De antipooierwet

Zelfstandige Zonder Pooier

Prostitutie wordt ondanks de onvrijwilligheid in de branche en de macht van de pooiers alom respectabel gevonden, ook onder links-liberale feministen en politici. Volgens de Amsterdamse wethouder Asscher een nationale vergissing.

ALS HET LIBERTAIRE denken ergens in is doorgeschoten, dan wel in onze collectieve gemakzucht rond prostitutie. Het oudste beroep vormt ook het meest schrijnende overblijfsel van de oudste menselijke uitbuitingsrelatie, waarin mannen vrouwen gijzelen, verhandelen en verkopen aan andere mannen voor seks. De seksuele revolutie van de jaren zestig heeft ons veel moois gebracht. Maar de normalisering van prostitutie als ‘sekswerk’ en de romantisering van de prostituee als 'vrije vrouw’ laten zien dat zij ook een perverse zelfkant heeft, die mogelijk maakt dat onvrijheid letterlijk als vrijheid kan worden verkocht. Terecht noemt de Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher het een 'nationale vergissing’ om onze omgang met prostitutie te plaatsen in het rijtje vrijheid, blijheid en tolerantie, en om mensenhandel en verkrachting te ontkennen uit angst om voor preuts of voor fatsoensrakker te worden uitgemaakt (Trouw, 14 oktober).
Het debat dat de laatste jaren in Amsterdam is gevoerd over de aanpak van de criminaliteit in het Wallengebied (postcode 1012), met name tussen libertaire politici van GroenLinks en meer moralistische PVDA'ers (die sinds 2006 ook coalitiegenoten zijn), is exemplarisch voor de dilemma’s die hierbij de kop opsteken. Tot de hoofdrolspelers in dit debat behoorden voormalig PVDA-raadslid Karina Schaapman en de huidige GroenLinks-fractievoorzitter Marieke van Doorninck. De eerste schreef samen met haar collega-raadslid Amma Asante een uitvoerig rapport, Het onzichtbare zichtbaar gemaakt (2005), dat de basis vormde voor haar Aletta Jacobs-lezing van maart 2007, Hoerenlopen is niet normaal. Van Doorninck schreef met deelraadslid Bob van Schijndel de notitie Nieuwe kansen voor hervorming Amsterdamse seksindustrie (2006). In 2007 en 2008 volgden twee officiële Amsterdamse beleidsnota’s: Oud beroep, nieuw beleid: Nota prostitutie 2007-2010, die nauwer aansloot bij de PVDA-visie, en Prostituee v/m: Weerbaar en zelfstandig: Amsterdam 2008-2010 van toenmalig GroenLinks-wethouder Marijke Vos.
Schaapmans felle kritiek op de 'naïeve illusie’ dat de seksindustrie een normale bedrijfstak is en dat prostituees 'normale, vrije onderneemsters’ zijn staat haaks op het wervende taalgebruik van de GroenLinksers. In hun verkiezingsprogramma’s prijzen zij Amsterdam aan als een 'spannende’ stad, vanwege de Wallen met hun 'beroemde’ raamprostitutie. Toegegeven, sinds de legalisering van de seksindustrie in 2000 zijn de zaken nog niet goed geregeld en zijn veel prostituees nog te kwetsbaar voor kwaadwillende exploitanten en uitbuiters. Maar de beste manier om misstanden tegen te gaan is 'een goed georganiseerde en gezonde legale seksindustrie, waar de rechten van sekswerkers gewaarborgd zijn’. De gemeente moet hun emancipatie ondersteunen en branche-innovatie bevorderen, bijvoorbeeld door in het vergunningenbeleid ruimte te maken voor zelfstandige coöperaties.
Deze normalisering van 'sekswerk’ als legitieme vorm van commerciële dienstverlening paste in de vrijzinnige wending die vanaf 2004 door voormalig GroenLinks-leider Femke Halsema werd ingezet. Haar sleutelstuk Vrijzinnig links bevatte een opvallende uithaal naar de PVDA, die zij net als de SP verweet allerlei progressieve vrijheden op te offeren aan de populistische kiezersgunst. Haar eerste voorbeeld was het voorstel van toenmalig Kamerlid Wolfsen om heroïneprostitutie strafbaar te stellen, een fenomeen dat hij provocerend beschreef als 'seks met bewustelozen’. Halsema’s commentaar: 'Een eeuw emancipatiestrijd om prostituees juist gelijkwaardige rechtsposities en maatschappelijke posities te geven delft hiermee het onderspit.’
Opvallend is dat PVDA en GroenLinks het eens zijn over de formule dat prostitutie wél een legaal, maar geen normaal beroep is. Beide erkennen dat de opheffing van het bordeelverbod geen einde heeft gemaakt aan vrouwenhandel, uitbuiting en illegaliteit, dat prostitutie een criminogene bedrijfstak blijft en dat de realisering van normale arbeidsverhoudingen nog ver in het verschiet ligt. Maar met deze formule kun je verschillende kanten op. Volgens Schaapman c.s. wordt 'legaal’ te vaak uitgelegd als 'normaal’ of 'legitiem.’ Zij menen dat de keuze voor prostitutie meestal een negatieve is, dat er in dit beroep nauwelijks sprake kan zijn van vrijwilligheid, en dat de overheid daarom in plaats van het beroep te normaliseren het juist moet problematiseren en ontmoedigen.
De vrijzinnige GroenLinksers lijken het 'niet normale’ van het beroep daarentegen te interpreteren als een bijzondere manier van vrijgevochten 'stoutheid’ en 'anders zijn.’ Weliswaar zijn de condities voor verdere sociale erkenning en positieverbetering nog niet aanwezig, maar dat is precies waar het overheidsbeleid op moet aansturen. 'Sekswerkers genieten nog lang niet alle rechten die andere werkenden in Nederland als vanzelfsprekend beschouwen, omdat hun positie in de maatschappij nog steeds wordt gekenmerkt door stigmatisering en uitsluiting’, schrijven Van Doorninck en Van Schijndel.
Onder het motto 'Alle sekswerkers zelfstandig!’ stelt de nota-Vos dat prostituees veilig moeten kunnen werken, eigen keuzes moeten kunnen maken en nergens toe moeten worden gedwongen, 'dit alles met behoud van hun lichamelijke integriteit’. Veel prostituees hebben immers 'last van het taboe op hun vak’, waardoor ze in een sociaal isolement zitten. Van Doorninck vergelijkt de emancipatie van sekswerkers zelfs met de strijd van die andere werkende klasse: 'Denk aan fabrieken in de negentiende eeuw. De omstandigheden werden er beter door de mensen rechten te geven.’ Een column in een recent pro-sekswerknummer van het feministische tijdschrift Lover besluit geheel in stijl met: 'Sekswerkers aller landen, verenigt U!’

DIE FEMINISTISCHE romantisering van de vrije, publieke vrouw is ook te vinden bij De Rode Draad, de belangenvereniging van de 'gewone hardwerkende prostituee’. Volgens woordvoerders als Sietske Altink en Metje Blaak moeten we niet hypocriet zijn over de behoefte aan seksuele dienstverlening die nu eenmaal in de samenleving bestaat, en waar een groot deel van de mannelijke bevolking gebruik van maakt. Het is niet zinvol om die behoefte te bestrijden, zoals in Zweden, waar de klant strafbaar wordt gesteld. De Rode Draad blijft daarom voorstander, hoewel onder strenge voorwaarden, van de exploitatie van prostitutie. De voorkeur gaat daarbij uit naar 'zelfexploitatie’ door zelfstandige sekswerkers en/of coöperaties, dus van zoveel mogelijk 'eigenwerk’ en zzp'er-schap (een afkorting die in het vak wel wordt vertaald als 'zelfstandige zonder pooier’). Onderdrukking van seksuele dienstverlening zou alleen maar leiden tot ondergronds gaan, met een verhoogd risico van onveiligheid en uitbuiting. Sekswerk kan nooit een normaal beroep zijn, omdat sekswerkers hun lichamelijke en geestelijke integriteit betrekken in hun werk. Die integriteit moet enerzijds streng worden bewaakt, maar dit maakt het beroep ook bijzonder: 'Juist daarom verdienen zij meer in plaats van minder respect dan werkers in andere sectoren.’
Mariska Majoor, initiatiefneemster van het Amsterdamse Prostitutie Informatie Centrum (PIC), vreest net als de GroenLinksers dat de Wallen 'net zo truttig worden als de Jordaan (…) Buitenlandse toeristen komen hier om adem te halen. Eindelijk een plaats waar je kunt doen wat je wilt, binnen bepaalde grenzen natuurlijk. Die sfeer wordt nu om zeep geholpen.’ Het PIC biedt onder meer een Amsterdamse Wallenwandeling aan (geschikt voor 'bedrijfsuitje, familiedag, vrijgezellendag, individu of reünie’) en de mini-workshop 'Achter het raam’: 'Altijd al eens willen weten hoe het voelt om achter het raam te zitten? Dan heb je nu de kans van je leven!’
Lover laat een keur van feministische sekswerkers aan het woord die zichzelf feliciteren met hun mooie, vrije, spannende beroep: 'Sekswerk is anderen verblijden en bevredigen, anderen liefde en een goed gevoel geven en voor anderen zorgen.’ In het spoor van de hoerenrechtenbeweging van de jaren tachtig uit men kritiek op de kuisheidsideologie en het taboe op vrouwelijk seksueel genot, dat meteen wordt vereenzelvigd met het taboe op seks voor geld zonder emotionele binding. Ook de grens tussen performancekunst en sekswerk is volgens het blad niet meer zo scherp te trekken. Whore performers als Annie Sprinkle, Scarlot Harlot en Annie Oakley omarmen de identiteit en de pose van hoer als een vorm van kunstenaarschap. Oakley’s Sex Workers Art Show trekt in Amerika rond met een wisselende cast van prostituees, drag queens, burlesque artiesten, schrijvers en muzikanten. In Europa wordt haar voorbeeld gevolgd door Judie Minx en Sadie Lune met hun Queer X Show.

HET HART van het debat wordt vanouds gevormd door de heikele vraag in hoeverre sekswerk een vrije keuze is dan wel plaatsvindt onder dwang. Het blijkt bijzonder moeilijk om hierover harde cijfers of betrouwbare schattingen te vinden, ook omdat de gehanteerde definities van (on)vrijwilligheid nogal van elkaar verschillen. Voorvechters van sekswerk hebben daarbij de neiging om de mate van vrijwilligheid te overschatten en misstanden te bagatelliseren, terwijl tegenstanders de risico’s juist uitvergroten en de keuzevrijheid minimaliseren. Zo stelt Majoor dat de meerderheid van de prostituees op vrijwillige basis werkt (het zijn geen zielige slachtoffers maar 'trotse vakvrouwen’), terwijl Schaapman volhoudt dat het merendeel tegen haar zin werkt 'of in elk geval met tegenzin’. Schattingen van het percentage gedwongen prostituees lopen volgens onderzoeksbureau Beke uiteen van tien tot negentig. Volgens korpschef Ruud Bik en hoofdofficier Herman Bolhaar van de Taskforce Aanpak Mensenhandel wordt zestig procent van de vrouwen in de raamprostitutie gedwongen of uitgebuit.
Welbeschouwd is het onderscheid tussen vrijwillig en onvrijwillig flinterdun: de mengvormen van lot en wil zijn interessanter dan de beide uitersten. Ook als het vak vrijwillig wordt gekozen, hebben veel prostituees te maken met vernedering, geweld en uitbuiting, en twijfelen ze achteraf of hun keuze wel zo overwogen is geweest. De meeste vrouwen willen het vak slechts tijdelijk uitoefenen. Ondanks de legaliteit van het beroep willen de meeste prostituees liever anoniem blijven werken, zonder registratie en dus ook zonder belasting te betalen. Sinds de opheffing van het bordeelverbod heeft niet meer dan vijf procent van de vrouwen zich als zelfstandige laten inschrijven. Vaak is er sprake van psychisch geweld door loverboys, drank- of drugsverslaving en/of een verleden van seksueel misbruik. De meeste vrouwen moeten een psychische knop omdraaien om ermee door te kunnen gaan.
Het is sowieso merkwaardig om te zien hoe weinig bezwaar links-liberale feministen maken tegen de vercommercialisering van seks. Als vrouwen er in vrijheid voor kiezen om hun lichaam te verkopen, stellen ze, dan moet de overheid dat niet met het geheven vingertje gaan verbieden. Prostituees zijn in hun ogen eigenlijk heel slim, want ze vragen geld voor diensten die gehuwde vrouwen gratis verlenen. 'Zoals huiselijke bezigheden als slapen en eten in het toerisme zijn gecommercialiseerd, zo zijn er voorzieningen geschapen voor seks buitenshuis’, meldt de website van De Rode Draad.
Maar het verkopen van je eigen lichaam is verre van een normale transactie. Er is altijd sprake van bedreiging van de psychische en lichamelijke integriteit. Als seksuele zelfbeschikking wordt gelijkgesteld aan de vrije verkoop van seks wordt niet alleen de keuzevrijheid verabsoluteerd (alles wat zogenaamd vrij wordt gekozen is goed), maar wordt alles ondergeschikt gemaakt aan een commerciële antimoraal volgens welke alles te koop is. De liberale overschatting van de wilsvrijheid en de sociologische blindheid voor structuren en omstandigheden leiden gemakkelijk tot vernedering van degenen die niet aan de definitie van mondigheid en zelfredzaamheid voldoen. De bezweringsformule dat prostitutie alleen vrijwillig mag worden beoefend, zoals die ook werd gehanteerd bij de opheffing van het bordeelverbod in 2000, heeft dan ook een hoog alsof-gehalte. Ze wordt gemakkelijk opgevat als een feitelijke beschrijving die het zelfbeeld van een kleine groep projecteert op een veel grotere groep die het slachtoffer is van vormen van seksuele dwang.
Het moet te denken geven dat ook de vrijzinnigen blijven hameren op de noodzaak om de persoonlijke waardigheid en integriteit te bewaken, en de mogelijkheden van begeleiding naar ander werk willen uitbreiden. In welk beroep wordt zoveel nadruk gelegd op de vrijheid om eruit te kunnen stappen? Het vorige kabinet stelde eenmalig vijftien miljoen euro ter beschikking voor uitstapprogramma’s. Dat in 2009 slechts zes procent van de gemeenten een uitstapbeleid voerde, wordt ook door voorstanders van 'sekswerk’ als een misstand beschouwd.

HET HORIZONTALE BEROEP is geen gewoon beroep en zou dat ook niet moeten zijn. In plaats van het te willen normaliseren en professionaliseren, met vrijwilligheid als ideaal, is het beter om juist dwang en uitbuiting en dus de intrinsieke kwetsbaarheid van vrouwen als 'normaal’ te beschouwen. Zeventig procent onvrijwilligheid lijkt om en nabij het meest realistische cijfer te zijn. Daarom moeten we ons niet laten misleiden door een zichzelf feliciterende prostitutie-elite en de valse romantiek van wat Lodewijk Asscher 'comfortfeministen’ noemt. Als vaandeldraagsters van het recht op diversiteit en seksuele vrijheid zou hun solidariteit juist moeten uitgaan naar de massa van ongelukkigen die door het beroep structureel in hun waardigheid worden aangetast. In plaats van het beroep op te waarderen via een verkeerd begrepen emancipatiestrijd moet de uitoefening ervan eerder worden ontmoedigd. Dat is iets anders dan prostitutie opnieuw willen verbieden. De omkering van de normatieve default betekent niet dat de vrijwillige minderheid over één kam wordt geschoren met de onvrijwillige meerderheid, maar dat deze prostitutie-elite volgens goed Hollandse tradities onder voorwaarden kan worden gedoogd.
We moeten dus een middenweg vinden tussen het paternalistisch verbieden van betaalde seks en de antipaternalistische reflex die zegt dat sekswerkers het recht hebben om zelf te kiezen hoe ze hun leven willen inrichten. Het is niet aan de overheid om uit te maken wat goede of slechte seks is. Maar anderzijds moet de keuzevrijheid niet zodanig worden verabsoluteerd dat morele oordelen over prostitutie taboe zijn. Het gevaar van dit liberale antipaternalisme is niet alleen dat de meerderheid van de 'gevallen vrouwen’ daarvan het slachtoffer wordt, maar ook dat pooiers, mensenhandelaars en uitzuigers de vrije hand krijgen. Daarom is een beleid van terugdringing en ontmoediging nodig waarbij ook de eufemistische term 'sekswerk’ van zijn betekenissen van normaliteit, productiviteit en respectabiliteit wordt ontdaan. PVDA-bestuurders als Asscher in Amsterdam (op de Wallen geen prostitutie meer tussen vier en acht uur ’s nachts, de leeftijdsgrens van 18 naar 23 jaar) en Wolfsen in Utrecht (boten aan het Zandpad sluiten en een avondklok tussen twee en zes) maken hier een noodzakelijk begin mee.
Volgens Simon Verduijn gaat het prostitutievraagstuk uiteindelijk over de vraag welke collectieve normen we hanteren en welke ideale samenleving we willen nastreven: bijvoorbeeld een samenleving waarin geen vraag (meer) bestaat naar betaalde seks. Dit normatieve aspect ontbreekt in het Nederlandse prostitutiebeleid, dat vooral realistisch en pragmatisch is: er zal altijd vraag zijn naar betaalde seks en vrouwen zullen zich daar altijd voor beschikbaar stellen. De vrije dynamiek van vraag en aanbod is leidend, zolang er geen sprake is van dwang of fysieke schade.
Cultureel libertaire partijen als D66, GroenLinks en de VVD blikken met genoegen terug op verworvenheden van de paarse kabinetten als de legalisering van abortus en euthanasie, het homohuwelijk, de verruiming van de winkeltijden en de opheffing van het bordeelverbod. Na voorbereidend werk van D66-minister Sorgdrager zorgde VVD-minister Korthals in 2000 ervoor dat het in 1911 ingestelde verbod ongedaan werd gemaakt. Daarbij ontstond er een hardnekkig misverstand over de inhoud van de geschrapte artikelen 250bis en 432 van het Wetboek van Strafrecht. Die stelden immers niet zozeer de prostitutie als zodanig maar het souteneurschap strafbaar, oftewel degene 'die van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door anderen met derden een beroep of een gewoonte maakt’.
Het bordeelverbod van 1911 had expliciet de bedoeling om niet de slachtoffers maar de daders (vrouwenhandelaren en bordeeleigenaars) aan te pakken. Prostitutie is in Nederland nooit als zodanig verboden geweest. In feite leidde de opheffing van het bordeelverbod in 2000 dus niet zozeer tot de legalisering van 'sekswerk’ als wel tot de legalisering van 'pooierarbeid’. Tegelijkertijd werd het artikel over mensenhandel in het WvS aangescherpt, zodat gedwongen prostitutie en seksuele uitbuiting hier ook onder gingen vallen. Maar het is in Nederland formeel niet strafbaar om zonder tegenprestatie financieel voordeel te trekken uit sekswerk, tenzij de prostituee aantoonbaar tegen haar wil werkt.
Verschillende rapporten, zoals dat van het WODC uit 2007, stellen vast dat het aantal prostituees met pooiers sinds 2000 niet is afgenomen. Vooral in de raamprostitutie is er vrijwel geen prostituee die zonder pooier werkt, zeggen zowel bestuurders, hulpverleners als de prostituees zelf. De Projectgroep Emergo, een vierjarig samenwerkingsverband van de gemeente Amsterdam, het Openbaar Ministerie, de politie en de Belastingdienst, constateert hetzelfde: 'In theorie hoeft dit niet per definitie een probleem te zijn. In de praktijk komen er naar hun ervaring (van kenners van de Wallen) geen goede pooiers voor.’ De PVDA'ers Asante en Schaapman pleiten dan ook voor een aanscherping van het prostitutiebeleid door middel van een landelijke escortwet, verhoging van de minimumleeftijd van 18 naar 21 jaar en een hardere aanpak van mensenhandelaren. Kern van de Amsterdamse nota Oud beroep, nieuw beleid (2007) is de aanpak van pooiers en loverboys door middel van een groot aantal preventieve, ontmoedigende en vervolgingsmaatregelen, en het opnieuw strafbaar stellen van 'het rechtstreeks en eenzijdig financieel voordeel trekken uit de relatie met een prostituee’.
Het christen-sociale kabinet Balkenende-Bos heeft in dit dossier voor een paternalistische wending gezorgd. In het coalitieakkoord werd de prostitutiebranche 'een broeinest van zwartwerken, vrouwenhandel en witwassen’ genoemd. In 2009 dienden PVDA-minister Ter Horst en CDA-minister Hirsch Ballin het wetsvoorstel 'Regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche’ in bij de Tweede Kamer, met onder meer een registratieplicht voor prostituees, een vergunningsplicht voor bordelen en andere seksbedrijven en een scherper toezicht door gemeenten. Ook de klant van niet-geregistreerde prostituees werd in principe strafbaar gesteld. Later werd een leeftijdverhoging toegevoegd voor inschrijving in het landelijk register van 18 naar 21 jaar. De behandeling van de wet kwam stil te liggen door de val van Balkenende IV, maar werd weer opgepikt in februari 2011 door de ministers Donner (CDA) en Opstelten (VVD) in het kabinet-Rutte.
Behalve de PVDA zijn dus ook andere voormalig paarse partijen aan het schuiven. Opvallend genoeg benadrukten twee medewerksters van de Telders Stichting (de VVD-denktank) al in 2007 in een reactie op Schaapmans pamflet dat liberalisme niet hetzelfde was als 'een libertijnse cultuur die dwang tussen mensen onderling gedoogt, de bevrediging van “natuurlijke driften” boven de integriteit van het menselijk lichaam stelt en vrijheid gelijkstelt aan wetteloosheid’. Zij keerden zich tegen moralisme, behalve waar de vrijheid en veiligheid van individuen in het geding waren. In het geval van prostitutie was meer dwingende wetgeving nodig, bijvoorbeeld een gedeeltelijk herstel van het souteneursverbod. Andere liberale partijen zoals D66 en GroenLinks zijn nog niet zo ver. D66 blijft voorstander van een legale prostitutiebranche, vooral omdat de Nederlandse openheid de beste garantie zou bieden voor controle en veiligheid. De partij wil geen 'war on sex’ voeren op de Wallen: raamprostitutie hoort nu eenmaal bij dat leuke beeld van 'monumentale panden langs de zeventiende-eeuwse grachten - met een stout Amsterdams sausje’.
Ook volgens brancheorganisaties als De Rode Draad is het wetsontwerp stigmatiserend voor prostituees en hun klanten, en heeft een nieuwe antipooierwet geen enkele zin. Maar het is wel degelijk zaak om het ingezette ontmoedigingsbeleid zowel landelijk als lokaal voort te zetten, aan te scherpen en te formaliseren. De morele default en de feitelijke bewijslast moeten worden omgedraaid: in plaats van de premisse van vrijheid moet de premisse van onvrijheid gelden. Net als in het antirookbeleid kunnen we een gedoogvariant inbouwen voor kleine zelfstandige ondernemingen (eenvrouwszaken) waar aantoonbaar vrijwillig wordt 'gehandeld’. Anders dan van roken ga je van seks zelden dood. Maar laten we op dit punt wat minder trots zijn op de libertaire erfenis van Paars, die in plaats van de vrouwenbevrijding eerder het omgekeerde ervan, de pooiervrijheid, heeft gediend.


Dick Pels is directeur van Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks. Dit is een korte versie van een hoofdstuk uit Dick Pels & Anna van Dijk (red.), Vrijzinnig paternalisme: Naar een groen en links beschavingsproject (Amsterdam 2011, Bert Bakker), dat 24 oktober in Dudok in Den Haag wordt gepresenteerd