De verovering van het internet

Zelfs Google is niet neutraal

In de Verenigde Staten woedt een debat over ‘netneutraliteit’: het principe dat alle internetgebruikers gelijke toegang hebben tot iedere website of applicatie. Het bedrijfsleven lijkt de strijd al te hebben gewonnen.

TOEN RADIO nog een medium voor amateurs was, zo ongeveer tussen 1910 en 1930, veranderde het Amerikaanse luchtruim in een ongekende kakofonie. Kerken, buurtverenigingen, mafkezen, techneuten, sportentrepreneurs en uiteraard muziekliefhebbers begonnen allen een eigen radiozender. Er waren dan ook nauwelijks economische barrières om een zender te beginnen: de ether was gratis en van iedereen, en vanaf honderd dollar kocht je een transmissieset die de klus kon klaren. In 1924 hadden Amerikaanse fabrikanten al meer dan twee miljoen transmissiesets verkocht. De nieuwbakken zenders hadden vaak een bereik van nog geen vijftien kilometer, maar dat was genoeg om een eigen publiek aan zich te binden.
De wildgroei van radiozenders leidde tot woeste visioenen. De uitvinder Nikola Tesla, samen met Thomas Edison een groot pleitbezorger van de commercialisering van elektriciteit, verwachtte bijvoorbeeld dat dankzij de radio ‘de hele wereld zal converteren tot één grote hersenmassa, die, als het ware, vanuit al haar krochten van zich kan laten horen.’ Het tijdschrift Scientific American stelde zich in een redactioneel commentaar voor hoe de radio een nieuwe vorm van sociale cohesie zou bevorderen en de Amerikaanse politiek voor altijd zou veranderen.
Zo is het niet gegaan, weten we nu. Dat was voor een belangrijk deel te danken, of te wijten, aan de ambities van de zakenman David Sarnoff, die als baas van de Radio Corporation of America (RCA) streefde naar monopolisering van de ether, zo beschrijft Tim Wu in The Master Switch, zijn onlangs verschenen geschiedenis van communicatietechnologie in de Verenigde Staten. Andere boosdoener was de Amerikaanse overheid, die in 1934 de Federal Communications Commission (FCC) oprichtte. 'Wat ooit een open medium was, veranderde in de jaren dertig in big business’, schrijft Wu. 'En wat ooit een ongereguleerde technologie was, kwam nu onder gezag en controle van een federale overheidsinstantie te staan.’
Uitvoerig beschrijft Wu, hoogleraar rechten aan University of Columbia, hoe later ook de televisie- en filmwereld - met hulp van de Amerikaanse federale overheid - gemonopoliseerd werd door enkele grote spelers. In Hollywood onderwierpen grote studio’s als Columbia, Metro-Goldwyn-Mayer en Paramount zich in die periode zelfs aan zelfcensuur, in de vorm van de zogeheten Production Code. Deze code leidde ertoe dat Amerikanen tot diep in de jaren zestig voornamelijk films te zien kregen waarin bijvoorbeeld best corrupte agenten of rechters konden voorkomen, maar het ondenkbaar was dat het hele rechtssysteem niet deugde. Wu concludeert: 'Niet zozeer de technische eigenschappen van een communicatiesysteem bepalen in hoeverre de vrijheid van meningsuiting binnen een medium kan worden beperkt, maar de industriële structuur.’
Hier heeft Wu het al lang niet meer alleen over de geschiedenis van radio, tv en film, maar over de toekomst van het internet als een sociaal, cultureel en politiek medium - zowel in de Verenigde Staten als daarbuiten.
Wu is de bedenker van de term 'netneutraliteit’: het principe dat alle internetgebruikers gelijke toegang hebben tot welke website of applicatie dan ook, zonder dat internetserviceproviders (ISP’s) daar enige beperkingen of voorwaarden aan kunnen stellen. Dus wie een vliegticket wil boeken, moet dat kunnen doen op de website van zijn keuze, niet alleen op websites waarmee zijn ISP een overeenkomst heeft. Hetzelfde principe geldt wanneer iemand een online-dienst als Skype wil gebruiken voor haar telefonie: de ISP mag niets doen om dit te voorkomen.
Wu’s grote zorg is dat grote bedrijven als AT&T en Verizon (telefonie), Comcast (kabel), Apple en wellicht Google op het punt staan het internet te veranderen in een oligarchie, door stapje voor stapje gelijke en vrije toegang terug te draaien - zeg maar zoals RCA dat met de radio deed en Bell System (voorloper van AT&T) met telefonie.
Er zijn genoeg tekenen die bevestigen dat Wu’s zorgen niet hypothetisch zijn. Zo weigerde telefoonbedrijf Verizon in 2007 om in opdracht van pro-abortusgroep Naral Pro-Choice America sms-berichten te versturen. Pas na hevige kritiek krabbelde Verizon terug. En onlangs keurde Apple de i-Phone-applicatie 'Google Voice’ af, een online-dienst waarmee internetters tegen lage kosten met hun iPhone kunnen bellen zonder een abonnement te hebben op AT&T - het telefoonbedrijf waarmee Apple een exclusieve overeenkomst heeft voor de iPhone. De FCC onderzoekt deze laatste zaak nog.
Wat Wu betreft, en met hem de non-profitorganisaties die zich hiervoor inzetten, blijft netneutraliteit de norm op het internet. Dat vloeit immers voort uit de manier waarop het medium oorspronkelijk was ontworpen. De prioriteit van de wetenschappers en militairen die het concept van het internet in de jaren zestig ontwierpen, schrijft Wu, was immers 'de mens te verheffen, niet het systeem. Daarom streefde men naar de creatie van een gedecentraliseerd netwerk.’ Praktische omstandigheden hielpen een handje: de wetenschappers waren gedwongen om voor hun netwerk gebruik te maken van andere netwerken waarover ze niets te zeggen hadden, zoals commerciële telefoonlijnen en overheidssystemen.
Voor veel mensen is die gedecentraliseerde structuur van het internet nog altijd contra-intuïtief, stelt Wu. 'Dit komt door het verwachtingspatroon dat men ontwikkeld heeft op basis van ervaringen met andere media, die alle gebaseerd zijn op controle over de klant.’ Het internet wordt echter gecontroleerd door onszelf, de gebruikers - niet door bedrijven of overheden.
Het debat over netneutraliteit is er overigens niet een tussen enerzijds 'wij, de mensen’ en anderzijds het grote boze bedrijfsleven, ook al doet de politieke stellingname in de VS dat vermoeden: de Democraten omarmen netneutraliteit, terwijl de Republikeinen er een einde aan willen maken. Ook het bedrijfsleven zelf is verdeeld, hetgeen alles te maken heeft met de respectievelijke bedrijfsstrategieën. Aan de ene kant staan onder meer Google, Amazon, eBay en Facebook, bedrijven die erbij gebaat zijn als handelen, publiceren en vrije meningsuiting in een zo open mogelijk systeem plaatsvinden. Zij zijn voor netneutraliteit.
Daar tegenover staan onder meer Apple, AT&T, Verizon, Comcast en Walt Disney, conglomeraten die in het parlement en de FCC lobbyen voor een regime dat gebaseerd is op het eigendom van de netwerken en applicaties via welke die informatie zich verplaatst. Dit zijn enerzijds bedrijven die flink hebben geïnvesteerd in netwerken of applicaties - bijvoorbeeld Comcast in zijn kabelnetwerk, of Apple in iTunes en de iPhone. Maar we hebben het ook over bedrijven die bereid zijn flink te betalen om meer toegang tot die netwerken te krijgen, denk aan ontwikkelaars van videogames als Nintendo en Sony, of Walt Disney met zijn eigen filmkanaal. 'Als die zijde haar zin krijgt’, voorspelt Wu, 'dan zal de informatieverschaffing er in de 21ste eeuw niet veel anders uitzien dan in de twintigste eeuw, behalve dat de schermen waaraan consumenten gekluisterd zijn makkelijker draagbaar zijn.’
Sinds december vorig jaar zijn voorstanders van netneutraliteit in rep en roer omdat de FCC nieuwe regels heeft uitgevaardigd die het open karakter van het internet zouden kunnen inperken. Zo blijft het blokkeren van websites of applicaties op vaste internetverbindingen weliswaar verboden, maar krijgen aanbieders van draadloos internet meer vrijheden. Tevens behelzen de nieuwe FCC-regels geen expliciet verbod van paid prioritization (snellere datatransmissie voor bedrijven die extra betalen), hoewel ze vooraf aannemen dat dergelijke overeenkomsten illegaal zijn.
De nieuwe regels gaan volgens Hal Singer, hoogleraar aan Georgetown University’s McDonough School of Business, lang niet ver genoeg. Hij ziet liever dat netneutraliteitsregulering geheel overboord gaat, opdat 'het internet weer gaat lijken op de echte wereld’. Een van Singers argumenten is dat netneutraliteit slecht is voor de werkgelegenheid. 'Stel ik ben Sony’, zegt Singer in een telefonisch interview, 'en ik wil voor de Amerikaanse markt online-videogames ontwerpen waarvoor extra datatransmissie nodig is. Onder deze regels kan ik daarvoor geen contract sluiten met een ISP. Dan zou ik mooi mijn middelen op een andere manier besteden. Zo verliest Amerika banen.’
Bovendien doen de netneutraliteitregels inbreuk op het beginsel van contractvrijheid, stelt Singer, die naar hetzelfde voorbeeld teruggrijpt: 'Zo blokkeer je een contract tussen Sony en een ISP, twee partijen die uit vrije wil een transactie wilden aangaan waarvan beide zouden profiteren. Als econoom noem ik dat giftig.’
Het argument dat het contract tussen Sony en de ISP het voor de 'whizzkid in de garage’ zo goed als onmogelijk maakt om nog met Sony te concurreren, wuift Singer weg. 'Stel, de ISP biedt die jongen in de garage, bijvoorbeeld een ontwerper van videogames, bandbreedte tegen dezelfde prijs als Sony en die videogamer kan dat bedrag niet betalen. Dan is dat gewoon pech. Er zijn nu eenmaal dingen in het leven die we ons niet kunnen veroorloven.’
Dat gegeven maakt de stellingname van Google in dit debat extra interessant, vindt Singer. 'Als er een bedrijf is dat de middelen en de kennis heeft om met nieuwe applicaties te komen die extra bandbreedte gebruiken, is dat Google. Toch is Google een voorstander van netneutraliteit.’ Dat is niet omdat er louter heiligen bij het bedrijf werken, zegt Singer. 'Google wil niet dat Sony zware games en applicaties voor het internet ontwerpt, want het wil niet dat mensen hun tijd online anders gaan besteden dan ze nu doen. Beginnen we niet allemaal onze dag met een Google-zoekopdracht?’

ZO BLIJKT het debat over netneutraliteit in zekere zin te gaan over de vraag wat nu eigenlijk een vrije markt is. Volgens Singer, en met hem de meeste conservatieven, verstoort netneutraliteit de vrije markt door van bovenaf iedereen gelijke toegang te garanderen. Ook de activist Craig Aaron, sinds kort president van de non-profitorganisatie Free Press, wil een vrije markt creëren. Maar dan door netneutraliteit geheel in ere te herstellen.
'Dankzij netneutraliteit kon het internet zo'n geweldige plek voor democratische participatie en economische innovatie worden’, stelt Aaron in een telefonisch interview. 'Iedereen met een goed idee of product kon met de grote jongens concurreren - op merites. Kijk naar Google, dat is begonnen door een paar studenten in een garage. Zonder netneutraliteit ben je als kleine ondernemer overgeleverd aan een AT&T, Comcast of Verizon, want zij bepalen wie de bandbreedte mag gebruiken. Zo was het internet nooit bedoeld, maar voor een groot kabelbedrijf is dat natuurlijk een interessant model.’
Aaron koestert een diep wantrouwen jegens de grote Amerikaanse kabel- en telefoniebedrijven: 'Als je naar de beurzen gaat voor de branche en ziet wat voor soorten technologie daar worden gepromoot, dan weet je waar het in de sector echt om gaat: informatie over internetgebruikers te gelde maken, op manieren die de meeste internetgebruikers zich nauwelijks kunnen voorstellen.’
Draadloos internet wordt de grootste melkkoe. 'Een extra dubbeltje voor Facebook op je smartphone, een extra kwartje voor meer datagebruik met Skype. En voor bedrijven bouwen ze tegen extra betaling een snelweg, opdat hun websites en applicaties sneller laden dan die van gewone internetters. Al deze dingen vernietigen het vrije en open karakter van het internet.’
Aarons organisatie, Free Press, hoopt dan ook zo snel mogelijk de FCC te bewegen netneutraliteit in ere te herstellen. Op lange termijn hoopt hij ook het grote publiek voor zijn zaak te winnen. De voortekenen zijn goed, zegt hij: 'We begonnen in 2006 voor behoud van netneutraliteit te strijden. Als je me toen gezegd had dat in 2011 meer dan twee miljoen mensen het Congres over netneutraliteit zouden aanschrijven, had ik je voor gek verklaard. Nu schat ik dat zo'n vijftien procent van de Amerikanen weet wat er op het spel staat.’
In de onafhankelijke boekwinkel McNally Jackson op Prince Street in New York debatteerden onlangs de auteurs Douglas Rushkoff en Micah Sifry over transparantie op het internet. Toen de twee denkers belandden bij het onderwerp netneutraliteit, waren ze echter vrij snel uitgesproken. 'Die strijd is voorbij: zij hebben gewonnen, wij hebben verloren’, zei Sifry. 'Het net is geen publiek domein, het is eigendom van bedrijven. Ik heb respect voor de mensen die voor netneutraliteit strijden, maar hoe zit het met zoekneutraliteit? Google is niet neutraal. Het geeft de ene internetter een ander zoekresultaat en een andere advertentie dan een ander. Netneutraliteit klinkt aardig, maar bedrijven kunnen je er al zomaar vanaf gooien. Dat staat namelijk in die algemene voorwaarden waarin we met een muisklik hebben ingestemd. Daar verandert netneutraliteit niets aan.’
'Het net draait vooral om zaken’, voegde Rushkoff toe. 'Dat moeten mensen zich op z'n minst realiseren. Facebook is niet ontworpen zodat je er vrienden kunt maken. Facebook is ontworpen om informatie aan je te onttrekken.’
Enkele dagen later plaatste Rushkoff een oproep om 'een nieuw internet te bouwen’. 'Op het moment dat het debat over netneutraliteit begon, was het al verloren’, schreef hij op zijn website. 'Alleen al het feit dat wetgevers en lobbyisten nu de toekomst van het net controleren, zou genoeg reden voor ons moeten zijn om ons af te wenden.’ 'Natuurlijk was het net nooit echt vrij, bottom-up, gedecentraliseerd of chaotisch’, vervolgde Rushkoff. 'Van de domeinnaamservers tot aan de IP-adressen: het internet is afhankelijk van hoogst gecentraliseerde mechanismen om onze pakketjes van de ene plek naar de andere te sturen.’
'De fiberglaskabels die door de straten van New York en San Francisco lopen zijn geen openbaar bezit, maar eigendom van beursgenoteerde mediabedrijven. En zij veranderen het internet niet in een koopgoot - het is al een koopgoot. Onder in je revolutionaire YouTube-video loopt een Google-advertentie.’
(…) 'Ik stel voor dat we het internet verlaten, of op z'n minst accepteren dat het is overgegeven aan de controle van het bedrijfsleven, zoals eigenlijk alles in de westerse samenleving. Het zat eraan te komen, en zijn gebrekkige, gecentraliseerde architectuur maakte het rijp om veroverd te worden.’


Alle gebruikers gelijke toegang?
Lang was netneutraliteit – het principe dat alle internetgebruikers gelijke toegang hebben tot elke website of applicatie – in de Verenigde Staten het leidende maar ongeschreven beginsel op het internet. In 2005 legde toezichthouder FCC het beginsel vast. De belangrijkste ontwikkelingen sindsdien:

September 2008 De FCC stelt dat kabelbedrijf Comcast op illegale wijze verhindert dat internetgebruikers file-sharing software gebruiken, en eist dat de het bedrijf daarmee ophoudt. Comcast stapt naar de rechter.

April 2010 De federale rechter in Washington DC oordeelt dat de FCC niet bevoegd is om van kabelexploitanten te eisen dat ze elk internetverkeer over hun netwerken gelijk behandelen.

Augustus 2010 Google en Verizon roepen de FCC op om netneutraliteit alleen te laten gelden voor vaste internetverbindingen (kabel en telefoonlijn), maar niet voor draadloze internetverbindingen (gsm, wifi). Tevens bepleiten ze een fast lane voor bedrijven die extra willen betalen opdat hun websites en applicaties sneller laden.

December 2010 In nieuwe regels maakt de FCC onderscheid tussen vaste en draadloze internetverbindingen. Voor ‘vast’ blijft het blokkeren van websites of applicaties verboden, maar aanbieders van ‘draadloos’ krijgen meer vrijheid. De nieuwe regels behelzen geen expliciet verbod van paid prioritization (snellere datatransmissie voor bedrijven die extra betalen), hoewel ze vooraf aannemen dat dergelijke overeenkomsten illegaal zijn.

Januari 2011 De telefoniebedrijven Verizon en MetroPCS klagen de FCC aan omdat de toezichthouder met de nieuwe regels zijn bevoegdheden zou hebben overtreden.

April 2011 Het door Republikeinen gecontroleerde Huis van Afgevaardigden neemt een wet aan die de netneutraliteitsregels van de FCC blokkeert. President Obama kondigt zijn veto aan voor het geval de wet ook door de Senaat komt.