het hun eerste geschreven woorden ooit waren, knoeiletters in een gelinieerd schoolschrift. Ik moest erom lachen.

Totdat ik eens ging graven in mijn eigen verzonden mails. Mijn eerste ingezonden verhalen naar tijdschriften, de eerste keer dat ik op gesprek mocht komen bij een uitgeverij, de eerste mailwisselingen met mijn redactrice. Een en al aarzeling, verontschuldiging en zelfhaat. Bij iedere tekst stuurde ik een disclaimer mee: ik weet dat dit niet goed is maar ik werk aan iets nieuws, iets beters, iets echts.

Mijn grootste verlangen was dat naar echtheid, en mijn grootste angst dat die echtheid juist onechtheid zou uitlokken. In een mail van vijf jaar geleden aan mijn redactrice, bijvoorbeeld, over het eerste verhaal dat ik naar haar opstuurde: ‘Ik hoop dat het niet te sentimenteel (kitscherig) is – het is iets waar ik vaak dicht bij in de buurt komt, maar waarvan ik hoop dat het niet de overhand neemt.’ (Ik hoopte veel, in die tijd.)

Aan zowel het verlangen als de angst is sindsdien niets wezenlijks veranderd. Het heeft te maken met wat James Wood schrijft in zijn recente essay The Nearest Thing to Life, over de verwantschap en het uiteindelijke verschil tussen religieuze teksten en fictie: ‘The real, in fiction, is always a matter of belief – it is up to us as readers to validate and confirm. It is a belief that is requested, and that we can refuse at any time. Fiction moves in the shadow of doubt, knows it is a true lie, knows that at any moment it might fail to make its case.’ Het geloof in fictie is een metaforisch geloof. Wood haalt Thomas Mann aan, die schreef dat fictie altijd een kwestie is van ‘net niet helemaal’. De schrijver is, in de woorden van Mann, ‘heel serieus, zelfs tot tranen toe – maar net niet helemaal – en daardoor helemaal niet’.

Het domein van de mailwisseling komt in de buurt van fictie, in zoverre dat het óók een geloof in waarachtigheid veronderstelt. Maar waar de waarachtigheid in fictie wordt bewerkstelligd door het zorgvuldige, het minutieuze, steunt de waarachtigheid van de mailwisseling vaak op de schijnbare nonchalance, een vorm van spontaniteit die we bij fictie helemaal niet op die manier verwachten (uitroepteken, smiley). Juist omdat we weten dat er bij fictie geen definitief ‘echt’ te vinden is, hoeft een schrijver niet te pretenderen. Daarom schrijf ik. En daarom is dat ‘zelfgeschreven’ van mijn studenten nog helemaal niet zo gek gevonden, want van alle soorten tekst is fictie de meest zelfgeschreven die er bestaat.