Voorpublicatie uit Over kampliteratuur, door Jacq Vogelaar

Zelfs kampliteratuur is collage & montage

Ooggetuigenverslagen en memoires van de concentratiekampen van nazi’s en Goelag zijn niet louter feitenrelaas. Ze representeren een manier van kijken en zijn dus literatuur, ook voor de lezer die zich er een beeld door vormt. Deze week verschijnt bij De Bezige Bij een studie over kampliteratuur. Een voorpublicatie.

Er zijn mensen die in de gruweldaden van de nazi’s het bewijs zien voor de oude stelling dat moraal een oppervlakkige conventie is. Plato had het al over het dier dat in elk mens verscholen zit. Dat beschaving niet meer is dan een laagje vernis, waaronder het beest in de mens op de loer ligt om bij de eerste de beste gelegenheid op te spelen, wordt nog eens bevestigd wanneer zelfs slachtoffers onder elkaar tot verschrikkelijke laagheden in staat blijken. Anderen zien daar juist het bewijs van het tegendeel in: er zijn gewelddadige middelen nodig om morele reacties buiten werking te stellen. Er is een pijndrempel; als die overschreden wordt zeggen de handelingen van het individu doorgaans niets meer over de persoon, maar alleen nog over de elementaire reacties op honger en doodsdreiging. Volgens die optiek zegt het gedrag van mensen in extreme situaties doorgaans meer over die situaties dan over de mensen. Niettemin toont de kampliteratuur gevallen van mensen die zelfs voorbij die extreme grens nog niet klein te krijgen zijn.

[…]De piëteit waarmee het ooggetuigenverslag vaak benaderd is, had en heeft behalve met het gewicht van het onderwerp te maken met het feit dat er een slachtoffer aan het woord is. Voor de direct betrokkenen was de drijfveer, zeker in de eerste jaren na de oorlog, het van zich afschrijven van hun belevenissen. Behalve persoonlijke bevrijding was het oogmerk, zoals Primo Levi nadrukkelijk gezegd heeft, pas in tweede instantie: informatie, waarschuwing, beschuldiging, een vorm van wraak zelfs. En uitgesproken literaire bedoelingen maakten zich meestal pas later kenbaar.[…]Er zijn mensen die schrijven omdat ze wat te vertellen hebben; anderen schrijven om iets te zeggen, iets wat ze nog niet weten en wat ze hopen te ontdekken door te schrijven, op zoek naar de juiste middelen. Om welk soort literatuur het ook gaat, de primaire drijfveer zou wel eens kunnen zijn dat iedereen zichzelf een verhaal vertelt – en daarmee bedoel ik misschien wel het tegendeel van de levensverhalen die bij elkaar iemands biografie of zogenaamde identiteit vormen. In plaats van of voorafgaand aan de vraag: waarover gaat de tekst?, zou men de vraag moeten stellen: waar gaat het om, wat staat er op het spel, wat is de inzet? Dan heb je het over literatuur, ik bedoel literatuur voor zover ze niet probeert te concurreren met wat andere vormen van schrijven en andere media sneller, efficiënter of gewoon beter kunnen, literatuur die van de traagheid die het schrift nu eenmaal aankleeft een deugd maakt en zich concentreert op reflectie, verwerking, ervaring als bewuste verdubbeling van de beleving, herinnering, kortom haar indirectheid, de afstand en tijd die voor schrijven en verwerken vereist zijn. Het gaat daarom bij literatuur meer om manieren van kijken, dan over visies en feiten.[…]Hoe verwerk je feitenmateriaal tot een beeld? Het is voor degene die het over concentratiekampen heeft evengoed een praktisch als een methodologisch probleem: hoe maak je de eindeloos uit te breiden hoeveelheid gegevens hanteerbaar? «Gegevens» is een amorf begrip net als «ruw materiaal», en «beeldvorming» is al even ongrijpbaar. Ook het woord «beeld» is goed voor misverstanden.Tot de gegevens behoren de feiten van de kampen – ontstaan, doel, functie, duur, ontwikkeling, omvang, types, geledingen; het kamp, als zelfstandig systeem en als deel van de maatschappij; hoe de verschillende kampen georganiseerd zijn en hoe ze «werken». Tot de binnenkant van het systeem behoort uiteraard het kampleven, van gevangenen, bewakers, vrijen en directie. Zoveel soorten kampen, en per ingezetene ziet het ene kamp er bovendien voor eenieder anders uit. Wat de herinnering ervan maakt is weer een ander verhaal. En hoe staat ongedeelde tot gedeelde pijn? En zo kun je nog even doorgaan.De meeste studies van het kamp – Mora & Zwierniak, Dallin, Solzjenitzyn, Martsjenko, Conquest, Applebaum, Toker en nu Meinhard Stark, en Kogon, Kautsky, Hilberg, Sofsky en vele anderen – volgen praktisch dezelfde werkwijze; het kan bijna niet anders: ze delen het kampleven chronologisch in (van arrestatie, voorarrest, verhoor, gevangenis, transport, doorgangskamp, kamp, vrijlating, thuisreis) en thematisch, gaande van globale onderwerpen als huisvesting, voedsel, werk, medische verzorging, gedrag van gevangenen onderling, criminelen, tot specifieke details als kampkinderen, briefverkeer, zelfmoord, religieuzen, luizen, brillen, gebitten, enz.Hoe maak je die massa materiaal hanteerbaar? Hoe houd je hoofd- en bijzaken uit elkaar? Meestal is doorslaggevend of de nadruk ligt op de verschillen – tussen de ideologische systemen, de typen kampen, de geledingen en lagen van de kampbevolking, de gevangenen onderling – of op de overeenkomsten. Voor de kampliteratuur – de primaire en de secundaire – verdubbelen de problemen zich nog eens.De schematische werkwijze van de historische onderzoekers lijkt – uiteraard, kun je zeggen – op de thematische indeling die kampschrijvers zelf toepassen. Bepaalde schrijvers, zeker die van het eerste uur, toen er nog nauwelijks algemene informatie over in dit geval de goelag voorhanden was, vervulden de functie van onderzoeker van binnenuit, zoals Anatolij Martsjenko, de Poolse juristen Silvestre Mora en Pierre Zwierniak, Elinor Lipper, de Spaanse commandant El Campesino en vele anderen. Het grote verschil is dat Martsjenko – of Mora, Lipper, Leonhard, Margolin enz. – de vaak ook uit de tweede hand vergaarde details tot één beeld verwerken, een mengsel van subjectief gekleurde en gedocumenteerde feiten, dat toch een persoonlijk verslag heet te zijn; en dat onderzoekers als Applebaum en Stark, maar ook Solzjenitzyn, alle mogelijke details uit totaal verschillende bronnen naast en achter elkaar op één vlak uitzetten – het resultaat is dan een studie. In afzonderlijke hoofdstukken staat dan alles bij elkaar wat de onderzoeker aan kennis vergaard heeft over behuizing, werknormen en voedselrantsoenen, kleding en hygiëne, disciplinaire maatregelen, enzovoort. En zo gaat het: alles loopt dan uit op een enzovoort. De details, feiten en beschrijvingen, komen overal vandaan; wanneer ze verschillen vullen ze elkaar aan, ook als ze met elkaar in tegenspraak zijn; en wanneer ze ongeveer hetzelfde zeggen dienen de overeenkomsten ter bevestiging: details worden aaneengevoegd.
Stuk voor stuk staan de beetjes informatie in dienst van het totaalbeeld, de globale impressie.

Iedereen doet het, ik zei het al: het kan moeilijk anders. Er ontstaat een beeld of er wordt een beeld opgeroepen, maar ondershands verdwijnt er ook iets uit beeld: de teksten waaruit de zinnen geciteerd worden, de verhalen waaraan de voorbeelden en illustraties ontleend zijn, de door iemand moeizaam gereconstrueerde kampgeschiedenis die, teruggebracht tot een enkel sprekend voorval, ongevraagd een steentje aan het mozaïek «kampleven» bijdraagt.Uit welke context de details afkomstig zijn doet er minder toe, steeds minder (uit welke hand een bepaald gegeven is, valt soms nauwelijks te achterhalen). In feite zijn het collages; je kunt het ook veredeld plakwerk noemen. Er wordt een beeld samengevoegd, te vergelijken met een op verspreide signalementen, vermoedens en geruchten samengestelde compositiefoto, en zowel in grote lijnen als in de nuances biedt het totaalbeeld meer, in elk geval meer aspecten dan welk ooggetuigenverslag ook.Dat is allemaal heel nuttig, maar een bezwaar is op z’n minst dat de lezer aan het resultaat niet meer kan zien wat oorspronkelijk de eigen betekenis van de samenstellende delen en deeltjes is geweest.Dan heb ik het nog niet over de al of niet bedoelde vertekening. Wie de verhoudingen tussen politieke gevangenen ten gevolge van het kampregime ziet als een algehele terugval in een Hobbesiaanse oertoestand van een strijd van allen tegen allen, en het verschil met gewone gevangenen en zelfs met de criminelen of de bewakers als daaraan ondergeschikt, kan voor dat beeld – meer een oordeel vooraf dan een beoordeling – moeiteloos vele voorbeelden vinden, bij elke schrijver.De titel van Bardach – Man is to Man a Wolf – lijkt een aanwijzing in die richting. Tzvetan Todorov heeft in Face à l’extrême laten zien dat bij een hele reeks auteurs even gemakkelijk citaten te vinden zijn voor als tegen de stelling dat de mens als het erop aankomt een zelfzuchtig monster is.Het gaat hier niet alleen om het werk van wetenschappelijke onderzoekers, ik heb het over de lezer van kampliteratuur. Stelt niet elke lezer van dit soort literatuur gaandeweg – en waarschijnlijk al heel gauw – een beeld en beelden samen? Net zoals degene die meer dan één boek over een onderwerp leest al zijn eigen bibliotheek samenstelt, of hij dat nu doelgericht doet of niet, zo klein als ze is. Capita selecta is een wat pontificale benaming voor de selectie die ieder mens met ogen en oren dagelijks uit de stroom van informatie en beelden maakt. Al meteen bij het eerste boek maakt een lezer zich een voorstelling van een kamp, een barak, van de gemoedstoestand van de gedeporteerde in diverse stadia en situaties. Die voorstelling is net zomin een eigen beeld als de mening die men ’s avonds na lezing van enkele kranten, het horen en zien van nieuws en eventueel het lezen van enkele beschouwingen als opinie over een actuele gebeurtenis weet te debiteren. Zo’n beeld is een soort uilebal, net zoals ondefinieerbare en niettemin veelgebruikte begrippen als publieke opinie, tijds- of historisch beeld, collectief geheugen en nationale identiteit.Indien de collagemethode haast onvermijdelijk is bij het selecteren van het vele dat over de kampen geschreven is, lijkt er maar één alternatief mogelijk: de montage, die de gebruikte teksten recht doet zonder dat dit een eigenzinnige keuze, commentaar en perspectief in de weg hoeft te staan.De lezer zal zijn beeld – dat weer iets anders is dan kennis – van goelag of nazi-kampen bij elk nieuw boek en elke nieuwe informatie bijstellen: of het wordt voor een deel bevestigd, versimpeld misschien, of het wordt juist ingewikkelder en verwarder. Ook dit is een bekende ervaring: dat men in het begin of vooraf een duidelijker beeld en dito meningen heeft dan wanneer men over veel meer informatie beschikt.Ik zeg hier niets nieuws, het is bovendien een ervaring die iedereen heeft, er wordt alleen zo weinig rekening mee gehouden – en als je je te zeer bewust bent dat elke snipper informatie over kamp en kampleven uit een meestal onzichtbare context stamt en vele bewerkingen heeft ondergaan, het laatst in het boek over het kamp dat je op dat moment aan het lezen bent, wordt je hoofd zelf een papierversnipperaar. Want zelfs degene die zich hiervan bewust is, kan zelden reconstrueren hoe hij aan zijn voorstellingen is gekomen en weet evenmin wat er in zijn beeldenkraam verandert als hij bijvoorbeeld een verhaal, bericht of studie leest, een film of reportage ziet.Een recent voorbeeld: Frauen im Gulag van Meinhard Stark. Een steekproef. Ik lees het boek van een Duitse communiste over twaalf jaar sovjetkamp. Het is 1941, nog vóór de oorlog tussen de Sovjet-Unie en Duitsland, en in het invalidenkamp Adake in het noorden van Siberië is Susanne Leonhard ’s nachts werkzaam in een voormalige steenbakkerij die dient als drogerij voor kleding. Met een vijftigtal vuile en stinkende viltlaarzen voor zich, die ze af en toe op het hete zand moet omkeren, probeert zij de in filosofische vraagstukken geïnteresseerde Russische brigadier Pavel, opzichter van de steenbakkerij, de filosofie van de Wiener Kreis en de quantumtheorie uit te leggen. Pavel heeft nog nooit een filosofische tekst gelezen. Van alle filosofen hoefde hij voorheen alleen maar te weten wat Marx, Lenin en Stalin ervan gebakken hadden. Kennelijk heeft Leonhard alles wat zij in 1935 tijdens haar studie filosofie en wiskunde gelezen heeft nog paraat; zo lang is het niet geleden. Uit haar bericht komt zij, op dat moment 45 jaar, tevoorschijn als een gedreven, in politieke zin vrij steile, sociaal en seksueel vrijgevochten intellectuele vrouw. De nachtelijke scène in de laarzendrogerij, die iets over de verhouding van gevangene en bewaking, en tevens iets over het niveau van het filosofieonderwijs in de Sovjet-Unie zegt, staat beschreven in haar boek Gestohlenes Leben uit 1956.Susanne Leonhard komt in het boek van Anne Applebaum niet voor, ook niet in de biografie; in andere overzichten komt ze in rijtjes voor, of als de moeder van de sed-functionaris Wolfgang Leonhard. Ze wordt enkele keren genoemd in het boek Frauen im Gulag (2003), een recente studie van de Berlijnse historicus Meinhard Stark. Voor een zakje gestolen aardappelen, arenlezen na de oogst of diefstal van een klosje garen konden vrouwen meerdere jaren vrijheidsstraf krijgen is een zin in het hoofdstukje «Stromen gevangenen» bij Stark. De noot achterin – een register, onmisbaar voor zo’n boek, ontbreekt – vertelt dat de zin uit het boek van Leonhard komt. Het is een «feit» dat thuishoort in de eindeloze reeks van idiote redenen waarom sovjetburgers gearresteerd werden – niet iets dat speciaal tot de eigen belevenissen van Susanne Leonhard behoorde en waarvoor de onderzoeker juist bij haar te rade had moeten gaan; in het korte biografietje achterin is zij ook alleen maar journaliste.Met haar boek van oorspronkelijk achthonderd pagina’s is zij na een halve eeuw de leverancier van één zin in een paragraaf van drie pagina’s. De andere bronnen die in negen voetnoten genoemd worden variëren van kampherinneringen (Elinor Lipper, Hilda Vitzthum, Susanne Leonhard, Nadezjda Joffe), een studie over Zwitserse communisten in Moskou, twee over Oostenrijkers in de Sovjet-Unie, het Staatsarchief van de republiek Tatarstan, en twee studies over het systeem van dwangarbeid en de aantallen geïnterneerden en gedeporteerden: alle bronnen goed voor een halve of hele zin. In zo’n collage op een plat vlak doet het er niet meer toe van welk groter geheel het stukje deel uitmaakte. Des te vervelender is dan dat het boek zelf – dat van die ene voetnoot: Gestolen leven – nog alleen in verkorte vorm te vinden is.Ook voor de andere plaatsen waar het boek van Leonhard wordt aangehaald, blijkt het er helemaal niet toe te doen wat het bijzondere aan haar eigen te boek gestelde ervaringen is geweest – wat zij met haar lange kampervaring aan de beschrijvingen van anderen had kunnen toevoegen.Wat is het bijzondere eraan? Ik ben bijvoorbeeld nergens anders de reactie van een hoogontwikkelde vrouw op lichamelijke arbeid tegengekomen. De zinnen die in Frauen im Gulag van haar – en van anderen – worden geciteerd, zijn niet meer dan zetstukjes in het interieur van het kamp. Met meer recht zou iemand stukjes uit de briefwisseling van Karl Marx en Friedrich Engels kunnen citeren in een studie over een doehetzelf-behandeling van steenpuisten en negenogen.Ondershands wordt bovendien verdonkeremaand dat de teksten waaruit de zinnen geplukt worden geschreven zijn, dat wil zeggen: doordacht, herschreven, als aparte geschiedenis gecomponeerd. Goedbeschouwd wordt het schrijven ongedaan gemaakt doordat de geschreven tekst weer tot ruw materiaal wordt teruggebracht: bewijsmateriaal, illustraties, bouwstoffen voor nieuwe teksten, secundaire literatuur. Hoe goed die ook is, wanneer er van de oorspronkelijke kampverhalen niets meer te zien is, overschaduwt het secundaire beeld de geschreven ervaringen van de ex-gedeporteerden.Wat de literatuur over de nazi-kampen betreft gebeurt dat strijk en zet; de goelagliteratuur lijkt minder bezet. Ook de geschiedschrijver vertelt een verhaal en iedereen die vertelt is op effect uit, al was het maar om zo lang het duurt de aandacht van de toehoorder vast te houden. Daarom is in zekere zin elke vertelling een sterk verhaal.Joël Kotek en Pierre Rigoulot vertellen in hun monumentale geschiedenis van alle kampen die de twintigste eeuw rijk is geweest uiteraard ook het verhaal van de nationaal-socialistische concentratie- en vernietigingskampen.Onder leiding van Himmler beginnen de kampen in 1934/35 op volle toeren te draaien. Met politieke tegenstanders worden in de kampen ook overbodige, schadelijke, nutteloze elementen geëlimineerd. Op 15 september 1935 worden door de Rijksdag de Neurenberger rassenwetten aangenomen. Op die dag is de Duitse communist Jan Valtin er in het concentratiekamp van Fuhlsbüttel in een buitenwijk van Hamburg getuige van hoe een zojuist gearriveerde joodse man door twee SS’ers gedwongen wordt zich uit te kleden, waarna hij geslagen en geschopt wordt. De man sterft die nacht. De volgende ochtend moeten joodse gevangenen op de binnenplaats een kuil graven terwijl zestig anderen met de rug tegen de muur worden opgesteld. Een bewaker – Toussaint, een van de twee SS’ers – beveelt de joodse mannen rond de kuil waar het lijk in gegooid is hun broek omlaag te doen en te masturberen, terwijl de anderen, die een linie erachter tegen de muur staan, het lied Drei Lilien, drei Lilien, Die pflanzt ich auf ein Grab jufalleraaa… moeten zingen. Valtin schaamt zich dit alles werkeloos te moeten aanzien.Vanaf 1939 worden de kampen ten gevolge van de oorlog geïnternationaliseerd en vormen de Duitsers die voorheen in de meerderheid waren nu nog maar 5 tot 10 procent van de kampbewoners. «De hel» betitelen de auteurs dit hoofdstuk. In Auschwitz wordt een deel van de twaalfduizend Russische krijgsgevangenen gebruikt voor de bouw van de barakken van Birkenau; ze zijn al uitgeput en ondervoed als ze er aankomen. Rudolf Höss, de commandant van Auschwitz, beschrijft in zijn belijdenis een scène die hij beweert, te paard van Birkenau op weg naar Auschwitz, zelf gezien te hebben. Uit een colonne van een paar honderd gevangenen stortten zich enkele op een schuurtje waar aardappels werden bewaard. Van de verwarring maakten andere gebruik om een medegevangene die achter een muurtje een stuk brood naar binnen zat te werken de schedel in te slaan en zijn lever uit te rukken en op te eten. Dat was in de winter van 1941/42. De auteurs vermelden hoeveel Russen er verder doodgeschoten of vergast werden.Een stuk verderop behandelen Kotek en Rigoulot in het hoofdstuk «Dagelijks leven en dood in de kampen» de hiërarchische structuur en geven als voorbeeld van de manier waarop de een tegen de ander werd gebruikt een voorval dat Eugen Kogon in zijn boek over Buchenwald vermeldt. Het vindt plaats in de lente van 1944, vlak voor de bevrijding. Onder persoonlijke bewaking van een bouwopzichter is een colonne joodse en Poolse mannen aan het werk. Twee joodse mannen is het duidelijk te zwaar. De opzichter geeft een Pool bevel de twee te begraven. Als deze weigert, slaat de SS’er hem met een schop en dwingt hem in plaats van de twee joden zelf in de kuil te gaan liggen, en de twee geeft hij bevel de Pool te begraven. Wanneer zijn hoofd onder het zand verdwenen is, laat hij ze stoppen en wanneer de Pool weer overeind staat, geeft hij hem andermaal bevel de twee levend te begraven. Daarna stampt hij lachend de aarde boven hen aan. Hier eindigt het citaat bij Kotek en Rigoulot.Bij Kogon gaat het verder, waarbij een belangrijk detail de angst van de anderen is, die maakt dat zij ondertussen als bezeten doorwerken om maar niet op te vallen. Het is niet duidelijk of Kogon het zelf gezien heeft of het verhaal van anderen heeft. Dat doet er op die plaats niet toe, omdat hij zeker dat deel van zijn boek met berichten uit de eerste hand van medegevangenen geschreven heeft.Op die plaats is de scène een voorbeeld uit een reeks van terroristische praktijken; in het boek van Kotek en Rigoulot is het een sterk staaltje in een mengelmoes van zeer uiteenlopende gebeurtenissen. Hiermee wil ik niet suggereren dat de twee Franse auteurs vooral op sensatie uit zijn geweest. In elk geval zijn zij in al hun hoofdstukken over verschillende kampen gruwelverhalen niet uit de weg gegaan, wat des te opvallender is wanneer de citaten niet eens direct bij het betoog aansluiten. Over de gebruikte bronnen vermelden zij niets.Jan Valtin (zijn echte naam was Richard Krebs) blijkt een van de leiders geweest te zijn van de opstand van Hamburgse communisten op 23 oktober 1917, een door Moskou geleide poging tot een tweede Oktoberrevolutie, die na een strijd van 31 uur met de Reichswehr werd gesmoord. Wat Rudolf Höss, als kampcommandant op z’n zachtst gezegd een dubieuze getuige, met zijn zelf geziene scène van de Russische kannibalen heeft willen aantonen, weet de lezer niet.Ik ben er, kortom, niet zeker van of de door mij navertelde scènes te aangegevener vindplaats een noodzakelijke aanvulling op hun betoog waren. En ik kan nu van mijzelf wel zeggen dat ik er betrekkelijk willekeurig drie heb uitgekozen, ook op mij misten de citaten hun uitwerking niet. In mijn hoofd heb ik ze bij de bergen losse voorbeelden gevoegd die tezamen mijn kz-album vormen.

Jacq Vogelaar

Over kampliteratuur

De Bezige Bij, 682 blz., e 37,50