Zelfs Hitler hield van honden

In het Engels bestaat een gezegde waarvan ik precies weet wanneer je het gebruikt, maar niet hoe je het precies moet vertalen. To have your cake and eat it too. Wat ermee wordt bedoeld is zoiets als: je kunt niet twee goede dingen hebben, sommige sluiten elkaar uit. Het leven is of-of, niet en-en. Je kunt een taart hebben, maar als je ’m opeet heb je die taart niet meer – zoiets.

Het past, in zekere zin, bij de nieuwe roman van Wytske Versteeg, Quarantaine, over een van de laatste mensen in Nederland die, nadat een geheimzinnig virus de mensheid heeft gedecimeerd, vanuit zijn villa de balans opmaakt van zijn leven. Een testament van wie voor hem belangrijk was, en wie niet. Wat hem raakte, en wat niet. Het is bij deze Tomas Augustus vooral een kwestie van ‘niet’: van zijn vrouw vraagt hij zich af of hij hun huwelijk niet had kunnen laten ontbinden ‘op grond van ontoerekeningsvatbaarheid’, zo dom vindt hij haar. Ze is inmiddels bezweken aan het virus; hij mist haar wel, maar dan ‘zoals je een meubelstuk mist waaraan je gewend geraakt was’. Fysiek mist hij haar ook niet want ‘Leanne was ongeveer even opwindend als een lekkende meelzak’. Over haar kleding zegt hij: ‘Leanne had na zorgvuldig beraad een jurk aangetrokken die nog het meest deed denken aan een vuilniszak.’ Over haar kapsel: ‘Het asymmetrische geheel zag eruit alsof er door de ratten aan geknaagd was, het werk van een kapper die zichzelf liever zag als kunstenaar dan als de simpele barbaar, excuus, barbier die hij was.’

Wees gerust dat dit alles de cosmetisch chirurg Augustus nog geen misogynist maakt, want hij heeft aan alle mensen een hekel, niet alleen aan vrouwen. Ook mannen. En ‘alle dieren’ – ja, dat zegt hij echt: ‘alle dieren’. Zelfs Hitler hield van honden (denk aan die arme Blondi, ze heeft haar eigen Wikipedia-pagina, echt waar: ‘Blondi (1941-29 April 1945) was Adolf Hitler’s German Shepherd dog, given to him as a gift in 1941 by Martin Bormann’) maar deze Tomas Augustus niet, hij trapt een eenzaam teefje dat geaaid wil worden hardhandig van zich af.

Augustus heeft aan álle mensen een hekel, niet alleen aan vrouwen

Dit is hoe Wytske Versteeg haar taart wil hebben en die tegelijk probeert op te eten. Het zit ’m in een retorische truc: Versteeg zaagt van dikke planken onvergeeflijk dik hout, ze gebruikt cliché op cliché om Augustus’ wereldhaat neer te zetten – een lichaam als een lekkende meelzak, een jurk als vuilniszak, door de ratten geknaagd haar, et cetera, et cetera, zo gaat het eindeloos door – en laat Augustus vervolgens zijn eigen opmerkingen relativeren. ‘Ben ik onaardig?’ of: ‘Ik bazel.’ Ze gebruikt ongeïnspireerde, platte taal die nergens literair wordt, of op z’n minst origineel, en neemt vervolgens afstand van die taal door Augustus te laten opmerken hoe plat en onaardig hij is.

Kortom, als lezer moet je door bladzijden flauw gezeik heen om dan te horen dat de verteller ook wel weet dat het gezeik is – oké, prima, maar had het me dan bespaard. Had mooie zinnen geschreven. Had het gezeik op z’n minst literair laten zijn. Eigen beelden, eigen taal, had het jezelf minder makkelijk gemaakt.

Medium wytske 20versteeg 20auteursfoto 202 kleur

Want dat Versteeg heel behendig en vlot kan vertellen staat ook in Quarantaine, haar derde roman, wel buiten kijf. Ze wisselt vlot van heden naar verleden, ze houdt de gevolgen van de virusepidemie mysterieus zonder vaag te zijn, en hoe grotesk Augustus ook is, zijn relaties met familie zijn geloofwaardig. Het idee is natuurlijk dat er in het gitzwarte wereldbeeld van Augustus ergens een lichtstraaltje komt binnenvallen, en dat komt er ook. Maria heet ze (‘Zo’n ouderwetse naam voor iemand van haar leeftijd, in elke lettergreep galmt de geruststellende klank van devotie’). Ze is jong en ongrijpbaar – Augustus snapt nooit wat ze van hem wil, en als lezer vraag je je dat ook af. Wat moet zo’n springerig, beeldschoon meisje met zo’n oude, mismaakte man? Een ‘manic pixie dream girl’ heet dat in de filmwereld – het beeldschone jongensmeisje van next door, dat van computerspelletjes houdt, als een vent over seks praat en zonder enige reden, en schijnbaar met niets beters te doen te hebben, verliefd wordt op de antiheld van dienst. In het echt kom je haar nooit tegen, maar mannelijke scriptschrijvers zijn zo gek op haar dat ze inmiddels als een cliché geldt, maar laten we zeggen dat Versteeg haar niet als een oprecht personage ziet, maar als een katalysator. Doordat Augustus haar zo mist, realiseert hij zich pas hoezeer hij de mensen in zijn leven heeft gemist, hoezeer angst zijn leven heeft geregeerd, hem in de weg heeft gestaan om contact te maken met de wereld.

Precies dit isolement moet ervoor gezorgd hebben dat Augustus heeft overleefd (‘Het is de liefde die deze ziekte overbrengt, de liefde die ons dwingt om elkaar aan te raken, waardoor kinderen weigeren hun ouders te verlaten en ouders hun kinderen’), een schrale, ironische troost. Hij voelde zich altijd al alleen op de wereld – maar nu hij dat daadwerkelijk is, blijkt het niets zaligmakend.


Beeld: Wytske Versteeg. Foto Eline Spek