Zelfs in een kille bunker kunnen we vrijen

Sasja Janssen, Wie wij schuilen. € 17,95

MANNIN

Gisteren was de familie bijna op, ons was ons, maar niet meer vandaag.
Eerst stormde het mispels, daarna kwam de regen die lui over ons viel.
Wij dachten nog zomerdagen, ook die raakten leeg.

Ik nam een koffer en liep door kromme weilanden, de zwarte paarden spiegelden
jou in hun vel. Een varkensboer hoedde mij tot het ochtenddonker
en ik vluchtte
naar waar jij ons verstoft had. Daar at ik van spinkhanen hun groene vlees.

Toen ik niet meer wist hoe ons heette, heb ik mij begraven bij
vreemde ouders
ik kon van iedereen het langst mijn adem verbergen. Toch wekte
een vroeg uur mij,
en versleepte ik mijn koffer met kleine bezittingen steeds weer.
SASJA JANSSEN
WIE WIJ SCHUILEN
Querido, 72 blz., € 17,95
Onze aanwezigheid in dit ondermaanse is precair en voorwaardelijk. Niet alleen hadden we er net zo goed niet kunnen zijn en mag het feit dat we hier rondlopen een interessante speling van de natuur genoemd worden, bovendien maken we onszelf tot wie we denken te zijn. Het is de blik, de visie, de definitie die de mens maakt, en een ingewikkeld proces van inductie en deductie doet veronderstellen dat we op elkaar lijken en bepaalde eigenschappen gemeen hebben. Maar wie zijn wij? Zijn wij uitwisselbaar? En wat moeten we hier eigenlijk? Sasja Janssen (1968) laat in haar tweede bundel zien wat er gebeurt wanneer je jezelf niet als iets vanzelfsprekends ziet. Hoewel de gedichten wel degelijk vanuit een vast punt vertrekken, een heldere stem met een eigen identiteit, blijkt de opgeroepen wereld ongrijpbaar en instabiel, of liever: een product van aanvechtbare hypothesen. Dit is vervreemdende poëzie. In het eerste gedicht is het meteen raak:

Wij verlaten ons. Wij geven ons niet terug,
kom nou.
Er staat nog wat hondenmelk in de ijskast,
vergeet
dat niet, we zijn zo zonde en hangen ons
op aan de
donkergroene dag.

Wat hier wringt, is dat er een onmogelijk te visualiseren situatie wordt geschetst, die desondanks is opgetuigd met sprekende details en aandacht voor praktische consequenties. Daar komt bij dat het gedicht begint met een uiterst retorische herhalingsfiguur, die vervolgens weer door het - overigens meerduidige - ‘kom nou’ wordt gebanaliseerd.
De openingszin bevat in samengebalde vorm de essentie van deze bundel. Er is een spreker, die met 'wij’ aangeeft tot een collectief te behoren. Ook de lezer is onderdeel van die groep. Maar dan blijkt het collectief in twee categorieën uiteen te vallen, een 'wij’ en een 'ons’, die door een emotioneel zwaar beladen werkwoord van elkaar gescheiden worden. Het subject is geen eenheid meer, maar met zijn spraakvermogen is niets mis. De eerste afdelingen van het boek zijn filosofisch en enigszins afstandelijk van toon, om gaandeweg plaats te maken voor een meer persoonlijke inkleuring, compleet met een gestorven vader, spelende kinderen en heftige erotiek. De 'wij’ die in het eerste gedicht op pad gaan, keren bij zichzelf terug en zoomen uiteindelijk in tot een ik van vlees en bloed. Hier zitten we nog in de collectieve fase: 'Soms zijn wij misbaar meestal nemen we de voordeur vaker/ het achterom/ wij dringen ons niet aan de mensen op’. De bijwoorden 'meestal’ en 'vaker’, die in onze werkelijkheid niet tegelijk van toepassing kunnen zijn, suggereren de mogelijkheid van parallelle werelden, een soort quantumfysica waarin elkaar uitsluitende toestanden beide gerealiseerd zijn. Dat is nog sterker het geval in Mijn alsen, een spel met hypothesen dat is opgebouwd als de partituur van een minimal composer: 'Als ik al mijn alsen bij elkaar optel ben ik een belofte/ als ik al mijn alsen met elkaar vermenigvuldig ben ik de belofte’.
In de slotreeks is de spreker een individu geworden, maar men kan zich afvragen of dat een verbetering is:

Hij maakte een nummertje met me,
welk weet ik niet, dan moest ik zo liggen
of leunen of met mijn vinger uit mijn lichaam
lepelen, ik telde minstens al tot zes.

De duisternis at mijn wangen.

De vrouw is hier een object, een nummer, dat geacht wordt een serie voorgeprogrammeerde standjes af te werken. En de potentiële geborgenheid van het collectief is verdwenen.
Ongeveer halverwege de reis van het 'wij’ naar het 'ik’ oppert de dichter dat het geheim van het bestaan misschien schuilt in de vaardigheid de juiste fouten te maken. Dat levert ongetwijfeld tegenslagen op, maar biedt wel een opening naar eigenheid en het ontdekken van persoonlijke kracht:

Ik moet fouten maken, ik snijd mijzelf open
en hoor het geluid
van nacht als ben ik mogelijkheid, mijn
uitslagen spetteren, ik leer
in zwakte maar anderen anderen sloegen
sloegen mij kapot
mijn ransel omhelst mij precies.

Janssen is in deze bundel op zoek naar een eigen stem, niet alleen in filosofische zin, maar ook als dichter. De ontregelende combinatie van conceptuele constructies met visuele concreetheid en in de meeste gevallen een verhalende structuur maakt het lezen tot een permanente oscillatie tussen betrokkenheid en distantie, die enigszins vermoeiend werkt. Je weet niet of je mag binnenkomen, en al helemaal niet of je dat wel wilt. Dit is geen poëzie om van te houden, maar dat is precies waarom het hier gaat. De dichter weet immers niet wie wij zijn.
Toch lijkt in de loop van de bundel waar meer emotie wordt toegelaten ook de taal een bevrijding te ondergaan, wat een gevoel van opluchting mogelijk maakt. Natuurlijk, onze wereld is een mentale constructie, het gedicht is van arbitraire taal gemaakt, maar er bestaat wel degelijk zoiets als echte liefde, of echte weerzin. Zelfs in een kille bunker kunnen we vrijen: 'Dit hadden wij vaker gedaan, in woud, in wateren// in zeezand, in bedden zoveel, maar nooit zo precies.’ Of is ook goede seks een kwestie van correcte spelling en grammatica? Ik hoop het niet.