Aantekeningen uit het ondergrondse

Zelfportret van een neezegger

tekening: PJ Roggeband

Medium 2e 20opening
Medium 1e 20opening

F.M. Dostojevski
Aantekeningen uit het ondergrondse
Uit het Russisch vertaald door Monse Weijers
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 165 blz., € 23,20

Een tot zijn nek van ressentiment vervulde sikkeneur die alles doet om erbij te horen en voor vol te worden aangezien, door mensen die hij verafschuwt. Zie hier de zelfverkozen buitenstaander zoals die in de moderne literatuur gestalte krijgt bij Kafka, Beckett, Faulkner, Bernhard en Coetzee, maar in zijn meest zieke vorm bij Dostojevski

Als deze krant voor het thema van het kerstnummer, ‘Ik en de anderen’, de vraag had gesteld ‘wat is welbegrepen eigenbelang?’ hadden een paar hoofdstukjes uit Dostojevski’s Aantekeningen uit het ondergrondse aardig discussiemateriaal geboden.

De clou zit ’m natuurlijk in het woordje ‘welbegrepen’. Dostojevski’s hoofdpersoon is een veertigjarige eigenheimer die zich schriftelijk richt tot zekere Heren, ‘mensen met sterke zenuwen’, die weten dat de wereld door natuurwetten geregeerd wordt én vooral ook weten wat goed is voor de mens: leven naar de eisen van de wetenschap en het gezond verstand. Ten aanzien van de stelling dat wie de logica van het eigenbelang volgt automatisch goed zit, tekent de dwarsligger protest aan: ‘Hoe zijn al die wijze lieden op het idee gekomen dat de mens behoefte heeft aan een normaal, deugdzaam wensleven? Hoe zijn ze op het idee gekomen dat de menselijke wil per se gericht moet zijn op verstandelijk beredeneerd voordeel?’ Nee, zegt de man, wiens alleenspraak nu hij na veertig jaar toekijken eindelijk zijn mond opendoet niet meer te stuiten is, nee, zegt hij hartgrondig: ‘Wat is er nu voor aardigheid aan om wensen te hebben volgens een logaritmentafel?’ Bovendien, zegt hij, blijkt de wereldgeschiedenis allerminst door de rede beheerst. Misschien is de mens niet alleen uit op geluk, maar vindt hij kapotmaken ook erg prettig, zoekt hij liever het ongeluk dan het geprefabriceerde welbehagen.

‘Ik heb het ondergrondse immers’, zegt hij tegen het eind van zijn filippica, op een derde van het boek. Hij weet dat juist de heren tot wie hij zijn schrijven richt niet naar zo’n misfit als hij zullen luisteren. Hij is zich er terdege van bewust dat ouwehoeren (het ‘oudehoeren’ van de vertaling is een beetje hypercorrect) ‘de directe en enige lotsbestemming van ieder intelligent man’ is. Een mooie definitie van intelligentie, zeker als monologizeuren wordt omschreven als ‘welbewust je tijd verdoen’.

Ook hier zit het venijn in het woord ‘welbewust’. Je kunt ook zeggen dat de praatziekte van deze man zijn vorm van zwijgen is: hij is een buitenstaander uit eigen keuze, neezegger van nature. Hij eist bestaansrecht voor zijn soort op, oftewel het recht op grilligheid, op een wil die vooral bestaat uit niet-willen, zelfs als dat in de ogen van weldenkende, normale mensen gelijkstaat aan opzettelijke krankzinnigheid.

Alles wat de kelderman zegt en (bij voorkeur verkeerd) doet, doet hij bewust – dat onderscheidt hem van de doorsnee medemens. Als deze man niets doet, is het omdat hij inziet dat er niets te veranderen valt, dat machteloze inertie nu eenmaal zijn deel is. Maar wat hem van normale mensen – de mensen zonder zenuwen, de mannen van de daad – onderscheidt, is dat hij het weet.

In positieve zin maakt het zelfbewustzijn hem, althans naar eigen gevoel, superieur; in negatieve zin is het de bron van alle ellende, omdat hij in het diepst van zijn hart de normale mensen benijdt en zijn ondergrondse, dat een schuilplaats lijkt, haat. De neezegger spreekt voortdurend met twee tongen en ook dat weet hij zelf maar al te goed, getuige zijn ongenadige zelfportret.

Nabokov heeft in zijn roman De gave een hoofdstuk van zo’n honderd pagina’s aan hetzelfde thema gewijd: een pleidooi voor de grillige wil. De naam Dostojevski wordt genoemd, maar niet meer dan dat. Het hoofdstuk behelst een uiteraard vertekende biografie van de negentiende-eeuwse wereldverbeteraar Nikolaj Tsjernysjevski, wiens naam minder bekend is dan zijn les in romanvorm Wat te doen? Nabokov treedt tegenover deze ‘ingenieur van de ziel’ voor dezelfde vrijheid in het krijt als Dostojevski’s dwarsligger: liever onberekenbaar gedrag dan ingecalculeerde en dus voorspelbare reflexen. Een voetnoot in de nieuwe vertaling van Aantekeningen uit het ondergrondse vermeldt dat Dostojevski zijn roman in 1864 direct tegen het een jaar eerder verschenen Wat te doen? schreef. Dat maakt het qua woordkeus en begrippen gedateerd, al vond Lenin dat na een halve eeuw zeer zeker niet: hem beviel het positivisme van de utopische socialist die vond dat de mensen geleerd moest worden hoe ze het beste konden leven – daarvoor dienden kunst en wetenschap. Tsjernysjevski gaf zijn roman, die hij in de gevangenis schreef, het motto mee: ‘De meerderheid heeft altijd gelijk’, serieus bedoeld hoewel hij het ontleende aan het verneukeratieve woordenboek van pasklare ideeën van Flaubert.

Dostojevski’s hoofdpersoon verzette zich tegen de utopie van het wetenschappelijke, louter kwantitatieve denken. Overigens wist Dostojevski toen al dat hij een uitstervend soort portretteerde: ‘Een type uit een pas achter ons liggende periode. Het is een vertegenwoordiger van een generatie die nu haar laatste dagen slijt.’ Zo staat het in het korte voorwoordje, maar of Dostojevski het stuiptrekkende genus betreurt is niet meteen duidelijk, en dat past bij diens eigen dubbelzinnigheid.

De man, dankzij een erfenis een jaar geleden met vervroegd pensioen gegaan, wonend in dezelfde rotkamer als vroeger, begint zijn papieren tirade met: ‘Waar kan een fatsoenlijk man met het grootste genoegen over praten. Antwoord: over zichzelf. Welnu, dan zal ik ook over mezelf spreken.’ Dat heeft menigeen hem nagezegd, maar hij had een beroemde voorloper, Montaigne, die zijn essays net zo begon. Tegen een andere, Rousseau, zet Dostojevski’s egotist zich juist af omdat a) Rousseau als het pijnlijk werd allerminst de naakte waarheid over zichzelf sprak, en b) Dostojevski’s ‘retortenmens’ (je kunt het ook, denkend aan Kafka, lezen als ‘tormens’) helemaal geen zonden wil opbiechten aan een publiek; zijn epistel ziet er meer uit, zoals hij zelf zegt, als een vonnis over zichzelf.

De naam Kafka komt vanzelf op bij zo’n opmerking over het vonnis dat hij schriftelijk over zichzelf velt, of bij de vergelijking met een insect en het schuldig zijn zonder schuld te hebben. In zijn dagboeken heeft Kafka herhaaldelijk bekend dat hij het werk van Dostojevski in zich had opgezogen. In een brief aan Felice voert hij zichzelf op als ‘kelderbewoner’. Lees het verhaal Het hol: ook dat is een monoloog van een wezen dat vrijwillig uit de wereld is gestapt en in zijn hol met niets anders bezig is dan die vermaledijde buitenwereld. De lange vergelijking met een muis die zich in zijn kruipruimte overgeeft aan zijn eeuwige woede lijkt een synopsis voor Kafka’s verhaal. Het is het spiegelbeeld van de kelderman, die iedereen verafschuwt én benijdt, voortdurend ruzie zoekt en pijnlijke confrontaties aangaat om, als hij tot zichzelf komt, vast te stellen dat niemand hem zelfs maar ziet staan. Hij wil erbij horen, als gelijke geaccepteerd worden, maar houdt de eer aan zichzelf door zich voor te doen als een slecht mens, een man die kwaad wil, met het accent op wil, geniet van het lijden, die gevreesd, bespot en vernederd wil worden, en zich dat kan permitteren omdat hij zich superieur waant én weet dat ook dat zelfbedrog is.

‘Ik ben een zieke man… Ik ben een boze man. Een onaantrekkelijke man. Ik geloof dat ik een leverkwaal heb. (…) Ik was een kwaadaardige ambtenaar.’ Aldus de eerste zinnen van Aantekeningen uit het ondergrondse. Schaamt hij zich daarover? In genen dele: hij schaamt zich wel, voortdurend, maar niet daarover. ‘Vol schaamte besefte ik dat ik niet alleen geen kwaadaardig, maar zelfs geen verbitterd man ben, dat ik alleen zonder enige reden mussen aan het schrikken maak en mezelf daarmee amuseer.’ Zo is het ook met genot: hij kreunt, maar niet van genot, hij geniet niet eens van zijn gekreun en het effect dat dit bij anderen teweegbrengt. De aansteller kreunt ‘zoals een man steunt die beroerd is door de ontwikkeling en de Europese beschaving’; hij weet dat zijn gekreun iedereen tergt, dat het volstrekt niets zal uithalen en dat hij zich alleen uit kwaadaardigheid zo laat gaan: dáár schaamt hij zich over en in die schande schuilt zijn genot. Kan het perverser, kan het kronkeliger? Spreker heeft van zijn gespletenheid en de daarmee samenhangende zelfobservatie grote kunst gemaakt.

Voor een psychiater een duidelijk geval – dat wist Dostojevski natuurlijk evengoed als zijn hoofdpersoon zelf. Met zijn onderzoek, zoals de man het zelf noemt, wil hij twee dingen weten: 1) of hij de enige is die zo voelt en denkt; nee, hij is bij lange na niet de enige, wat tevens een argument is tegen de utopie van het rationele eigenbelang, en 2) wat dit perverse genot, dat hij met andere buitenstaanders deelt en dat normale mensen zich niet eens kunnen voorstellen, precies inhoudt. Daar toont Dostojevski de keerzijde van zijn aanval op Tsjernysjevski en die is veel duisterder dan het anti-utopisme van toen. Wat is de ziekte waaraan de neezegger lijdt? De ziekte van het bewustzijn, lees: zelfbewustzijn. Wezenlijk is in zijn geval niet dat het om ‘een verhevigd bewustzijn’ gaat: het adjectief suggereert een zekere hoogte of diepte. Nee, deze man lijdt omdat hij zichzelf helemaal niet wil zien. Hij voelt zich schuldig aan zijn eigen lot en weet dat de schuld gelegen is in zijn aard, dat ook hij natuurwetten volgt: het pijnlijke bewustzijn is het resultaat van het lijden. Zijn lot is de gesloten cirkel, zijn praatziekte idem dito. Hij komt tot het besef dat hij niets kan uitrichten en heeft als enige troost dat hij dat weet; en die schrale troost is weer een middel om zichzelf te kastijden.

Aan de ziekte van de neezegger laboreren veel Dostojevski-personages. Denk aan de ongefundeerde moordzucht van Raskolnikov in Misdaad en straf, en kort erna de fantastische vertelling De droom van een belachelijk mens in Dagboek van een schrijver; allerlei figuren in Boze geesten (1871) en vooral Iwan in De broers Karamazov. Het grote verschil tussen de man in zijn ondergrondse en de andere buitenstaanders is dat hij niet weet wat hij wil, alleen wat hij niet wil.

De ziekte van deze man is er een die de moderne literatuur in velerlei gedaanten behandeld heeft, telkens als het om de figuur van de buitenstaander gaat, de uitgestotene maar even goed de vrijwillige, hoewel juist Dostojevski’s neezegger de betrekkelijkheid van dat neen laat zien. Kafka, Beckett, Faulkner, Bernhard, Coetzee hebben figuren gecreëerd die in de leer zijn geweest bij Dostojevski’s door praten en schrijven dubbel zo zieke zelfkweller. De roman is ook vertaald als ‘Gedenkschriften uit de onderwereld’ en ‘Memoires uit het souterrain’, maar het gaat toch echt om een ondergrondse, inclusief de politieke en sociale verzetsbetekenis, en eventueel de psychologische bijbetekenis. Dat hij in een souterrain hokt is bijzaak – zijn denken is gehuisvest in een onderwereld, niet in een andere wereld die los zou staan van de gewone – lees het tweede deel van het boek.

Zoals vaak bij Dostojevski zit er een rare knik in het boek. Op het eind van zijn monoloog gaat hij aan het werk, zo noemt hij het noteren van herinneringen, niet als biecht, niet eens bedoeld voor lezers. Verder dan één uitgesponnen herinnering aan de klier die hij op zijn 24ste was, komt hij overigens niet. Aan wat er in de tussenliggende twintig jaar gebeurd is, maakt hij geen woord vuil. De postpuber bezat alle eigenschappen van de kwelgeest die zichzelf in de monoloog portretteert, een tweede is of hij toen al wist wat hij deed, laat staan waarom. Zo moet hij toen al geweest zijn: een tot zijn nek van ressentiment vervulde sikkeneur die alles deed om erbij te horen en voor vol te worden aangezien, door mensen die hij verafschuwde. Zijn verhaal is een cavalcade van miskleunen en (zelf)vernederingen: oefeningen in slechtheid, waarvoor de man twintig jaar later – in de vertraagde herhaling, die omdat het een vertelling is twee keer zoveel ruimte kost – de passende formuleringen vindt. Daarom is de volgorde van de monoloog in de tegenwoordige tijd en de herinnering in de verleden tijd de enig juiste. Zonder die ‘filosofie’ vooraf was het de vertelling van een underdog geworden, een doorsnee negentiende-eeuwse Russische vertelling; nu is het een gevalsbeschrijving, lucide maar vol schaduwen en valse vouwen. Het boek wekt de indruk van een schets, en dat zou juist wel eens de sterkte van de roman kunnen uitmaken: met zijn dubbelzinnige nee heeft deze buitenstaander – die de werkelijkheid onder ogen ziet maar weigert zich erbij neer te leggen, al weet hij dat verzet tot niets leidt – model gestaan voor een hele rij afzonderlingen in anderhalve eeuw moderne literatuur.