De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Zelfportret via de schoonvader

De vader van Artenio bestaat uit herinneringen aan ‘een ander’. Frida Vogels beschrijft ook zichzelf, maar doet dat zachtzinniger dan in haar eerdere werk.

Frida Vogels en haar echtgenoot Ennio. De foto, gemaakt door vriend J.J. Voskuil, is een van de weinige foto’s waar Frida Vogels op te zien is, circa 1950 © J.J. Voskuil

Een autobiografisch werk van bijna tweeduizend bladzijden en zestien delen dagboek. Een schrijver die dat klaarspeelt, zou je denken, moet wel heel erg weg zijn van zichzelf. Maar wie het werk van Frida Vogels (1930) kent, weet dat het omgekeerde waar is – en dat daar twee redenen voor zijn. De eerste: dat Vogels zichzelf, met name in de omgang met anderen, juist een ‘slome tante Liesbet’ vond. Een aangezet portret van Vogels’ sociale ongemak kennen we uit de studentenroman Bij nader inzien (1963) van haar goede vriend J.J. Voskuil. Als Vogels annex Henriëtte Fagel al, zoals ze het in reflecties op die tijd zelf zegt, ‘een bek opendeed’, dan strandde haar zin halverwege en zwiepte ze hulpeloos met haar hoofd.

Schrijven ging haar beter af. Alles wat ze in gesprekken niet voor het voetlicht kreeg, staat inclusief lucide zelfkritiek in haar dagboeken en autobiografische werk De harde kern (1992-1994). Vogels schrijft om (met zichzelf, met anderen) te kunnen leven. En dat terwijl wie constant schrijft natuurlijk niet bezig is met leven. Die tweespalt kenmerkt haar werk en bestaan – een inzicht dat ze in De harde kern als volgt verwoordt: ‘Ik hinkte op twee gedachten en ben dat mijn leven lang blijven doen. Ik stelde alles in het werk om een mens onder de mensen te worden en tegelijkertijd alles om het tegenovergestelde doel te bereiken. Daar gaat mijn boek over, of dat is mijn boek.’

Bovendien – en dit is de tweede reden dat haar zelfinteresse geen zelfzucht is – schrijft ze vaak niet eens over zichzelf. Net als haar favorieten Stendhal en E. du Perron legt Vogels zich meestal toe op schetsen, anekdotes en beschrijvingen van contact met mensen om haar heen. Rachel Cusk avant la lettre dus. Zo ook in haar nieuwe boek(je) De vader van Artenio. Net als het eerdere Tante Lucietta (2010) bestaat het uit herinneringen aan ‘een ander’, en net als in Voskuils De moeder van Nicolien is die ander een schoonouder.

Frida Vogels had geen makkelijke band met haar Italiaanse schoonfamilie. Dit wisten we al uit het eerste deel van De harde kern, dat de periode beschrijft waarin een oom op sterven ligt en zij en haar echt-genoot Artenio (roepnaam Ennio) bij zijn familie verblijven. Vogels, die in dat boek Berta heet en net als de andere personages in de derde persoon wordt beschreven, probeert uit alle macht zich er op haar plaats te voelen en contact te leggen. Uit allerlei kleine aanvaringen blijkt dat dat niet lukt. Haar man ziet bovendien niet hoe ze worstelt en vertikt het haar probleem, of eigenlijk haar persoon in het algemeen, te begrijpen. Wel merkt ze dat de familie nog een andere buitenstaander kent: haar schoon-vader.

Als boerenzoon genoot Ennio’s vader een volstrekt gebrek aan achting in de familie van zijn vrouw. Zelfs zijn zoon keek op hem neer en was jaloers op Vogels, wier vader als directeur van een telecombedrijf tenminste wat voorstelde. De vader van Artenio bevat veel schrijnend-hilarische passages waarin Ennio kwaad wordt om zijn vaders gênante gedrag. Zo doopt die en plein public een soepstengel in een glas wijn. Ennio reageert ontsteld en trekt het glas uit zijn vaders hand, die zich daardoor niet van de wijs laat brengen: ‘Zijn vader schrok een beetje. Hij nam nog een stukje soepstengel, stak het in zijn mond, haalde zijn glas naar zich toe en nam een slok wijn. Hij keek naar Ennio. “Als je het niet netjes vindt om het in te dopen,” zei hij zachtjes, “moet je het zo doen, je maakt een soepje in je mond.” “Nee!” zei Ennio. “Maar als jij dat nu ook lekker vindt. Zo kan het heel goed.” “Ik vind het niet lekker!” zei Ennio.’

Ennio’s vader komt naar voren als een aandoenlijk, maar ook opmerkzaam en karaktervol man. Bijdehand ook: ‘We gingen kijken naar de grafmonumenten van beroemdheden in de kerk van Santa Croce. Galilei, Machiavelli, Alfieri. “Je kunt je afvragen,” zei hij spottend, “waarom de Kerk erin heeft toegestemd deze mensen, die zij zo lang ze leefden heeft bestreden, hier te begraven. Nu ze dood zijn, is zij niet afkerig van hun grootheid.”’

Ennio’s vader komt naar voren als een aandoenlijk, maar ook opmerkzaam en karaktervol man. Bijdehand ook

Gaandeweg tekent zich de verwantschap tussen Vogels en haar schoonvader af. Vooral in opmerkzaamheid zijn ze aan elkaar gewaagd, zo blijkt steeds als Vogels haar schoonvaders opmerkzaamheid opmerkt: ‘Hij bleef even staan om te kijken naar een vrouw in een gelige, doorschijnende regenjas. ‘“Die jas lijkt wel gemaakt van kippenblazen,” zei hij nauwkeurig. Hij grinnikte.’

Wat ze nog meer gemeen hebben, is de neiging om alles op te schrijven. Zodra hij voelt dat hij niet lang meer heeft, haalt hij een oud schrijftafeltje van zolder en begint aan zijn memoires. Alle dagen werkt hij eraan, tot ergernis van de familie. Op een dag heeft hij zijn tekst af, bindt hij de hoofdstukken netjes in en bergt ze op in dozen. Niet veel later wordt hij onwel. Zijn vrouw vindt hem ineengestort achter de slaapkamerdeur; hij komt bij en kust haar hand. Later vertelt ze Vogels: ‘“En dat is mijn laatste herinnering aan hem!” Ja, want toen ze hem hadden weggehaald om hem naar het ziekenhuis te brengen, had hij haar niet meer gegroet: geen glimlach, geen gebaar, helemaal niets. Hij lag op die brancard en staarde voor zich uit. “Die herinnering laat me geen rust,” zei ze. “Ik zou willen weten waarom het zo was.”’

Lezers hebben op dat moment al een vermoeden. Eerder in het boek heeft Vogels namelijk een ernstig gesprek tussen Ennio, zijn vader en haarzelf in herinnering gebracht: ‘Hij keek ons aan. Ik had opgemerkt dat zijn benen trilden als hij zich opmaakte om iets te gaan zeggen, alsof ook zijn spieren zich moesten concentreren. (…) Hij glimlachte weer, nu treurig. “Wat is de dood,” zei hij, “in een gat in de grond, voor de eeuwigheid.” Ik merkte opnieuw dat trillen op. “Ik wil niet onverwacht sterven. Ik wil de dood zien naderen. Ik wil me voorbereiden.”’

Wat zijn vrouw niet wist, wist zijn schoondochter wel: dat Ennio’s vader niet op- of omkeek toen hij werd afgevoerd, was niet uit apathie. Hij had zijn volle aandacht nodig om zijn naderende dood in de ogen te zien.

Aan zulke momenten – van dramatische ironie eigenlijk, want als lezer weet je meer over Ennio’s vader dan zijn vrouw – merk je hoe vreselijk goed De vader van Artenio in elkaar zit. Hoe Vogels je, door op bepaalde momenten bepaalde details op te merken, de middelen geeft om later in het boek de complexiteit van persoonlijkheden, gebeurtenissen en verhoudingen te zien. Als Ennio tegen het einde van het boek een zoveelste snedige opmerking maakt over zijn vader, weten we al dat we daar meer in kunnen lezen dan snedigheid alleen. Ennio’s moeder had na de dood van haar echtgenoot bij het opruimen een pistool gevonden. Een pistool met een uitgebreide, handgeschreven gebruiksaanwijzing erbij. Waarschijnlijk had haar echtgenoot het gekocht nadat hij bestolen was. Ennio, echter, opperde dat de aanschaf vast het resultaat geweest was van zijn vaders oprukkende kindsheid en vele vijanden.

Een gemeen grapje, misschien. Maar die zorgvuldig opgetekende gebruiksaanwijzing bij dat pistool? Eerder in het boek merkte Vogels de aandachtige manier waarop haar schoonvader met spullen omging al op: ‘In een pillendoosje bewaarde hij kapotte veters. En zo meer.’ Ennio heeft diezelfde ordelijkheid, waardoor je je toch afvraagt of Ennio niet alleen on-hebbelijk deed tegen zijn vader omdat hij weinig eerbied voor hem had, maar ook omdat hij zichzelf in hem herkende. En hij zijn best deed te voorkomen dat hij precies zoals zijn vader werd.

Net als uit haar dagboeken doemt ook uit Vogels’ observaties over haar schoonvader een zelfportret op. En net als in haar dagboeken bestaat dat portret vooral uit de aandacht en achting die ze toont voor de eigenaardigheden van anderen. Wel is het portret in De vader van Ennio zachter dan in eerder werk. Waar ze haar ontmoeting en lang niet altijd fraaie eerste jaren met Ennio in haar dagboeken en De harde kern tot op de draad ontleedt, blikt ze in De vader van Artenio kort, berustend en zelf-ironisch terug: ‘(…) het eind was dat we nog geen drie weken na onze eerste ontmoeting op een mistige avond naast elkaar op een bankje zaten en ik ‘Ja’ tegen hem zei. Het heeft daarna nog jaren soms moeizaam leven met ons tweeën gekost voor ik mijzelf ervan kon overtuigen dat die Pavlov-reactie het juiste antwoord was geweest.’

Misschien dat zulke mildheid met de tijd komt: Vogels heeft eerder dit jaar de negentig bereikt. Misschien, ook, is ze te danken aan haar blokfluit. In het enige interview dat Vogels ooit gegeven heeft, vertelt ze dat de spanningen tussen Ennio en haar afnamen toen ze samen begonnen te musiceren: zij blokfluit, hij gamba en klavecimbel. Hoe dan ook voelt dat zachte zelfportret als een passend zelfportret. Al was het maar omdat mededogen met zichzelf toch wel het minste is dat zo’n groot auteur verdient.