Jan van Mieris keert terug naar Leiden

Zelfportret van een fijnschilder

Sinds de zomer van 2014 hangt het zelfportret van de Leidse fijnschilder Jan van Mieris te pronken in Museum De Lakenhal. Na eeuwenlange omzwervingen is het schilderij eindelijk weer ‘thuis’.

Medium mieris

Jan van Mieris (1660-1690) overlijdt jong. Van zijn oeuvre zijn dan ook slechts een kleine 25 werken bekend, waarvan zich maar liefst vier in Museum De Lakenhal bevinden. Naast het Zelfportret gaat het om Odysseus en Circe (aangekocht in 1973), het Portret van de glasgraveur Willem van Heemskerk (aangekocht in 1981) en Minerva verheft de Wetenschap (aangekocht in 1997). Alle werken heeft Van Mieris gemaakt in of rond 1685, op het hoogtepunt van zijn carrière.

Jan en zijn broer Willem gaan in de leer bij hun vader, de beroemde Leidse fijnschilder Frans van Mieris de Oude. Waar Willem niet ver afwijkt van de stijl en werkwijze van vader – vooral genrestukken en olijke gezelschappen, altijd uitgevoerd met veel oog voor detail – slaat Jan een andere richting in. Om zich te bekwamen in de kunst van het schilderen van klassieke historiestukken vertrekt hij naar Amsterdam, naar het atelier van de Hollandse classicist bij uitstek Gerard de Lairesse.

Erg lang kan hij niet in Amsterdam gebleven zijn, want in 1688 vertrekt hij naar Italië. Daar, omringd door de resten van de klassieke Oudheid, kan Van Mieris zich verder gaan ontwikkelen in de historieschilderkunst. Op uitnodiging van Cosimo III de’ Medici stopt hij eerst in Florence. Het is bekend dat de groothertog van Toscane dol was op het werk van de Leidse fijnschilders, waartoe ook Jan van Mieris wordt gerekend.

De reis gaat verder via Venetië naar Rome. In 1690 overlijdt Jan van Mieris daar, in de eeuwige stad, op dertigjarige leeftijd. Hoewel zijn broer Willem meer bekendheid geniet, staat vast dat Jan de betere schilder van de twee is.

Het Zelfportret is een graadmeter voor de kwaliteit van het werk van Jan van Mieris. Hij maakt het aan de vooravond van zijn vertrek naar Italië. De schilder portretteert zichzelf terwijl hij opkijkt tijdens het tekenen; links houdt hij zijn palet met kwasten ter aanduiding van zijn kunstenaarschap. Van Mieris heeft zijn gezicht niet geïdealiseerd weergegeven, maar juist opvallend realistisch, inclusief een klein litteken bij zijn mond.

In de natuurgetrouwe weergave van fluweel en zijde, huid en haar manifesteert hij zich hier als fijnschilder par excellence. Die fijne kneepjes kreeg Jan van zijn vader mee. Frans van Mieris de Oude was vrijwel zeker een leerling van de eveneens Leidse schilder Gerrit Dou, die wordt gezien als de grondlegger van de Leidse fijnschilderkunst. Voor de kleinste details in hun schilderijen gebruiken de fijnschilders een penseel van slechts drie haren, met spectaculair resultaat.

Halverwege de zeventiende eeuw groeit de fijnschilderkunst uit tot een geliefde Leidse specialiteit die gretig wordt verzameld door vorstenhuizen in heel Europa. Vermogens worden er betaald voor de schilderijen, en dat legt de Leidse meesters geen windeieren: ze behoren tot de best betaalde schilders uit die tijd.

In 1696, Jan is dan negen jaar oud, brengt Cosimo III de’ Medici een bezoek aan het Leidse atelier van Frans van Mieris de Oude. Hij is bijzonder gesteld op zijn fijnschilderwerk en wil hem de opdracht geven een schilderij te maken van Franciscus Xaverius, al prekend in Azië. De kunstenaar weigert echter stellig. Hij wil enkel en alleen zaken schilderen die hij met eigen ogen kan zien, niet iets wat hij alleen van prenten zou kunnen overnemen. Hoe kan hij er anders zeker van zijn dat hij de scène precies zó schildert als de natuur het hem voorspiegelt?

Jan van Mieris is in zoverre een kind van zijn tijd en zijn vader dat hij eveneens veel belang hecht aan de natuurgetrouwe weergave van materialen en texturen. Met het schilderen van verhalen van-horen-zeggen heeft hij echter aanzienlijk minder moeite. De klassieke mythologie is voor hem een onuitputtelijke bron van verhalen vol actie, schitterend wapentuig en wapperende haren. Bovendien waren eind zeventiende eeuw steeds meer mensen van mening dat ‘het moderne’ schilderen, waarmee eigentijdse genrescènes werden bedoeld, een bezigheid voor minder hoogstaande geesten was. Door zich te ontworstelen aan het Leidse combineert Jan van Mieris het beste van twee werelden: het ambachtelijke oog voor detail en de directe blootstelling aan de rijke inspiratiebron van de klassieken.

Voor de kleinste details gebruiken de fijnschilders een penseel van slechts drie haren, met spectaculair resultaat

De Leidse fijnschilders slijten hun werk niet alleen bij koningshuizen over de grens, ook dichter bij huis valt het in de smaak. De schatrijke Leidse lakenhandelaar Pieter de la Court ontpopt zich tot een ware mecenas voor de gebroeders Van Mieris. Hoewel Jan vanwege zijn jeugdige overlijden maar kort heeft kunnen proeven van succes verzamelt De la Court toch vijf van zijn werken. De la Courts zwager Jan Poelaert koopt tijdens een van zijn reizen naar Rome zelfs ter plekke een schilderij van Jan van Mieris. Het betreft Het Samaritaansch vrouwtje aan de put met de heer Christus, het laatste werk van de kunstenaar.

Erfgenaam Allard de la Court heeft dezelfde verzameldrift als zijn vader. In 1744 vraagt hij aan Frans van Mieris de Jonge, zoon van Willem van Mieris, een kopie te maken van het Zelfportret van Jan van Mieris, dat op dat moment nog in dierbaar familiebezit is van de Van Mierissen. Deze kopie is sinds 1988 in bezit van Museum De Lakenhal. Dat het originele werk nu ook is toegevoegd aan de collectie, maakt de cirkel rond.

Al in hun eigen tijd worden de Leidse fijnschilders tegelijk bejubeld en verguisd. Hun werken zouden naast betoverend realistisch ook stijfjes en saai zijn, te wijten aan de ‘netticheyt, sonder lossicheyt’ van de schildertechniek — aldus Philips Angel in zijn Lof der schilder-konst. Angel meent dat de voornaamste taak van de schilderkunst het nabootsen van de natuur zou moeten zijn. Daarin slaagt zij beter dan de beeldhouwkunst. Immers, naast het weergeven van de dingen an sich zijn kunstschilders in staat om materialen en het onderscheid daartussen haarfijn uit te werken. De zon, de regen, de ochtend en de avond, de regenboog en de bliksem: de kwast weet ze allemaal in verf te vatten.

Na de Gouden Eeuw daalt de waardering voor de Leidse fijnschilders. In de achttiende eeuw worden geen vermogens meer betaald voor hun werk. Zelfs Gerrit Dou verdwijnt uit de harten van veel verzamelaars. Alle waardering gaat vanaf dan uit naar de nonchalante, maar trefzekere schilderstijl van wonderkind Rembrandt — compleet tegengesteld aan de werkwijze van de fijnschilders. Rembrandt kleurt het beeld dat gekoesterd wordt van de Gouden Eeuw.

Het heeft lang geduurd voordat deze Rembrandt-koorts afnam en er ruimte kwam voor de herwaardering van de Leidse fijnschilders. Nog in de twintigste eeuw heet het fijnschilderen ‘verwerpelijke pietluttigheid’ en ‘benepen peuterigheid’ te zijn, maar anno nu lijkt het tij te keren. De Leidse fijnschilders vinden hun weg naar (privé-)verzamelingen wereldwijd.

In 2014 toonde De Lakenhal Gerrit Dou: The Leiden Collection from New York. Deze in relatief korte tijd samengebrachte privé-verzameling uit de VS beslaat bijna het complete bestand van Leidse fijnschilders waaronder de grootste verzameling werken van Dou in privé-bezit.

Het Zelfportret van Jan van Mieris valt in een breder verband van Leidse fijnschilderportretten. Van Frans van Mieris de Oude is bekend dat hij zichzelf tientallen keren heeft geschilderd, vaak als model voor een van zijn ‘tronies’. Schilders stonden regelmatig zelf model voor deze oefenstukjes in menselijke mimiek en uiterlijke verscheidenheid.

We zien Frans van Mieris de Oude ook terug op het schilderij Drie generaties, in 1742 geschilderd door zijn kleinzoon Frans van Mieris de Jongere. Die schildert zichzelf met een portret van zijn beroemde grootvader, staand naast zijn inmiddels blinde vader Willem van Mieris. Ook van Willem van Mieris is een zelfportret aanwezig in de collectie. De rij wordt aangevuld door de Leidse fijnschilders Carel de Moor, die zichzelf opvallend genoeg in rembrandteske losse toets heeft vereeuwigd, en Nicolaas Rijnenburg. Tot slot is daar nu dus ook het Zelfportret van Jan van Mieris bijgekomen. Deze aankoop werd mede mogelijk gemaakt met steun van de Vereniging Rembrandt, haar BankGiro Loterij Aankoopfonds en Themafonds 17de-eeuwse Schilderkunst en het Mondriaan Fonds.


Milou van Oene is kunsthistorica en medewerker communicatie Museum De Lakenhal


Beeld: Jan van Mieris, Zelfportret_, ca. 1685. Olieverf op doek, 80,4 x 64,3 cm (Museum De Lakenhal, Leiden)_