Profiel Gianfranco Fini

Zelfverklaard respectabel politicus

Berlusconi’s minister van Buitenlandse Zaken Gianfranco Fini praat liever over de toekomst dan over het fascistische verleden.

ROME – Ooit was Gianfranco Fini een neofascistische straatvechter in Rome. Vorige week benoemde de Italiaanse premier Silvio Berlusconi hem tot minister van Buitenlandse Zaken. Is Fini in de loop der jaren veranderd? Of is de wereld om hem heen zo veranderd dat hij bij de internationale diplomatie salonfähig kon worden?

Toen Berlusconi begin 2002 zijn vice-premier Fini benoemde tot vertegenwoordiger van de Italiaanse regering in de Conventie die een ontwerp moet maken voor het Europees Grondwettelijk Verdrag, stuitte dat nog op flink verzet. Nederland, België, Zweden en Duitsland bestreden Fini’s benoeming op formele gronden en vermeden om over zijn persoon te spreken. Maar ze lieten hun bezwaren vallen toen bleek dat als Fini tegengehouden zou worden ook de Italiaanse socialist Giuliano Amato uit de Conventie zou verdwijnen. Dat wilde niemand. Jozias van Aartsen, toen nog Nederlands minister van Buitenlandse Zaken, hielp onder het motto «realiteiten zijn realiteiten» de weg voor Fini in de Conventie vrij te maken.

Voor Fini was de Conventie een instrument om zichzelf in Europa een aanvaardbare status te bezorgen. Hij leverde binnen het gezelschap van parlementariërs en regeringsvertegenwoordigers van de Conventie een serieuze bijdrage tot de discussie. Tevreden zei Fini mij vorig jaar dat Joschka Fischer, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, in de Conventie zijn «belangrijkste makker» was. In de tijd dat Fischer met de linkse Spontibewegung in Frankfurt straatgeweld gebruikte deed Fini dat met de neofascistische jeugdbeweging Fronte della Gioventù in Rome.

Fini vertelde dat hij nooit met Fischer over beider verleden heeft gesproken. Volgens hem moet er niet naar het verleden gekeken worden, maar naar de toekomst. De tijd van ideologieën is volgens hem voorbij. Links en rechts zijn begrippen van een voorbije tijd. In het huidige Europa met gemeenschappelijke waarden worden meningsverschillen alleen nog pratend opgelost.

Fini praatte op een manier die sterk deed denken aan zijn geestelijke vader in de politiek, Giorgio Almirante, de oprichter van de Italiaanse neofascistische partij, Movimente Sociale Italiano (MSI). Toen ik die in 1979 sprak over de eerste directe verkiezing van het Europees Parlement in dat jaar was hij ook vooral bezig met de vraag hoe hij door de grote politieke partijen in Europa serieus genomen kon worden. Hij gebruikte daarbij de regel dat praten over de toekomst meer zin heeft dan praten over het verleden. Almirante hoopte dat de steun van zijn MSI onmisbaar zou zijn voor partijen die communisten en links in het algemeen wilden bestrijden. Fini wil onmisbaar zijn in de postcommunistische tijd.

De 52-jarige Fini is sinds zijn negentiende jaar lid van de MSI geweest. Hij klom snel op in de partijorganisatie. Hij werd lid van het centraal comité en hij werd leider van de jongerenbeweging die eind jaren zeventig in Italiaanse steden jongeren met een «links uiterlijk» (lange haren, jeans) in elkaar sloeg of zelfs vermoordde. Links sloeg overigens even hard terug. Het was het zijtoneel van het grote terror isme in Italië, waarbij extreem-rechts verantwoordelijk was voor bomaanslagen met veel toevallige doden en linkse terreurgroepen als de Rode Brigades doelgerichter moordden.

In 1987 volgde Fini Almirante op als leider van de MSI. Hij werkte in «Eurorechts» samen met het extreem-rechtse Franse Front National van Jean-Marie le Pen. Samen met Le Pen bezocht hij in 1990 in Bagdad Saddam Hoessein om de bevrijding van westerse gijzelaars te bepleiten. In 1994 liet hij de MSI opgaan in de Alleanza Nazionale. Hij wilde dat de kleine neofascistische MSI door middel van de Alleanza Nazionale de basis zou vormen van een brede rechtse volkspartij. Dat slaagde niet, omdat inmiddels mediamagnaat Berlusconi had besloten om met zijn beweging Forza Italia de politiek in te gaan. Fini had geen andere keus dan met Berlusconi een verbond te sluiten.

In 1994 zei Fini nog dat de Italiaanse fascistische dictator Benito Mussolini «de grootste staatsman» van de twintigste eeuw was. Wie hem daar nu toelichting op vraagt, krijgt niet te horen dat hij tien jaar geleden waanzin sprak. Fini zegt alleen dat hij dat op dit moment niet meer zou herhalen.

Als onderdeel van zijn manoeuvres om zich internationaal aanvaardbaar te maken, verklaarde Fini vorig jaar bij een bezoek aan het museum van de holocaust in Jeruzalem dat hij de Italiaanse rassenwetten uit 1938 veroordeelde. Hij sprak over «beschamende hoofdstukken uit de geschiedenis» van Italië en bekritiseerde de onverschilligheid waarmee de Italianen de rassenwetten aanvaardden. De Israëlische premier Ariel Sharon ontving Fini daarna hartelijk als een Europese verdediger van Israëlische belangen, die in strijd met Europese afspraken de bouw van de muur om de Westelijke Jordaanoever een daad van «zelfverdediging» had genoemd.

Veel kranten schreven vervolgens dat Fini afstand had genomen van het fascistische verleden. Maar zo ver was de Italiaanse vice-premier helemaal niet gegaan. Hij hield vast aan zijn stelling dat het belangrijker is om zich op concrete zaken van dit moment te richten dan op de vraag of er excuses over het verleden nodig zijn. Hij heeft het symbool van de MSI – een vlam in de kleuren van de Italiaanse vlag – opgenomen in het embleem van de Alleanza Nazionale. Oude kameraden moeten zich blijven herkennen in de rechtse volkspartij die niet meer aan straatterreur en het plaatsen van bommen doet.

Fini is lang niet de enige in Italië die over het fascistisch verleden liefst zo weinig mogelijk praat. De Italiaanse grondwet heeft na de Tweede Wereldoorlog bepaald dat heroprichting van de fascistische partij verboden is. Maar niemand verhinderde dat Giorgio Almirante samen met anderen in 1946 de neofascistische MSI oprichtte en daarna van 1948 tot 1988 lid van het Italiaanse parlement was. Almirante was een van de laatste trouwe aanhangers van dictator Mussolini geweest. Hij was Mussolini gevolgd tot bij zijn laatste stuiptrekking, de Repubblica Sociale Italiana, meer bekend als de Republiek van Salò, een stadje aan het Gardameer. In deze door de Duitsers geleide fascistische ministaat was hij kabinets chef van de minister van Volkscultuur.

Het was allemaal geen belemmering voor het bestaan van de neofascistische partij in Italië. Er is wel meer uit de Mussolini-tijd overeind gebleven. In Spanje is op dit ogenblik een discussie aan de gang over de sloop van een Franco-monument in Madrid. In Rome zou het absurd zijn om te bepleiten dat de marmeren obelisk, waarin Mussolini’s naam triomfantelijk gebeiteld staat, neergehaald moet worden.

De Italiaanse christen-democraten en socialisten hebben na de Tweede Wereldoorlog ook stilzwijgend het door Mussolini opgezette conglomeraat van staatsondernemingen overgenomen. Ze wilden hun eigen zetbazen op sleutelfuncties in de industrie benoemen. Daarmee legden zij de basis voor de corruptieschandalen waaraan hun partijen in het begin van de jaren negentig ten onder gingen.

Sindsdien is in Italië een nieuwe tijd aan gebroken. Niet alleen heeft Fini de oude MSI omgezet in de Alleanza Nazionale; Berlusconi heeft de belangen van bedrijven en politiek weer samengebracht, maar langs een andere weg dan in Italië gebruikelijk was. Hij is zich niet als politicus met bedrijven gaan bemoeien, maar is als ondernemer in de politiek gestapt.

Berlusconi, met zijn dikwijls platvloerse grappen, heeft voor de buitenwereld in elk geval met Fini een minister van Buitenlandse Zaken die in Europa de naam heeft verworven een respectabel politicus te zijn.