Briefwisseling over fatsoen in de journalistiek

Zelfs het televisietoestel schaamt zich

Goede journalistiek hoeft geen hanengevecht te zijn, betoogt Meindert Fennema in de discussie over ‘onbehoorlijke televisie’. Maar van Sjoerdje van Heerden mogen politici best een beetje zweten.

Beste Sjoerdje,

In de Volkskrant van 12 november stond ter gelegenheid van de intocht van Sinterklaas een interview met Dieuwertje Blok, presentatrice van het Sinterklaasjournaal. Tussen 1990 en 2001 presenteerde zij kro’s Ontbijt TV, meer dan tien jaar! Een matineus nieuwsprogramma was toen een uit Amerika overgewaaide nieuwigheid. Vóór 1990 had je alleen ochtendgymnastiek op de Nederlandse televisie. In dat interview zegt zij: ‘Ik ben geen journalist. In journalistiek zit iets wantrouwigs. Ik heb uiteindelijk toch het beste met de mensen voor, wil ze niet onderuithalen. Maar ik kan wel een interessant gesprek voeren.’

Die opmerking maakte een herinnering in mij wakker. In diezelfde tijd werd ik nog wel eens gevraagd voor een radioprogramma, waardoor ik vaak in Studio Weijenberg kwam. Paul Weijenberg had toen theater Desmet nog niet gekocht en zijn studio bevond zich in de kelder van zijn eigen huis op de Sarphatistraat in Amsterdam. Op een zekere avond moesten Felix Rottenberg en ik allebei iets voor de radio doen en dronken wij na afloop met Paul en zijn vrouw Annemarie een biertje. Het gesprek ging over de kwaliteit van de televisiejournalistiek. Rottenberg was slecht te spreken over een programma waar ik de naam nu van vergeten ben en zei op een gegeven moment dat dat toch wel gevaarlijk dicht kwam bij het niveau van kro’s Ontbijt TV. De aanwezigen knikten instemmend. Ja, lager dan kro’s Ontbijt TV kon je eigenlijk niet zinken…

Ik was verbijsterd, want dat programma van Dieuwertje Blok was nu juist mijn favoriete nieuwsprogramma, precies om de reden die Blok zelf in het Volkskrant-interview aangaf: zij leek vooral geïnteresseerd in wat haar gasten te vertellen hadden en was er nooit op uit ze onderuit te halen. Maar dat was in de ogen van Rottenberg juist haar zwakte. In een goede tv-show moest je je gasten hard aanpakken en door de mand laten vallen. Ik antwoordde daarop enigszins malicieus – ik geef het nu toe, hoewel ik het toen niet zo voelde – dat ik die kritische journalistiek van hem juist weinig informatief vond omdat hij als presentator zijn gasten alleen maar gebruikte om zelf te scoren. Dat had misschien wel een zekere amusementswaarde, maar leverde nooit iets nieuws op, omdat je als kijker na drie keer wel op de hoogte was van de meningen van Felix Rottenberg. Dat was, zei ik, de reden waarom ik naar zijn programma niet meer keek, maar nog wel naar dat van Dieuwertje Blok.

Het werd doodstil in Studio Weijenberg. Want Rottenberg hield misschien wel van kritische gesprekken, maar niet als hij zelf het onderwerp was. De andere aanwezigen bracht ik met mijn onverhoedse analyse in ernstige verlegenheid. Dat gold vooral voor de gastheer, voor wie Felix Rottenberg een belangrijke klant was. Je begrijpt nu ook waarom mijn vrouw Caroline, toen ze nog bij Buitenlandse Zaken werkte, alleen maar hartelijk moest lachen toen ik haar voorstelde ambassadeur te worden, zodat ik verder het leven door kon gaan als ‘de man van de ambassadeur’. ‘Jij?’ riep zij vrolijk, ‘jij bent een veiligheidsrisico…’

Wat zo interessant is aan de uitspraak van Dieuwertje Blok is dat zij zelf de opvatting van Felix Rottenberg en al die andere ‘kritische journalisten’ niet weerspreekt. Zij noemt zich ‘inhoudelijk presentator’ en geen journalist, juist omdat zij ‘uiteindelijk toch het beste met mensen voor heeft’. Is dat niet een vernietigend oordeel over de journalistiek?

Het grappige is overigens dat je dezelfde kritiek die Rottenberg destijds op Blok had nu ook hoort over Matthijs van Nieuwkerk. Die zou niet goed zijn omdat hij zelf nooit een mening heeft. Maar moet dat dan? denk ik. Ik ben toch geïnteresseerd in zijn gasten? En die gasten moeten zich toch op hun gemak voelen? Dat journalistieke idee dat je mensen moet dwingen dingen te zeggen die ze niet willen zeggen, of dat je ze door de mand moet laten vallen, dat vind ik een heel beperkte, om niet te zeggen enge opvatting van journalistiek. Goede journalistiek hoeft geen hanengevecht te zijn?

Sjoerdje, wat vind jij van de huidige stand van de journalistiek op tv?

Meindert



Beste Meindert,

Het valt me op dat je de Nederlandse televisiejournalistiek zeer nauw definieert: van de één-op-één interviewtechnieken van Dieuwertje Blok tot aan die van Felix Rottenberg. Hiermee doe je het vak toch te kort? Wat te denken van allerhande reportages, het journaal, documentaires of live commentaar bij sportwedstrijden? Niettemin, jij vindt dat een interviewer geen eigen mening hoeft te hebben, want het draait tenslotte om de gasten. Daar ben ik het niet helemaal mee eens. Om te beginnen denk ik dat het in eerste instantie om de kijkers draait. Om kijkers te behagen wordt er gezocht naar een winnende dynamiek tussen de interviewer en de gast. Wat daar de precieze formule voor is, verschilt van programma tot programma. Ik stel me voor dat het bij ontbijttelevisie inderdaad de bedoeling is dat de interviewer de gast vriendelijk en geïnteresseerd tegemoet treedt. Het is immers nog vroeg in de ochtend en de meeste kijkers volgen het gesprek terwijl ze zich in hun broek hijsen of al tandenpoetsend voor de televisie staan. Op dat moment zit men niet te wachten op een vechtinterview waarbij Prins Carnaval eens flink wordt doorgezaagd over de legitimiteit van zijn benoeming. Min of meer hetzelfde geldt voor De wereld draait door. Ook dit programma beschouw ik hoofdzakelijk als infotainment: een kruising tussen informatieverschaffing en vermaak.

Anders is het bij programma’s als Buitenhof, Nieuwsuur en in zekere zin ook Pauw en Witteman. Daar verlang ik niet zozeer een journalist met een mening, maar wel een die op z’n minst een mening kan veinzen: een journalist die de advocaat van de duivel kan spelen. Niet in de laatste plaats omdat de meeste gasten in dit soort televisieprogramma’s er goed op getraind zijn lastige vragen te pareren en het gesprek naar hun hand te zetten. Het type Felix Rottenberg lijkt me dan een geschikte sparringpartner. Rottenberg komt mij voor als een speurder, een zuiger en een analist. Bovendien heeft hij kennis van zaken. Met hem neem je niet zo gauw een loopje.

Overigens beweer ik niet dat Dieuwertje Blok of Matthijs van Nieuwkerk zo’n rol niet op zich zou kunnen nemen. Zo gaat Matthijs van Nieuwkerk duidelijk in een hogere versnelling wanneer er een (aspirant) volks­vertegenwoordiger aan tafel zit. Onlangs werd Van Nieuwkerk zelfs ongemeen fel tegen kandidaat-partijleider van de pvda Martijn van Dam. Hij liet zijn gast tegen goed gebruik in alle hoeken van de kamer zien. Evenals Van Dam waren veel kijkers overdonderd. Op Twitter viel de verontwaardiging direct af te lezen. Twitteraar Marjolein Kampschreur slaakte een noodkreet: ‘Matthijs, waar ben je mee bezig?’ Anderen spraken over ‘pootje lichten’ of ‘onbehoorlijke journalistiek’.

Ik vraag mij af of de verontwaardiging ook zo groot zou zijn geweest als hetzelfde gesprek had plaatsgevonden tussen Rottenberg en Martijn van Dam bij het inmiddels ter ziele gegane politieke praatprogramma Duivels. Waarschijnlijk niet. Een deel van de verontwaardiging lag ongetwijfeld in het idee dat Van Dam een aanval van dit formaat niet had kúnnen zien aankomen. De rode studio had een opmaatje moeten zijn voor de roze microfoon.

Volgens Jurgen Latijnhouwers, deskundige op het gebied van media­training, probeerde Van Nieuwkerk te compenseren voor het oprukkende verwijt niet kritisch te zijn. Het is inderdaad goed mogelijk dat Van Nieuwkerk Van Dam in een hoek duwde omdat hij langzaamaan genoeg krijgt van zijn rol als good cop. Maar het zou ook kunnen dat Van Nieuwkerk het deed voor volk en vaderland. Misschien achtte hij Van Dam simpelweg niet opgewassen tegen Wilders en viel hij aan met de gedachte ‘als het schaap toch geslacht moet worden, dan doe ik het liever zelf’. Wat de achterliggende reden ook was, ik denk dat de trouwe kijkers van ** DWDD **** Van Nieuwkerk liever milder zien. Waarschijnlijk om dezelfde reden als jij: dat levert de aangename en ontspannen televisie op waar Van Nieuwkerk zo ongekend goed in is.**

Dit illustreert mijn idee dat ieder programma een andere journalistieke benadering vereist. Volgens mij draait zo’n controverse rondom Van Dam dan ook hoofdzakelijk om een redactionele vraag: wil je gasten die a priori een kritische houding vereisen wel uitnodigen als je geen uitgesproken kritisch programma bent?

Stellen dat ontbijttelevisie inferieur is aan ‘echte’ journalistiek is natuurlijk kinderachtig, maar dragen televisiejournalisten volgens jou dan geen enkele verantwoordelijkheid? Mag ieder gesprek verzanden in een soort vrijekeuzetijd voor de geïnterviewde, ook als het om gewiekste volksvertegenwoordigers gaat? Ik vrees dat iemand als Jack de Vries ons dan direct een oor aannaait. Dikwijls deel ik jouw voorkeur voor een ongedwongen sfeer op televisie, maar heeft de Nederlandse televisie­journalistiek volgens jou dan helemaal geen bad cops nodig?

Sjoerdje



Beste Sjoerdje,

Ik heb het interview van Matthijs van Nieuwkerk met Martijn van Dam teruggezien. Ik vond dat Van Nieuwkerk helemaal niet onaardig begon met de drie vragen die Twan Huys destijds aan Job Cohen stelde. Van Dam gaf een fout antwoord – hoewel hij beweerde van tevoren cijfers uit zijn hoofd geleerd te hebben – en zei vervolgens dat het hier natuurlijk niet om moest gaan. Toen zei Van Nieuwkerk: ‘Dan had je moeten zeggen: meneer Van Nieuwkerk, ik laat me natuurlijk niet mondeling overhoren, ik ben geen kleuter.’ Niks aan de hand. Van Nieuwkerk werd pas boos toen Van Dam geen antwoord wilde geven op een heel normale vraag tegen de achtergrond van de verkiezing van een fractievoorzitter: ‘Waarom ben jij beter dan Diederik Samsom?’ Van Dam ging toen afgeven op ‘de journalistiek’ en op ‘de politiek’ in plaats van een antwoord te geven. Pas toen ging Van Nieuwkerk hem ‘meneer Van Dam’ noemen. Daarvoor hadden ze elkaar getutoyeerd. Het werd een potje bekvechten en plotseling zei Van Nieuwkerk: ‘Zal ik jou eens wat vertellen: het wordt helemaal niks.’

Maar Van Nieuwkerk herpakte zich en legde Van Dam nog een citaat voor van Guusje ter Horst: ‘Het wordt gewoon een beauty contest.’ Daarna ging Van Dam alleen nog maar verder onderuit. Het enige opmerkelijke wat hij zei was: ‘De pvv is een on-Nederlandse partij.’ Die term komt uit het politieke vocabulaire van het rechtse nationalisme. Van Dam wil de pvv met haar eigen wapens bestrijden. Van Nieuwkerk ging daar niet meer op in: hij had het – heel onprofessioneel – opgegeven.

De uitzendingen daarna pakte Van Nieuwkerk de draad weer op en werd hij weer gewoon de geïnteresseerde cafébaas die goed luistert naar wat zijn gasten te vertellen hebben, maar altijd haast heeft, dat wél natuurlijk. Want er moeten nog meer klanten geholpen worden.

Op diezelfde tv-avond viel meer te beleven. Rutger Castricum belde aan bij Naema Tahir om haar een paar vragen te stellen over haar column in Buitenhof, waarin zij voorstelde om onbeschofte journalisten de toegang tot het Binnenhof te ontzeggen. Castricum werd door haar met name genoemd; een beroepsverbod, daar wilde het slachtoffer meer van weten! Maar niet Tahir deed open, maar professor Andreas Kinneging. Je herinnert je vast nog wel dat Kinneging en Tahir in 2008 in de Volkskrant een briefwisseling hadden waarin beiden het feminisme ter discussie stelden. Ik herinner mij dat Kinneging hamerde op de waarde van het gezin en de verschillende rollen daarbinnen en dat Tahir wél voor gelijke kansen van mannen en vrouwen was, maar dat zij door een man toch graag als vrouw behandeld wilde worden. Later zegt zij in Intermediair: ‘Ik blijk conservatiever dan ik zelf dacht. In Engeland is conservatisme een geaccepteerd ideaal, maar in Nederland is het nog altijd een scheldwoord.’

Tegenover Castricum kon Kinneging laten zien dat hij de daad bij het woord kan voegen. Hij heeft – heel ridderlijk – zijn partner in bescherming genomen tegen een onbeschofte journalist door die journalist zelf onbeschoft te behandelen. In plaats van de deur weer dicht te doen, deed hij de deur juist verder open om Castricum eens goed de oren te wassen. Maar aan het einde van de uitzending riep hij: ‘Als je hier iets van uitzendt, dan weet ik je te vinden.’

Ik moet zeggen dat ik dit een heerlijke affaire vind. Eerst werd Rutger Castricum door Matthijs van Nieuwkerk en Felix Rottenberg gesandwiched in DWDD en nu wordt hij bij de strot gegrepen door een Leidse rechtsfilosoof. Althans dat beweert Castricum zelf. Jammer dat Rutger Castricum geen heer is, want dan had hij Kinneging uitgedaagd tot een duel zoals dat in de negentiende eeuw gebruikelijk was tussen twee heren waarvan de ene de andere in zijn eer had gekrenkt. Maar ik kan me voorstellen dat Naema Tahir nu helemaal gelukkig is. Zij heeft een man die haar bewaakt als een Duitse herder.

Om op jouw vraag terug te komen: zijn er genoeg bad cops op tv? Ik dácht het wel.

Meindert

Beste Meindert,

Eerlijk gezegd vroeg ik je niet of er genoeg bad cops zijn, maar of jij vindt dat de Nederlandse televisiejournalistiek hen überhaupt nodig heeft. Maar uit jouw brief kan ik het antwoord zelf al opmaken: jij amuseert je kostelijk met ze. Dat is goed om te horen, maar het verbaast mij wel aangezien je in je eerste brief juist pleit voor meer gemoedelijke omgangsvormen.

Overigens heeft zich inmiddels nog een journalistieke rel aangediend. Ditmaal tussen Nebahat Albayrak en Jeroen Pauw. De ergernis tussen beiden liep zo hoog op dat Jeroen Pauw zich op een gegeven moment zelfs fysiek van zijn gast afkeerde. Naar aanleiding van deze reeks opstootjes twitterde Femke Halsema: ‘Er waait een nerveuze testosteronwind: Van Nieuwkerk, Mulder, Pauw, Castricum, Kinneging. Ik vermaak me wel.’ Waarom die wind waait maakt Halsema helaas niet duidelijk. Jij stelt dat het geduld van de elite op is. Maar die duiding vind ik onbevredigend. Want met wie heeft de elite dan precies het geduld verloren? Met haar gasten? Waarom reageert Albayrak dan zo snibbig? Die is toch ook van de elite? En voor PowNed heeft de elite toch nooit geduld gehad? Bovendien: wie zijn elitejournalisten en wie niet? Ik denk dat de elite hier geen valide scheidslijn is.

Eerder komt het probleem voort uit een groeiende ergernis bij journalisten en geïnterviewden over het feit dat hun gesprekken in toenemende mate aan vooraf gestelde regels gebonden zijn. Om te beginnen gaat het om zelfopgelegde regels. Bijvoorbeeld wanneer politici onderwerpen proberen te ‘spinnen’ of onderling afspreken elkaar niet af te vallen. Ik denk dat in dit soort gevallen het best de bad cops kunnen worden ingezet. Journalisten die beheerst maar geslepen een mediastrategie weten te ontrafelen. De tweede categorie regels is lastiger. Hierbij gaat het om regels die geïnterviewden vooraf opleggen aan de interviewer over beloofde spreektijd of de verzekering dat een bepaald onderwerp wel of niet aan bod komt. Sonja Barend sprak enkele maanden geleden aan tafel bij DWDD haar zorg uit over deze ontwikkeling en bestempelde het als not done. Het tegenargument dat gasten anders niet meer naar je studio komen, noemde ze onzinnig: politici komen volgens haar altijd. Of dat echt zo is betwijfel ik, te meer omdat politici nu uit verschillende goed bekeken praatprogramma’s kunnen kiezen.

Gek genoeg wordt er nog maar zuinig gediscussieerd over deze ontwikkeling. Althans in ieder geval op arbitraire wijze. Zo besteedde P&W een ruim deel van de zendtijd aan de kwaliteit van de keuze van presentator Naeeda Aurangzeb om op verzoek van imam Al-Haddad van tafel te gaan bij haar eigen progamma De halve maan. Was zij blijven zitten, dan was iman Al-Haddad niet aangeschoven. De kwestie deed denken aan een eerder besluit van Pauw en Witteman zelf om de wijn van tafel te halen toen ook zij een omstreden imam te gast hadden. Beide keren werd de kijker tijdens de uitzending op de hoogte gesteld van deze (toch al) zichtbare eisen. Zonder de discussies hieromtrent teniet te doen: is het niet vreemd dat de onzichtbare eisen zo onbesproken blijven, terwijl zichtbare voor zo veel opschudding zorgen?

Vooralsnog vrees ik dat we als kijker nog wel even de dupe blijven van deze onzichtbare afspraken. In het uiterste geval krijgen we volledig geënsceneerde gesprekjes voorgeschoteld of gesprekken die zo stroef lopen dat zelfs het televisietoestel zich schaamt.

De kwestie Castricum-Kinneging plaats ik hier grotendeels buiten. Castricum kiest voor een intimiderende werkwijze (met draaiende camera langsgaan bij een privé-adres) en krijgt daarmee af en toe het deksel op zijn neus. Wist je trouwens dat Kinneging Nederlands kampioen gewichtheffen is geweest? Ook heb ik gehoord dat op de ruit van zijn werkkamer in Leiden een sticker is geplakt met de tekst ‘verboden op het glas te tikken’, maar dat is vast een roddel.

Sjoerdje



Beste Sjoerdje,

Jij meent mij op een tegenspraak te betrappen omdat ik de uitzending van PowNews waarin Castricum het met Kinneging aan de stok krijgt heerlijke televisie vind. Maar ik vind Rutger Castricum geen goede journalist. Het is entertainment, en meestal zelfs dat niet. Maar in dit geval ontstond er een ruzie die erg leuk was voor de kijker, vergelijkbaar met de legendarische nichtenruzie tussen Adriaan van Dis en Willem Oltmans (Van Dis: ‘Waarom valt u zo op bruine dictators?’ Oltmans: ‘Adriááán, Je moet jezelf nu niet helemááál bloot geven’) of de uitzending van Het zwarte schaap met Hans Janmaat, of de discussie tussen Marcel van Dam en Pim Fortuyn in Het Lagerhuis.

Ik herinner mij dat Ischa Meijer zijn gasten ook vaak alle hoeken van de studio liet zien. Daar spreekt nu niemand meer schande van, maar toen wel. Men vond Ischa Meijer destijds onbeschoft. Meijer was er, net als Castricum, op uit om mensen van wie hij vond dat ze niet deugden beentje te lichten. Rutger Castricum is minder high brow en heeft een beperkt repertoire, waardoor hij niet het niveau haalt van Ischa Meijer, maar toch is iedereen bang voor hem. Ook Kinneging was bang, want waarom legde hij anders zijn hand op de lens en dreigde hij hem ‘in de plomp’ te gooien? En Castricum werd van de weeromstuit ook bang voor Kinneging. Dat vond ik het unieke aan deze uitzending: je zag twee mannen die bang waren voor elkaar. Dat is natuurlijk ook kenmerkend voor het negentiende-eeuwse duel: een van beide partijen raakt – soms ernstig – gewond en je weet van tevoren niet wie.

Waar het mij om gaat is dat al deze programma’s soms zeer amusant maar nooit geweldig informatief zijn. Zij laten hooguit zien dat de geïnterviewde niet sterk in zijn schoenen staat. Soms wil je dat als kijker weten, maar je komt zo weinig te weten over de opvattingen van de gasten.

En ten slotte jouw punt: ook Castricum onderhandelt over de inhoud van zijn programma’s. Ik mocht dat waarnemen toen ik een aantal malen door hem werd geïnterviewd over Wilders. De laatste keer was hij absoluut niet geïnteresseerd in kritiek op Wilders, omdat hij, naar eigen zeggen (dat vond ik wel weer eerlijk!) veel commentaar gekregen had op zijn al te kritische uitzendingen over Wilders. Ik kreeg het idee dat ik een rol moest spelen in een toneelstuk dat ik zelf niet uitgezocht had. Bij een programma als Zembla is dat nog sterker: dan ligt het scenario helemaal vast en moeten de geïnterviewden een rol spelen die een ander voor ze geschreven heeft.

Ik denk dat de journalistiek erbij gebaat zou zijn als minder journalisten als ultiem doel zouden hebben hun gasten door het ijs te laten zakken. Kritische journalistiek vindt zijn oorsprong in dossierkennis van de journalist, niet in agressie.

Meindert



Beste Meindert,

Net als Felix Rottenberg vind jij Rutger Castricum geen goede journalist. Maar waar Rottenberg zich kapot ergert aan zijn verschijning haal jij er plezier uit. Net als bij ontbijttelevisie, met het verschil dat je dat wel goede journalistiek vindt. Verder stel jij twee voorwaarden aan kritische journalistiek: geen agressie en dossierkennis. Ik ben het hier volledig mee eens. Om die reden ben ik geen voorstander van een duel tussen Castricum en Kinneging en pleit ik voor ontbijttelevisie als aanvulling op andere vormen van televisiejournalistiek. Infotainment vereist immers geen uitgebreide dossierkennis. Onlangs nog gaf Van Nieuwkerk te weten dat hij een prima interview kan afnemen over Star Wars zonder ooit een van de films gezien te hebben.

Wat mij opvalt, is dat jij juist de genres die niet nadrukkelijk aan jouw voorwaarden voldoen (infotainment en reltelevisie) hoog waardeert. Je geeft wel een omschrijving van kritische journalistiek, maar het lijkt alsof je er verder geen boodschap aan hebt. Aangezien je Ischa Meijer aanhaalt, vermoed ik dat dit voortkomt uit het idee dat kritische journalisten er hoe dan ook op uit zijn om hun gesprekspartner onderuit te halen. Maar die vooringenomenheid is niet mijn idee van kritische journalistiek. Wel vind ik dat de interviewer hier eventueel de capaciteiten voor moet hebben, en moet kunnen zien wanneer er onzin wordt verkocht. Met goede dossierkennis verdwijnt de vrijblijvendheid uit het gesprek en dat is in sommige gevallen noodzakelijk en juist zeer informatief. Politici mogen best een beetje zweten. Niet voor niets hebben media een constitutioneel recht om bewindslieden en politici nauwlettend in de gaten te houden en tot op het hinderlijke af te volgen. Onderhandelingsjournalistiek staat het ten uitvoer brengen van dit recht in de weg.

Mediahistoricus Huub Wijfjes heeft een mooi stuk geschreven over de journalistieke cultuur in Nederland. Hij beschrijft hoe socioloog Pierre Bourdieu ervoor pleitte dat politici zich niet op terreinen moeten begeven waar de problematiek van hun beroep niet kan worden weergegeven. Het genuanceerde, weloverwogen karakter van de politiek leent zich niet voor een hapsnap medium als ontbijttelevisie. Doen politici hieraan mee, dan corrumperen ze hun eigen cultuur. Bourdieu’s pleidooi lijkt in onze tijd onhaalbaar. Maar wat ik met Wijfjes eens ben, is dat de negatieve media-invloed niet eindeloos geproblematiseerd moet worden. Verstandiger is het om onze pijlen te richten op het in stand houden van journalistiek hoogwaardige programma’s. Daarmee is niet alleen het publiek gediend. Volgens Wijfjes laten politici zich zelfs liever interviewen door een deskundige, keiharde journalist dan door de zoveelste jandoedel of tuthola die op ‘human interest’ uit is.

Overigens wordt de verloedering van de journalistiek veelal beschouwd als wezenskenmerk van de huidige tijd. Maar ook vroeger konden journalisten er wat van. Wijfjes beschrijft hoe parlementaire verslaggevers in de negentiende eeuw beïnvloed raakten door het literaire naturalisme en hoe zij politici slechts op basis van uiterlijke kenmerken emotionele en intellectuele kwaliteiten gingen toeschrijven. Zodoende kreeg antirevolutionair Kamerlid Fabius het flink te verduren: ‘En dat hoofdje! Een smal, klein schedeltje, een onbeduidend gezichtje, waaraan een rooden snor en sik zitten, en een allerbenauwst laag en bekrompen voorhoofdje! Neen, daarin kunnen alleen héél kleine hersentjes liggen, en in zoo’n ingedeukt voorhoofdje kunnen alleen bekrompen gedachten geboren worden. Daar is geen plaats voor grootsche, edele ruime denkbeelden. Dat is de schedelformatie van een starren godsdienst-dweeper.’ Hier kan Castricum nog een puntje aan zuigen, vind je niet?

Sjoerdje

Flip Franssen / HH

Ooij, 13 april 2011. Minister-president Rutte brengt

een bezoek aan Gelderland

Het werd een potje bekvechten
en plotseling zei Van Nieuwkerk:
‘Zal ik jou eens wat vertellen: het wordt helemaal niks’

Martijn van Dam bij De wereld draait door

Rutger Castricum kiest voor een intimiderende werkwijze en krijgt daarmee af en toe
het deksel
op zijn
neus

Ik denk dat de journalistiek erbij gebaat zou zijn als minder journalisten als ultiem doel zouden hebben hun gasten door het ijs te laten zakken