Zelfkennis

Ik heb Movies as Politics van Jonathan Rosenbaum uitgelezen. Ik beloof dat ik er hierna niet meer op terugkom. Van alle Amerikaanse critici is Rosenbaum zonder twijfel degene die de meeste niet-Amerikaanse films heeft gezien. Hetgeen niet wil zeggen dat hij geen groot kenner van de Amerikaanse cinema zou zijn, want dat is hij wel. Niemand weet meer van Orson Welles, Nicholas Ray of Cy Endfield dan hij. Ondanks het feit dat hij meer heeft gezien dan wie dan ook, is hij vaak bescheiden.

Zo durfde hij het niet aan om City of Sadness van Hou Hsiao-hsien te bespreken; hij voelde zich geïntimideerd door de specifieke historische achtergrond van de film en was bang om fouten te maken. Later besprak hij wel The Puppet Master van Hou, en uit de manier waarop hij dat deed, valt goed af te lezen waarom hij terugschrok voor City of Sadness. De films van Hou behandelen episoden uit de geschiedenis van Taiwan; een complexe twintigste-eeuwse geschiedenis waarbij mogendheden als Japan en China, vele oorlogen en bezettingen en vele invasies een rol spelen. Een rol spelen in verhalen die in verschillende talen en dialecten worden verteld. Typerend voor Rosenbaum is dat hij heeft geprobeerd zich die geschiedenis eigen te maken om zo de inhoud en de context van The Puppet Master te kunnen verklaren.
Weinig critici bezitten zoveel zelfkennis dat ze inzien dat ze bepaalde films beter kunnen overslaan. Niemand kan overal verstand van hebben of inzicht in hebben, maar filmcritici laten zich zelden hinderen door een gebrek aan kennis. De behoefte om echt in een film door te dringen is vreemd genoeg niet algemeen onder critici, maar bij uitstek de drijfveer van Rosenbaum. Hij ziet graag films die als vensters een blik geven op een wereld die hij nog niet goed kent. De Amerikaanse formulefilms die alleen het bekende weerkaatsen, wekken zijn uitgesproken weerzin op.
Omdat Rosenbaum zijn meer persoonlijke stukken al eerder bundelde, bevat Movies as Politics relatief weinig autobiografische elementen. Toch zijn persoonlijke sporen op vele plaatsen te vinden. Voor Rosenbaum is filmkijken een gepassioneerde bezigheid en het schrijven over film gaat steeds ook over kijkervaringen. Hij schrijft vanuit een betrokkenheid die uiteraard per film van intensiteit kan verschillen. Een van de in dit verband meest opmerkelijke artikelen in het boek gaat over Crumb van Terry Zwigoff. Ogenschijnlijk een tamelijk conventionele documentaire, maar schijn bedriegt. Volgens Rosenbaum is de film feitelijk een gepassioneerd persoonlijk essay. De film gaat over de befaamde en beruchte underground-striptekenaar Robert Crumb. Crumb is duidelijk een oude liefde van Rosenbaum. Zijn getekende werelden vol seksuele obsessies en perversiteiten kennen voor hem geen geheimen. Hij is er op een opmerkelijke manier ooit diep in doorgedrongen. Hij beschrijft hoe hij in 1968, toen hij vijfentwintig jaar was (en hij vermeldt hier dat hij even oud is als Crumb) samen met zijn broer zijn eerste lsd-trip zou ondergaan. Toen zijn broer belde dat hij onderweg was, nam hij de tablet vast in en wachtte op zijn gids. De broer die hem zou gidsen, had zijn tablet echter ook al genomen. Die raakte al trippend in de metro verdwaald en kwam pas de volgende dag opdagen.
Rosenbaum zocht en vond steun op zijn trip bij Head Comix, een bundel strips van Crumb. Crumbs ongebreidelde fantasie zou ook door lsd-trips zijn ontsloten en dat maakte hem volgens Rosenbaum tot een unieke en humoristische reisleider op zijn hallucinogene weg. Dit uitstapje is hem goed bijgebleven en daarom had hij een meer dan gemiddelde belangstelling voor het filmportret van zijn bizarre reisgids. De werkelijkheid van Crumb met zijn verslaafde moeder en zijn gekke en perverse broers is bijna nog gekker dan zijn strips. Rosenbaum voelt de film langs de waanzin schuiven en ook nu duikt hij zonder voorbehoud zo diep als hij maar gaan kan in dit filmvenster. Filmkijken als overlevingstocht.