‘Economische’ daklozen vallen tussen wal en schip

Zelfredzaam zonder dak

Daklozen zonder psychiatrische of verslavingsproblematiek krijgen het stempel ‘zelfredzaam’ opgeplakt, om te maskeren dat er in Nederland te weinig opvangplekken en betaalbare woningen zijn. ‘Om hulp te krijgen moet je je zieliger voordoen dan je bent.’

Medium angb20171212104
Sinds Laurens ten Hagen in 2014 zijn huis uit moest is hij zwervende. Vijf dagen in de week werkt hij als vrijwilliger bij een kringloopcentrum in Rijswijk

Op een maandagochtend in maart 2014 zit Laurens ten Hagen te wachten voor de telefoon die precies om half negen over gaat. Het is zijn advocaat met slecht nieuws: het bezwaar dat hij bij de rechtbank heeft ingediend is afgewezen. Nog geen half uur later staan de verhuiswagens voor zijn deur, begeleid door politieauto’s, de deurwaarder en een vertegenwoordiger van de sns-bank. Lijdzaam kijkt Ten Hagen toe hoe verhuizers de bank, de wasmachine en het antieke schilderij van zijn overgrootouders het laadruim in sjouwen. Een paar dozen met persoonlijke spullen mag hij houden; de rest gaat achter slot en grendel bij de schuldeiser. Als alle kamers leeg zijn, verzoekt een agent hem het erf te verlaten: dat is nu eigendom van de bank. Daar staat hij dan. Zonder huis en met een restschuld van zo’n drie ton. ‘Weet je al waar je slaapt vannacht?’ vraagt de jurist. Nee, daar heeft hij nog niet over nagedacht.

Hij had überhaupt niet gedacht dat zoiets hem kon overkomen. Vijf jaar eerder verdiende Ten Hagen als manager bij een automatiseringsbedrijf een jaarsalaris van 150.000 euro en woonde hij in z’n eentje in de riante woning in de Betuwe. Hij was gehecht aan dat huis. Toen hij in 2002 scheidde nam hij een hypotheek op de overwaarde, om zijn ex te kunnen uitkopen. De sns-bank deed er niet moeilijk over. Op de woningmarkt groeiden de bomen tot in de hemel en hij had een goed betaalde baan.

Totdat de financiële crisis uitbrak. In 2009 werd hij ontslagen en na een kortstondig succes als zzp’er ging zijn belangrijkste opdrachtgever failliet. Naar de tienduizenden euro’s die hij te goed had kon hij fluiten. Het huis verkopen en verhuizen was geen optie nu de huizenmarkt was ingestort – daarvoor stond zijn woning al te ver onder water. Met een kort geding probeerde hij de faillissementsverkoop nog tegen te houden, maar de rechter was onverbiddelijk. Sinds die lenteochtend in 2014, waarop hij zijn huissleutels aan de bank overhandigde, is Ten Hagen letterlijk zwervende. De afgelopen jaren bivakkeerde hij bij vrienden, kennissen, familie, of op de achterbank van zijn auto.

Volgens de richtlijnen van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (ggd) is Laurens ten Hagen een ‘zelfredzame’ dakloze: iemand die weliswaar geen vast woonadres heeft maar verder weinig mankeert. Geen ernstige psychiatrische problemen, geen zware verslaving. Hij heeft zelfs een goede opleiding, een mooi cv en een netwerk van behulpzame vrienden en familie. Voor hulpverleners is het reden om aan te nemen dat hij op eigen kracht een uitweg kan vinden. Maar zo werkt het niet, blijkt uit zijn verhaal en dat van vele anderen die we spraken. Laurens ten Hagen kwam er niet bovenop; hij raakte alleen maar dieper in de put. Terwijl hij niet zo veel nodig heeft: eigenlijk snakt hij vooral naar een dak boven zijn hoofd, een eigen plek om tot rust te komen. Maar omdat hij eerder een ‘woningwens’ heeft dan een ‘zorgvraag’ kan de gemeente niets voor hem betekenen. ‘Om hulp te krijgen moet je je eigenlijk zieliger voordoen dan je bent’, zegt hij.

Hoe kan het dat dit soort ‘zelfredzame’ daklozen door de mazen van het sociale vangnet glippen? En hoe zelfredzaam is iemand die in zijn auto, in een tentje of zelfs op een bankje in het park slaapt? Samen met De Groene Amsterdammer en Nieuwsuur deed Platform Investico de afgelopen maanden onderzoek naar de groeiende groep daklozen zonder ernstige psychiatrische problemen of zware verslaving. We gingen langs bij tientallen experts, spraken uitvoerig met twaalf ‘zelfredzame’ daklozen en zetten enquêtes uit onder zowel opvanginstellingen als de 43 ‘centrumgemeenten’, die verantwoordelijk zijn voor de maatschappelijke opvang.

We ontdekten dat ‘zelfredzaamheid’ wordt misbruikt om het ware probleem te verhullen: er is in Nederland een structureel tekort aan opvangplekken en betaalbare huisvesting. Om ervoor te zorgen dat de schaarse middelen ten goede komen van de meest kwetsbaren werpen gemeenten drempels op die in strijd zijn met mensenrechtenverdragen. Zo worden daklozen zonder psychiatrische en verslavingsproblemen in Amsterdam geweigerd bij de maatschappelijke opvang, terwijl volgens de Raad van Europa iedereen recht heeft op een basale vorm van onderdak. En hoewel wettelijk is vastgelegd dat de zorg in Nederland landelijk toegankelijk moet zijn, worden daklozen, soms hele gezinnen, weggestuurd bij gemeenteloketten omdat ze geen ‘binding’ hebben met de regio.

Het was een stille revolutie waar de kranten niet vol van stonden: tussen 2009 en 2015 steeg het totale aantal daklozen volgens het cbs met maar liefst 74 procent, van 18.000 naar 31.000. Die groei werd niet alleen veroorzaakt door het stereotype onverzorgde zwerver die hele dagen met blikken bier in het park hangt. Het waren evengoed pechvogels zoals Laurens ten Hagen, die door een ongelukkige samenloop van omstandigheden op straat belandden. Scheiding, ontslag, schulden zijn zelden de enige oorzaak, maar reduceren de veerkracht tot nul bij een nieuwe tegenslag. Twee jaar geleden luidden onderzoekers van het Trimbos-instituut voor het eerst de alarmbel over een groeiende aanwas van ‘nieuwe daklozen’, die door economische tegenspoed hun huis waren verloren. ‘Het is belangrijk om adequate ondersteuning te bieden voordat mensen afglijden naar erger’, schreven ze. Twee jaar later zijn de problemen allerminst verholpen, blijkt uit onze eigen enquête onder de centrumgemeenten. Meer dan de helft van hen zag de groep daklozen zonder psychiatrische en verslavingsproblemen sinds 2014 verder stijgen. Bijna zeventig procent geeft aan onvoldoende budget te hebben om hen goed te kunnen helpen. Hoeveel ‘zelfredzame’ daklozen er precies rondlopen in Nederland weet niemand; omdat ze tussen wal en schip vallen, blijft de groep vaak buiten de statistieken. Maar het gaat niet om marginale aantallen. Rina Beers, beleidsmedewerker van branchevereniging Federatie Opvang, schat dat er in Nederland meer dan tienduizend daklozen rondlopen zonder psychiatrische of verslavingsproblemen. In Amsterdam kreeg meer dan de helft van de mensen die vorig jaar aanklopten bij het centrale daklozenloket van de ggd het stempel ‘zelfredzaam’ (867 van de 1612).

Twee stoelen, een bureau, een computerscherm. Meer staat er niet in spreekkamer 3 aan de Amsterdamse Jan van Galenstraat. Geen planten in de vensterbank, geen platen aan de muur. Kaal. Toch staat de ruimte bij veel Amsterdamse daklozen in het geheugen gegrift. Het is het eerste meldpunt voor mensen die onderdak zoeken.

In dit kamertje werkt Dylan Price één dag in de week als ‘screener’. Verslaafde zwervers, ‘bankhoppers’ of mensen die na baanverlies hun huis kwijt zijn geraakt: als ze opvang willen, moeten ze eerst langs Price of een van zijn ggd-collega’s. Tijdens een gesprek van grofweg een half uur bepaalt hij of de hulpzoeker wel of niet zelfredzaam is. Heeft iemand een verslaving? Hoe ziet het sociale netwerk eruit? Zijn er psychische problemen? ‘Aan de hand van het verhaal van de dakloze beoordelen we of iemand de maatschappelijke opvang in kan.’

Vanwege de impact van zijn beslissingen is Price blij dat hij bij het vellen van zijn oordeel kan vertrouwen op een speciaal instrument: de Zelfredzaamheid-Matrix (zrm). Een vragenlijst waarmee zo objectief mogelijk bepaald kan worden in welke mate een dakloze zich zonder gemeentelijke hulp staande weet te houden. De matrix werd in 2010 gezamenlijk ontwikkeld door de gemeenten Amsterdam en Rotterdam. Een doorbraak: ineens was zelfredzaamheid meetbaar. Al gauw werd de tool overgenomen door andere centrumgemeenten. ‘De Zelfredzaamheid-Matrix is op veel plaatsen in Nederland gemeengoed geworden’, schrijft de directeur van ggd Amsterdam in de bijbehorende handleiding.

In de spreekkamer aan de Jan van Galenstraat stelt Price niet alleen vragen. Hij gebruikt zijn ogen, soms zelfs zijn neus. Want ook uiterlijke verzorging is een onderdeel van de zelfredzaamheidsmatrix. ‘Loopt iemand hartje zomer in drie truien rond, dan valt dat op. En ja, soms ruikt iemand heel sterk. Dat is ook een teken dat het niet goed gaat.’ Door middel van een puntensysteem – een 1 staat voor heel slecht, een 5 voor goed – wordt in kaart gebracht hoe het de dakloze op dertien leefdomeinen vergaat. De belangrijkste drie zijn ‘Geestelijke gezondheid’, ‘Middelengebruik’ en ‘Sociaal netwerk’.

‘De verschraling van de zorg vergroot de uitvalsrisico’s waardoor uiteindelijk meer mensen onnodig afglijden naar dakloosheid’

Als Price het verhaal van de dakloze heeft gehoord en de matrix heeft ingevuld, wordt de optelsom gemaakt en klinkt de conclusie. Ja, er zijn daklozen die boos worden wanneer Price vertelt dat ze zelfredzaam zijn. ‘Ze komen hier binnen met het idee dat wij ze onderdak gaan bieden. Dat is soms wrang.’ Terwijl het ‘een compliment’ is als iemand het zelfredzaamheidslabel opgeplakt krijgt, vindt Price. ‘Eigenlijk zeggen we tegen zo iemand: jij kunt het zelf, ik heb vertrouwen in jou als mens. Je bent iemand aan het empoweren.’

Met de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (wmo) werden de gemeenten in 2015 verantwoordelijk voor het bevorderen van de zelfredzaamheid van de burger. Van hulpbehoevenden wordt sindsdien verwacht dat zij meer zelf doen: in plaats van automatisch naar de overheid te kijken, moeten burgers eerst proberen om hun problemen zo veel mogelijk binnen het eigen netwerk op te lossen. Professionele hulp is er alleen voor de écht schrijnende gevallen. En omdat de zorg efficiënter en goedkoper zou worden georganiseerd, werden er sinds 2012 miljarden bezuinigd op de geestelijke gezondheidszorg en de jeugdzorg.

Voor de daklozensector leek er op het eerste gezicht weinig te veranderen. De opvang was al langer de taak van centrumgemeenten en de budgetten bleven grotendeels intact. Maar via een omweg kwamen de bezuinigingen alsnog op het bord van de daklozenopvang terecht, zegt Kees van Anken, voorzitter van Stichting Zwerfjongeren en al decennialang werkzaam in de daklozenzorg. ‘Grootschalige ggz-instellingen werden gedwongen om hun deuren te sluiten omdat de zorg zo veel mogelijk aan huis geboden moet worden. Maar veel psychiatrische patiënten konden dat helemaal niet aan. Die belandden bij de maatschappelijke opvang, alsof het een soort dumpplaats is.’

En het is ook geen toeval dat het aandeel jongeren in de daklozencijfers van het cbs vorig jaar sterk toenam, denkt Van Anken. Door de budgetbezuinigingen van vijftien procent die gepaard gingen met de decentralisatie van de jeugdzorg houdt de begeleiding van jongeren vanaf hun achttiende nu vrij abrupt op: geld voor gedegen nazorg is er niet. ‘De verschraling van de zorg vergroot de uitvalsrisico’s waardoor uiteindelijk meer mensen op straat komen te staan’, zegt hij. ‘Veel mensen glijden onnodig af naar dakloosheid.’

Tel daarbij de groeiende groep ‘economische’ daklozen op en het is niet vreemd dat de druk op de maatschappelijke opvang sinds 2009 fors is toegenomen. Om ervoor te zorgen dat in ieder geval de meest beklagenswaardigen hulp krijgen, grepen beleidsmakers, zeker in de vier grote gemeenten, naar het adagium van zelfredzaamheid. Zo kon er strenger geselecteerd worden aan de poort.

Zelfredzaamheid. Hendrik Dumont (40) kan een diepe zucht niet onderdrukken als het woord valt: ‘Op de Jan van Galenstraat werd ik er constant mee om de oren geslagen.’ Wel ‘twintig keer’ heeft hij zijn verhaal gedaan bij het Amsterdamse loket. Dan vertelde hij dat hij in 2012, na een stukgelopen relatie, naar het buitenland was vertrokken om een tijdje als klusjesman te werken, dat hij begin 2015 terugkwam om zijn doodzieke ouders te verzorgen en dat hij eind november, nadat zijn moeder was overleden en haar huurhuis was opgezegd, op straat kwam te staan. Hij had geen inkomen, geen huis, geen familie of vrienden. Niets.

Maar bij de ggd vonden ze zijn situatie niet schrijnend genoeg, vertelt Dumont, een tengere man met een grijzende sik en diepliggende ogen. ‘Daar zeiden ze gewoon: “Je bent een gezonde kerel, je bent niet dom, je bent zelfredzaam.”’ Bij de opvanghuizen van het Leger des Heils werd de deur voor zijn neus dichtgegooid. ‘Zonder ggz-indicatie kom je daar niet binnen’, zegt hij. Om een daklozenuitkering aan te vragen moest hij per sms doorgeven waar hij ’s nachts sliep. Een bank in het Vondelpark was zijn vaste slaapplek in de zomer van 2016 – tenzij het regende, dan verhuisde hij naar het fietstunneltje onder het Rijksmuseum.

Inmiddels heeft hij zijn zaakjes weer redelijk op orde: op eigen kracht vond hij een baantje als schoonmaker en een zolderkamer in een fijne Amsterdamse wijk, maar de periode op straat heeft hem verbitterd, zegt Dumont: ‘De opvang is volledig ingesteld op verslaafden en gestoorden. Ik ken mensen die een verslaving veinzen zodat ze tenminste hulp krijgen. Ik heb het zelf ook overwogen, maar ik wilde mijn laatste greintje zelfrespect bewaren.’

Negen van de 22 opvanginstellingen die deze vraag beantwoordden, waaronder organisaties uit Amsterdam en Rotterdam, vinden dat hun gemeente daklozen te snel als zelfredzaam bestempelt, blijkt uit onze enquête. Slechts twee zijn het daarmee oneens. Nog geen vijf procent gelooft dat daklozen zonder psychiatrische of verslavingsproblemen goed in staat zijn zichzelf te redden en minder dan tien procent meent dat het hulpaanbod voor deze groep in hun regio toereikend is, tegenover de 54 procent die stelt dat de hulp tekortschiet.

Voor Rina Beers van Federatie Opvang is het een no brainer: ‘Een dak boven je hoofd is een basisbehoefte, als je dat niet hebt ben je niet zelfredzaam.’ Natuurlijk kunnen mensen met een breed sociaal netwerk het best een tijdje uitzingen, maar degenen die zich melden bij de opvanginstellingen of gemeenten zijn vaak al ten einde raad. ‘Niemand meldt zich voor zijn lol bij de opvang’, zegt Beers.

Ook de ggd-rapportage over de winteropvang in Amsterdam laat zien dat ‘zelfredzamen’ lang niet altijd onderkomen vinden bij familie en vrienden. De winteropvang is de meest sobere vorm van opvang: bed, bad, brood, meer is het niet. Toch was meer dan de helft van de daklozen die daar afgelopen winter sliep volgens Amsterdamse maatstaven ‘voldoende zelfredzaam’. Vanaf 1 april, als de winteropvang haar deuren sluit, is deze groep weer op zichzelf aangewezen. Rina Beers vindt het onbestaanbaar: ‘Volgens de Raad van Europa mág een ggz-indicatie helemaal geen toelatingscriterium zijn. Hoe kun je deze daklozen dan wegsturen zonder ze ook maar iets aan te bieden?’ Op zich kan de zelfredzaamheidsmatrix best een nuttig instrument zijn, gelooft Beers. ‘Maar het wordt nu gebruikt om mensen letterlijk buiten de deur te houden. Dat is niet goed.’

‘Ik ken mensen die een verslaving veinzen zodat ze hulp krijgen. Ik heb het ook overwogen, maar wilde mijn zelfrespect bewaren’

Van oudsher is de daklozenopvang ingesteld op het helpen van de allerzwaksten in de samenleving, een doelgroep met complexe hulpvragen. De gezonde, ‘economische’ dakloze was eerder de uitzondering die de regel bevestigde. Maar de laatste jaren zagen hulpverleners de samenstelling van de daklozenpopulatie veranderen. De ondernemer die failliet is gegaan, de gescheiden vader, de door schulden geplaagde bouwvakker, steeds vaker staan ze op de stoep van instellingen, die niet goed weten wat ze aanmoeten met deze ‘nieuwe daklozen’. Hun handen hebben ze immers al vol aan de zorg voor de ‘klassieke’ zwervers.

‘Je ziet wel dat de sector zich aan het heroriënteren is’, zegt Cornel Vader, voorzitter van de raad van bestuur van het Leger des Heils. Zijn organisatie werkt inmiddels nauw samen met woningcorporaties en ijvert volop voor kleinschalige, zelfstandige wooneenheden, met lichtere vormen van begeleiding. Het liefst sturen ze natuurlijk niemand weg, zegt Vader, maar er zijn nu eenmaal niet genoeg opvangplekken voor iedereen. ‘Dat is de harde realiteit.’ En de plekken die er zijn, worden als eerste toebedeeld aan de meest kwetsbare groep. Dat is ook logisch: de maatschappelijke opvang biedt niet zomaar een dak boven je hoofd, het gaat gepaard met een intensief traject waarin ‘patiënten’ op maat gesneden begeleiding krijgen.

Het is ook niet zo dat ‘zelfredzame’ daklozen volledig aan hun lot worden overgelaten, benadrukt de gemeente Amsterdam. Aan de Jan van Galenstraat kunnen ze een briefadres en een daklozenuitkering aanvragen en krijgen ze een ‘sociale kaart’ mee met adressen en telefoonnummers van schuldhulpverlening of huisartsen. En er zijn passantenpensions, waar ze voor een klein bedrag tijdelijk onderdak kunnen krijgen – vanwege de wachtlijsten is de capaciteit dit voorjaar uitgebreid naar 272 plekken.

Bovendien is Amsterdam niet representatief voor heel Nederland, zegt de Leger des Heils-voorzitter. ‘Op landelijk niveau hanteren we zelfredzaamheid niet als criterium.’ De 42 andere centrumgemeenten hebben de vrijheid om de daklozenopvang naar eigen inzicht in te richten. In de Investico-enquête geeft twee derde van de gemeenten aan dat daklozen zonder psychische of verslavingsproblemen ‘altijd’ of ‘meestal’ in de crisisopvang terecht kunnen, bij 62 procent geldt hetzelfde voor de nachtopvang. Maar slechts in één derde van de gemeenten kan deze doelgroep ‘vaak’ of ‘meestal’ terecht in specifiek voor hen bedoelde opvang.

Terwijl ‘zelfredzamen’ er niet bij gebaat zijn om te midden van psychotische en verslaafde zwervers te worden opgevangen. ‘Maatschappelijke opvang is voor hen absoluut niet passend’, laat ook de gemeente Amsterdam weten in een schriftelijke reactie. Het illustreert de tragiek van deze groep: te zelfredzaam voor de daklozenopvang, te kwetsbaar om het daadwerkelijk zelf te kunnen redden.

Medium angb2017121267
Na periodes op de camping en in een garagebox heeft Marco Bruigom nu een eigen kamertje bij de Kessler Stichting in Den Haag

De tijd dat Marco Bruigom (60) in de nachtopvang sliep was een ‘absoluut dieptepunt’ in zijn leven. ‘Het is er net een gevangenis.’ Vechtpartijen en berovingen zijn er schering en inslag, zo beamen ook andere ervaringsdeskundigen, en door alle hectiek lukt slapen alleen als je bedwelmd bent door een stevige roes. Dan overnachtte hij nog liever in zijn koepeltentje op de camping of in een garagebox.

Zijn sociale netwerk had hij al uitgeput, vertelt hij. Een tijdje werkte hij tegen kost en inwoning als mantelzorger bij een dementerende man en tijdens vakanties paste hij soms op de katten van vrienden. Maar op een gegeven moment houdt het op, weet hij. Bij de gemeenten Leiden en Den Haag werd hij weggestuurd omdat hij geen ‘regiobinding’ had. Als hij in aanmerking wilde komen voor opvang moest hij aantonen dat hij twee van de afgelopen drie jaar in deze gemeente had gewoond. Maar omdat hij al jaren door het land doolde, voldeed Bruigom in geen enkele regio aan die voorwaarde.

‘Regiobinding’ kan een onneembaar administratief en bureaucratisch obstakel zijn voor daklozen, leerden we tijdens ons onderzoek. Van de 26 centrumgemeenten die deze vraag beantwoordden gaven er zestien aan regiobinding te hanteren. Het idee daarachter is begrijpelijk: het is in het belang van de dakloze dat hij wordt geholpen in de gemeente waar hij de meeste kans heeft om weer op eigen benen te kunnen staan. Bij daklozen zonder regiobinding wordt volgens de ggd van Amsterdam gezorgd voor een ‘warme overdracht’, om zeker te weten dat iemand elders wél geholpen wordt.

Maar dat is niet overal gangbare praktijk, blijkt uit onze gesprekken met daklozen en experts. Regiobinding wordt niet zelden gebruikt als een handig bureaucratisch foefje om hulpbehoevenden te weren; ook al is dat in strijd met de wettelijke afspraak dat de zorg landelijk toegankelijk moet zijn. ‘Ambtenaren gedragen zich als de poortwachters van middeleeuwse steden, die landlopers bij de stadsmuur wegstuurden omdat ze toch alleen maar geld kostten’, zegt Rina Beers. ‘De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft vorig jaar voor het eerst gezegd dat gemeenten worden gecompenseerd voor de opvang van daklozen. Toch houden vele nog koppig vast aan regiobinding.’

Waar de decentralisaties, waarbij de zorgtaken werden overgeheveld naar de gemeenten, bedoeld waren om de regeldruk te verminderen, lijken ze eerder een tegenovergesteld effect te hebben. ‘De gedachte achter de decentralisaties is goed, maar in de praktijk werden er allemaal nieuwe grenzen getrokken en gedragen gemeenten zich soms als kleine koninkrijkjes’, zegt Eelke Blokker, ‘activistisch’ onderzoeker bij het Instituut voor Publieke Waarden (ipw). Zo is ook de schuldhulpverlening aan de gemeente gebonden, waardoor daklozen die elders een huis kunnen krijgen het hele driejarige traject opnieuw moeten beginnen.

‘Jammer dat je geen psychische problemen hebt’, oordeelde het Leger des Heils. ‘Anders had je hier terecht gekund’

Dit soort regelgeving ‘ontmoedigt zelfredzaamheid’, concludeerde het Trimbos-instituut twee jaar geleden al. Een ander voorbeeld daarvan is de kostendelersnorm, die het moeilijker maakt voor daklozen om zich in te schrijven op het adres van familie of vrienden, omdat die daardoor op hun uitkering of toeslagen gekort kunnen worden. Of de bochten waarin daklozen zich moeten wringen om een postadres aan te vragen. ‘In sommige gemeenten moeten ze bijvoorbeeld maandelijks minimaal tien dagen in de nachtopvang slapen’, zegt Blokker. ‘Los van het feit dat dat geen pretje is, zit de nachtopvang soms gewoon vol! Hoe kunnen die mensen dan een postadres krijgen?’

Onze bureaucratie zit vol met dit soort Catch-22-situaties, stelt de onderzoeker. Ook de daklozen die wij spraken vertellen kafkaëske verhalen waarin ze steeds verder wegzakken in het bureaucratisch drijfzand. Een dakloze zonder postadres kan geen uitkering, schuldsanering of zorgverzekering aanvragen, en omdat dat laatste verplicht is stapelen de boetes al snel op. Het heeft niet eens zozeer met de wetgeving te maken, denkt Blokker. Die laat vaak voldoende ruimte voor coulance. Het zijn de starre uitvoerders die worden beknot door interne regeltjes.

Op 1 mei dit jaar landt bij Esther Burgers een brief op de deurmat. De burgemeester wil haar ‘drugspand’ sluiten, houten planken voor de ramen laten timmeren. Burgers en haar zoon worden geacht de woning per 15 mei te verlaten. Burgers – 33 jaar, blonde krullen – haalt de herinnering op zonder veel emotie, bijna alsof het over iemand anders gaat. ‘Het is eigenlijk nog steeds te bizar om te bevatten.’

Ruim twee maanden daarvoor was ze meegenomen door de politie voor verhoor. Van het in haar huis gevonden wapen, de zeventig gram wiet en de plastic zakjes om het spul in te verhandelen, wist ze niets. Haar vriend met wie ze samenwoonde werd veroordeeld voor drugshandel en kreeg negen maanden gevangenisstraf. Burgers werd na een nacht cel onschuldig bevonden en naar huis gestuurd. Zo goed en zo kwaad als het ging pakte ze samen met haar elfjarige zoontje haar leven in de eengezinswoning in Krimpen aan den IJssel weer op. Tot die vervloekte brief kwam.

De rechter gaf nog enig respijt: moeder en zoon kregen tot eind augustus om een nieuw onderkomen te vinden. Die zomer ging Burgers bijna wekelijks langs bij het sociaal team van Krimpen, stuurde tientallen brieven naar instanties en schreef zich in bij zeven woningbouworganisaties door heel het land. Tevergeefs. Vanwege de veroorzaakte ‘woonoverlast’ kan ze vijf jaar lang niet reageren op sociale huurwoningen in haar regio. Organisaties in andere gemeenten wijzen haar steevast af vanwege de bezoedelde verhuurdersverklaring die ze ontvangen. En zo betrokken de twee uit wanhoop de eetkamer van Esthers ouders.

Het zijn niet enkel ‘pechmannen’, maar steeds vaker ook ouders met kinderen die door economische sores hun huis verliezen. Het aantal Amsterdamse gezinnen in de noodopvang nam vorig jaar schrikbarend hard toe, schrijft de Amsterdamse Kinderombudsman in haar Jaarbeschouwing 2016, van 167 naar 217 gezinnen, met in totaal 374 dakloze kinderen. Ook in andere grote steden nam het aantal dakloze gezinnen toe, bleek uit een rondvraag door NRC Handelsblad deze zomer. In Rotterdam groeide de groep in één jaar tijd met dertig procent naar 129; in Utrecht nam het aantal met twintig procent toe en in de regio Den Haag verdubbelde het nagenoeg tot 260. In onze eigen enquête zegt 58 procent van de centrumgemeenten dat zij sinds drie jaar een groeiend aantal dakloze gezinnen moeten onderbrengen.

Zeker bij gezinnen lijkt de eerste hulpstap voor ‘zelfredzame’ daklozen voor de hand te liggen: geef ze een woning. Ook de twaalf daklozen die we voor dit artikel interviewden, stellen dat een eigen woonplek hun voornaamste problemen zou wegnemen en het oplossen van wat overblijft – schulden, de zoektocht naar een baan, het hervinden van zelfrespect – zou vergemakkelijken ‘Vanaf mijn zeventiende had ik een eigen huis’, vertelt een man uit Leiden die na een vechtscheiding zijn woning verloor. ‘Maar de gemeente kon me niet helpen. Ja, ik kon me inschrijven bij de woningbouwcoöperatie, maar daar is een wachtlijst van zeven jaar! Wat moet ik in de tussentijd?’

Omdat er een groot tekort is aan betaalbare woningen wordt de drempel om voor woonurgentie in aanmerking te komen steeds hoger, zegt Eelke Blokker van het ipw. ‘Dakloos worden door een echtscheiding of huisuitzetting is op zichzelf niet meer voldoende om voorrang te krijgen bij de sociale huur. Die mensen worden doodleuk doorverwezen naar de daklozenopvang.’

‘De overdreven nadruk op zelfredzaamheid verhult dat dit in de kern een schaarsteprobleem is’, zegt Stans Goudsmit, plaatsvervangend lid van het College voor de Rechten van de Mens. Dat wordt gestaafd door de jaarlijkse rapportage van het College: tussen 2009 en 2015 verdwenen er 262.400 sociale huurwoningen door verkoop, sloop en liberalisatie, terwijl de vraag naar zulke huisvesting allerminst afnam. Het is geen toeval dat het aantal daklozen in diezelfde periode met bijna driekwart toenam, denkt het College. ‘De financiële crisis, het gebrek aan betaalbare woningen, het gebrek aan schuldhulp, de effecten van de kostendelersnorm en de bezuinigingen op de geestelijke gezondheidszorg’ – het zijn allemaal redenen voor de stijging.

Wie, zoals Goudsmit, door een mensenrechtenbril kijkt, ziet waar het misgaat in de retoriek rond zelfredzaamheid. ‘De overheid heeft de verplichting om sociaal-economische grondrechten te garanderen, zoals een dak boven je hoofd. Ze moet zich inspannen om zelfredzaamheid van burgers te bevorderen.’ Een ‘zelfredzame’ dakloze is dan ook een contradictio in terminis, vindt ze. ‘Zelfredzaam betekent dat je kunt participeren in de samenleving, maar dat is bij deze groep vaak helemaal niet het geval. Het Europees Comité voor Sociale Rechten heeft ook duidelijk gezegd dat mensen die dakloos zijn een serieus risico lopen om te worden aangetast in hun integriteit. Hun gezondheid verslechtert snel en de afstand tot de arbeidsmarkt groeit.’

Lia van Doorn, onderzoeker sociale innovatie aan de Hogeschool Utrecht, promoveerde in 2006 met een studie naar wat dakloosheid met een mens doet. Het verlies van huisvesting is een traumatische gebeurtenis. Je zelfbeeld komt niet meer overeen met hoe anderen je zien. ‘De verliezen die recent daklozen moeten incasseren, hebben een desastreuze uitwerking op hun psychisch welbevinden’, stelt ze. Nieuwe daklozen raken daardoor ook makkelijker verslaafd of krijgen psychische problemen. ‘Zelfredzame’ daklozen geen onderdak bieden, leidt op de langere termijn alleen maar tot meer problemen en kosten.

‘Jammer dat je geen psychische problemen hebt’, oordeelde het Leger des Heils toen Burgers en haar zoon daar aanklopten. ‘Anders had je hier terecht gekund.’ Even twijfelde ze of ze gekte moest veinzen. ‘Maar zo zit ik niet in elkaar.’ Psychische problemen waren niet de reden van hun dakloosheid, maar zijn daar inmiddels wel een gevolg van. Burgers zelf raakt ‘emotioneel afgestompt’, maar ze maakt zich vooral zorgen om haar zoontje. ‘Sinds de huisvestingsproblematiek vertoont hij zeer oppositioneel gedrag tegenover leerkrachten en directie’, schrijft de directeur van zijn basisschool in een bezorgde brief aan de ggd Rotterdam. Na vier maanden slapen de twee nog steeds op matrasjes naast de eetkamertafel van Burgers’ ouders. ‘Sinds ik mijn huis verloor wordt er op mij neergekeken’, zegt Burgers. ‘Ik ben letterlijk een nobody.’

Het is de optelsom van onverkrijgbare postadressen, gestaakte uitkeringen en afgebroken schuldsaneringstrajecten die ervoor zorgt dat zelfs de meest zelfredzame dakloze het niet redt, vindt Burgers. In haar zoektocht naar een woning is ze naar eigen zeggen ‘strijdvaardig als een gek’. Ze benaderde zeker dertig organisaties, schreef brieven aan de Kinderombudsman, burgemeester Aboutaleb en Defence for Children. Veertig uur per week is ze eraan kwijt en de stapel papier die dat heeft opgeleverd, is ruim een decimeter dik. ‘Maar ook ik verlies mezelf langzaam in al die bureaucratie. Wie minder handig is met dit soort dingen raakt verstrikt in alle regeltjes en gaat er uiteindelijk aan onderdoor.’


De namen van Hendrik Dumont en Esther Burgers zijn op verzoek gefingeerd. Hun echte namen zijn bekend bij de redactie. Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door Fonds 1877.