Film: Syriana van Stephan Gaghan

Zelfhaat in Amerika

In de aanloop naar de Oscaruitreiking op 5 maart klinken geluiden over een nieuw «politiek elan» in Hollywood. Een van de genomineerde films is de thriller Syriana van regisseur Stephan Gaghan met in de hoofdrol George Clooney.

In een artikel in Arab News betoont de Iraanse journalist en auteur Amir Taheri zich verbijsterd over het feit dat een film als Syriana in Amerika kon worden gemaakt. Regisseur Stephan Gaghan schetst in die film hoe Washington het plegen van politieke moorden en terreuraanslagen tegen westerse doelen orkestreert; hoe Texaanse oliebaronnen zich schuldig maken aan corruptie; hoe Amerikaanse bedrijven gebruik maken van illegale slavenarbeid uit Azië; en hoe de cia zijn eigen agenten monddood maakt, waardoor geavanceerde raketten in de handen van terroristen belanden. Taheri schrijft: «Waarom zou een zichzelf respecterende Amerikaan zo’n film willen maken of in zo’n film willen spelen? Als Amerika zo slecht is als de filmmakers suggereren, zouden zij zichzelf dan niet moeten schamen? En als de oliebaronnen inderdaad achter de schermen aan de touwtjes trekken, moeten we dan concluderen dat Hollywood het laatste bastion van de Amerikaanse democratie is? De waarheid is dat er een markt voor zelfhaat bestaat in het Amerika van nu, en dat velen, waaronder de producenten van Syriana, er op uit zijn hun voordeel hieruit te halen.»
Taheri, auteur van onder meer Holy Terror (1988), over het islamitisch terrorisme, staat bekend als een «neoconservatieve» journalist en auteur. Hij citeert Evelyn Waugh, die ooit schreef: «Er bestaat geen prettiger positie dan die van dissident in een stabiele, democratische samenleving.» Dit is koren op de molen van Taheri. Volgens hem heeft de politieke dissident in een democratie vrij spel als het gaat om «liegen en misleiden». Je wordt er ook nog «rijk en beroemd» mee. Hiermee bedoelt Taheri George Clooney, hoofdrolspeler in en een van de producenten van Syriana. Clooney is in de film de cia-agent Bob Barnes die aan het einde van een lange carrière in gewetensnood raakt als hij opdracht krijgt een Arabische prins te liquideren.

Voor Taheri moet de zelfhaat in Amerika deze dagen een nieuw hoogtepunt bereiken in de aanloop naar de Oscaruitreiking waar het «nieuwe politieke elan» van Hollywood moet blijken. Syriana is immers niet alleen genomineerd in de categorieën Beste mannelijke bijrol (Clooney) en Beste scenario, ook die andere politiek geëngageerde film van Clooney, Good Night, and Good Luck, is in de race, net als Steven Spielbergs thriller Munich. Daar komt bij dat er diverse films over de aanslagen van 11 september in de maak zijn, onder meer een van Oliver Stone.

Is er in Amerika inderdaad sprake van «zelfhaat»? Is die haat dan een teken van een maatschappij die aan de rand van de afgrond staat, of juist van een democratische samenleving waarin men tegendraadse geluiden koestert? Of zijn deze geluiden het gevolg van een cynische reflex waarbij het, in de optiek van Taheri, in het huidige klimaat makkelijk is kritiek te leveren op het Amerikaanse beleid in het Midden-Oosten?

Neem Syriana, een film met een verhaal dat zo complex is dat het onmogelijk valt na te vertellen. Dat is ironisch, want de film zegt op geen enkel moment iets wat niet al lang bekend is: de wereld stevent af op een energiecrisis, Texaanse oliebedrijven en grote advocatenfirma’s zijn corrupt, er zijn duistere verbanden tussen Washington en een olie producerende staat in de Perzische Golf, de cia manipuleert politieke processen in landen die voor Amerika belangrijk zijn, en wanhopige jongeren plegen zelfmoordaanslagen in naam van de islam.

Dan is er nog deze verhaallijn: Matt Damon speelt de rol van Bryan Woodman, een Amerikaanse energieanalist wiens leven een tragische wending neemt wanneer zijn zoontje verdrinkt in het zwembad van de familie van prins Nasir (Alexander Siddig), het doelwit van cia-agent Barnes. Nasir is de zoon van de emir van eerder genoemde oliestaat. De dood van het kind vormt een katalysator voor een nieuwe relatie tussen Bryan en de prins. De jonge Amerikaan realiseert zich dat Nasir politiek integer is. Hij steunt de prins in zijn pogingen te voorkomen dat zijn corrupte, jongere broer, en niet hijzelf, het emiraat van hun vader overneemt. De suggestie is duidelijk: pax syriana, dat wil zeggen vrede in het Midden-Oosten zonder geweld te gebruiken is wel degelijk mogelijk. Ware het niet dat Washington, cia, emirs en oliebaronnen binnen de kortste keren een stokje voor dit alles steken.

Syriana is politiek boeiend, maar qua vorm is het beste wat over de film valt te zeggen dat hij vakkundig gemaakt is: de acteurs zijn allemaal goed op dreef en de regisseur vertelt het verhaal met vaart, maar op een sobere manier, door gebruik te maken van een statische camera en conservatieve montagestijl.

Deze voorzichtige benadering verschilt hemelsbreed van de creatieve ontploffing die het laatste gouden tijdperk van Hollywood, in de jaren zeventig, kenmerkte. Toen beleefde de politieke thriller een hoogtepunt met meesterwerken als The Conversation (1974) van Francis Ford Coppola, en de films van Alan J. Pakula: Klute (1971), The Parallax View (1974) en All the President’s Men (1976). Wat deze films onderscheidt van politieke thrillers als Syriana is stijl. Coppola en Pakula slaagden erin de tijdgeest te vangen, óók in de vormgeving van hun werk. Zij maakten donkere, beklemmende films die zich afspelen in kamertjes waar bange mannen die óf macht hebben óf strijden tegen de macht tegen elkaar fluisteren.

Toch zijn er ook inhoudelijke overeenkomsten met de jaren zeventig: net zoals de Nixon-regering destijds onder druk kwam te staan door Watergate is er thans een regering in het Witte Huis die aan alle kanten onder vuur ligt. Nog dagelijks staan de kranten bol van vragen over de dubieuze oorzaken van het begin van de Tweede Golfoorlog en beschuldigingen over het inperken van burgerrechten in het kader van de oorlog tegen het terrorisme.

Nog een overeenkomst tussen de politieke films van de jaren zeventig en de nieuwe, geëngageerde Hollywoodcinema heeft te maken met de «zelfhaat» waarover Taheri schrijft. Welbeschouwd is er een dunne scheidslijn tussen deze vorm van haat en het instinctmatig kritisch zijn jegens machtsmisbruik. Dit laatste is wel degelijk deel van de Amerikaanse identiteit. Dat laat ook Good Night, and Good Luck zien, de film van Clooney over de communistenheksenjacht van Joseph McCarthy. Juist door de spreekbuis van de vrije samenleving – televisie – was het mogelijk de morele corruptie van de beruchte senator aan de kaak te stellen. Datzelfde gebeurde in de Amerikaanse cinema van de jaren zeventig, met de donkere thrillers van Pakula, en in de jaren tachtig, met kritische Vietnam-films.

Het in opstand komen tegen de gevestigde orde is een rode draad in de Amerikaanse cinema. Dat blijkt vooral uit de populaire cinema, in blockbusters als Star Wars III: Revenge of the Sith (2005), waarin prinses Amidala bezorgd toekijkt hoe een verwerpelijke Sith de macht naar zich toe trekt in de Senaat en waarin zij de prachtige, relevante woorden spreekt: «So, this is how democracy dies.»

Is dit zelfhaat? Ja, op een bepaalde manier. Zelfhaat is een vereiste voor de politieke thriller. Met zelfhaat wordt dan niet bedoeld het destructieve gevoel dat Taheri eraan koppelt, maar eerder het afbreken van een geïdealiseerd zelfbeeld als deel van een zuiveringsproces, zodat men de waarheid onder ogen kan zien. Filmmakers als George Clooney en Stephan Gaghan zijn door en door Amerikaans, net als de machthebbers in Washington en Texas die zij in hun films bekritiseren. En het moet gezegd: films als Syriana zijn mogelijk dankzij de commerciële filmindustrie. Het is inderdaad makkelijk om een dissident te zijn in een stabiele democratie. Maar Taheri citeert Evelyn Waugh niet terecht. Het is een misvatting te denken dat de maatschappij in Amerika momenteel in «stabiele» staat verkeert, en bij implicatie ook de maatschappij in de landen van de Europese bondgenoten.