Zelfportret

Boven mijn bureau hangen afbeeldingen van vrouwen aan wie ik me graag spiegel, kennelijk. Het is het bekende rijtje: Marilyn Monroe met neergeslagen blik, Marianne Faithfull (met witte kniekousen), Anna Pavlova met een zwaan om haar nek, een onbekende schone met opgestoken haar in een ouderwets bad op pootjes.

Leukheidsidealen blijken de hardnekkigste idealen. Ik probeerde ze met nieuwe ogen te bekijken nadat ik de actrice Tjitske Reidinga had zien reageren op de portretten die van haar waren gemaakt in het televisieprogramma Sterren op het doek. Ik keek het terug toen ik er door vele berichten op werd geattendeerd. Het was grappig, en raadselachtig, zo oprecht geschokt als ze leek. Het is vast makkelijk praten vanaf de bank, maar ik dacht alleen maar: het zijn mooie portretten die gewoon wel lijken.

Dat laatste zei presentatrice Hanneke Groenteman ook, een beetje beschroomd vanwege de heftige reactie van het object. Die had de handen voor het gezicht geslagen, en het leek alsof ze ieder moment in huilen kon uitbarsten.

‘Maar dat ben ik toch niet?’

‘Ik heb toch niet zo’n opgespoten hoofd?’

‘Dit is horror!’

Ze kon er niet over uit hoe ongelooflijk lelijk ze zichzelf op die schilderijen vond. Bijzonder voor iemand die toch geregeld tegen haar eigen beeltenis moet oplopen, iedere zomer hangt ze op zo’n beetje alle zuilen van de stad omdat ze dan in het Nieuwe de la Mar staat. Dan wéét je het toch wel ongeveer?

Nogmaals, vanaf de bank, maar ik zag het verschil niet.

‘Zie je dan niet dat ze er op die ene totaal door-gebotoxt uitziet?’ sprak de meer empathisch ingestelde collega.

Ik zag een roze gladde huid ja, mooi toch?

Iets van mij werd in dit portret benadrukt dat ik al zeker acht jaar aan het verbergen was

‘Op die ander staat ze erbij als een hoer!’

Ze heeft een strakke roze jurk aan met een flatterend wellustige boezem, leuk toch?

‘En dan die met die ouderdomsvlekken! Dat moet een blik in de hel zijn voor een actrice!’

Ik zag een doorleefd hoofd met een intelligente blik, beetje zelfspot, nooit weg.

‘Weet je wat het is?’ Mijn collega weet gelukkig altijd wat het is. ‘Ze denkt vast haar hele leven al dat ze een te vol en te roze hoofd heeft, en nu worden precies díe eigenschappen benadrukt.’

Ik keek vast nog steeds een beetje ongelovig, want hij droeg me op me eens in haar situatie te verplaatsen. Goed, daar ging ik. Ja inderdaad, toen ik zeventien was verblijdde een klasgenoot me met een nogal psychedelisch getoonzet portret van mij, ik zou ‘dit is horror!’ hebben kunnen uitroepen als ik het woord ‘horror’ had gekend – ik was nog maar bij de c van ‘chick’ – en als ik niet had gedacht dankbaar te moeten zijn. In gotische letters had hij mijn naam erboven geschilderd, en toegevoegd ‘godin der vruchtbaarheid’. Iets van mij werd in dit portret benadrukt dat ik al zeker acht jaar aan het verbergen was. Hoe kon dat? De jongen moest een genie zijn. Het verdween ver weg in een la onder mijn bed, toen ik uit huis ging heb ik het verscheurd, het was nog erger dan ik het me herinnerde.

‘Weet je wat het is.’ Dit is die collega weer. ‘Jij hebt zo’n gekke obsessie met het uiterlijk van andere vrouwen.’

Ik moest hier even over nadenken.

Naar onwelgevallige herinneringen is het diep graven, maar opeens zie ik mezelf weer op een miezerige vroege ochtend, ongeveer een jaar geleden, naar een foto-atelier in de Schinkelbuurt fietsen. Er moesten nieuwe auteursportretten komen, en daartoe was Koos Breukel in de arm genomen. Terwijl er aan me gevisageerd en geplukt werd, kon ik op de met foto’s behangen muur zien hoe het mijn voorgangers was vergaan. Hoe zal ik het zeggen: iedereen zag er nogal monumentaal uit. En er waren er maar een paar – jonge meisjes en oude mannen om precies te zijn – die die zwaarte konden dragen. Het laatste restje argeloosheid voelde ik wegsijpelen, en waarschijnlijk werd net op dat moment afgedrukt.

Eenmaal hier, moest ik denken aan de koele slanke ongenaakbare vriendin die – gevleid – inging op het verzoek van een schilder haar te portretteren. Bij hem op het atelier gearriveerd moest ze zich – natuurlijk – uitkleden. Aarzelend begon ze wat open te knopen en keek nog ’s goed om zich heen. Waar ze ook keek: engeltjes. Opeens zag ze wat hij in haar had gezien: een roze cherubijntje. Vooral dat vlezige zat haar niet lekker. Ze wist niet hoe gauw ze moest maken dat ze weg kwam. ‘Er was nog geen penseel aan te pas gekomen’, zei ze me later, ‘maar ik voelde me verkracht.’

Ik kijk nog eens naar de afbeeldingen boven mijn bureau. Ik was er nog eentje vergeten te vermelden, het zelfportret van Gillian Wearing als zeventienjarige. Zo denk ik dat ik er ten diepste uitzie. Ieder ander beeld dat mij moet voorstellen is schrikken.