Zen en de kunst van het koeiemelken

DE MEEST merkwaardige recepten staan in het boek verwerkt. Wat te denken van een speciaal mengsel om coyotes te lokken opdat ze regelrecht in je val lopen. Je hebt er twee weckflessen voor nodig en dode veldmuizen, beekforel en de reukklieren van een pasgedood stinkdier. Als dat weken heeft staan rotten, moet je nog op zoek naar anijszaad, wat hertenhaar om het mengsel dikker te maken, en coyote-urine uit de blaas van een wijfje dat is gedood toen ze loops was. En wat moet je met een middel tegen dood door bliksem? Het is heel eenvoudig: ‘Dompel de door bliksem getroffen dode twee uur lang in koud water onder; doe er als de dood voortduurt azijn bij en laat nog een uur staan.’

Zulke voorschriften staan, naast meer traditionele aanwijzingen voor het bakken van honingcake, frambrozenbrood en haverkoekjes, in De genezende kracht van bliksem, de betoverende debuutroman van de Canadese schrijfster Gail Anderson-Dargatz. Met Anne Michaels en Ann-Marie MacDonald behoort ze tot de nieuwe sterren van de Canadese literatuur. De vreemde recepten in haar roman heeft ze niet uit haar duim gezogen: ze heeft ze uit het plakboek van haar grootmoeder. Tot in de jaren vijftig hielden Canadese vrouwen en mannen plakboeken bij die kookboek, medische encyclopedie en fragmentarisch dagboek in één waren. Primitieve boeken waren het, gemaakt van repen behang, kruidenierszakken en winkelpapier.
‘In Canada krijgen veel jonge vrouwen, net als ik, het plakboek van hun grootmoeder’, vertelt Anderson-Dargatz. 'Het is een traditie die wordt doorgegeven. Ik heb zelf ook een plakboek gemaakt, waarin ik recepten en remedies heb gekopieerd uit plakboeken van andere familieleden. Ze bewaarden hun plakboeken allemaal. Het recept voor de coyote komt van mijn vader. De recepten en de familieverhalen die erbij horen, waren het begin van mijn boek.’
DE GENEZENDE kracht van bliksem vertelt het verhaal van de vijftienjarige Beth Weeks, die opgroeit aan de rand van zo'n typisch pioniersstadje met één dorpsstraat waaraan één dorpskruidenier ligt. Ze woont in het laatste huis voor het aangrenzende Indianenreservaat, waar respectabele meisjes geen voet mogen zetten. Beth leeft in een magische wereld: in de Schildpadvallei leven zo veel schildpadden dat je de schilden hoort kraken als je er met de wagen door rijdt; er verdwijnen zomaar meisjes en of die door een beer zijn opgegeten is maar de vraag; haar moeder steekt hele monologen af tegen haar dode grootmoeder; en zelf heeft Beth het gevoel dat ze door een onzichtbare geest wordt achtervolgd. Het is Beth die door de bliksem wordt getroffen in het boek. Ze houdt er een gevoelige arm aan over en wordt er een ander, sterker mens van.
'De wereld die ik beschrijf is niet zo vreemd als ze lijkt’, zegt Anderson-Dargatz. 'Ik heb er natuurlijk fictie van gemaakt en de dingen uitvergroot en vervormd, maar ik groeide zelf op naast zo'n Indianenreservaat. Door mijn boerenafkomst hoef ik niet ver om me heen te kijken om de magie te zien. Er is een scène in het boek waarin opeens bloemen naar beneden regenen. Dat gebeurt. Als er een storm opsteekt kunnen kleine blauwe bloemetjes door het hele landschap dwarrelen. Er is echt een schildpadvallei in de omgeving waar ik vandaan kom. De schildpadden steken de weg over in zulken groten getale dat je moet stoppen en ze van de weg moet zetten, anders rijd je over ze heen.’
Behalve sprookjesachtig is De genezende kracht van bliksem ook aards en concreet. Gail Anderson-Dargatz neemt er pagina’s de tijd voor om te beschrijven hoe een koe wordt gemolken. Of beter: ze laat zien op hoeveel verschillende manieren je kunt melken. Ongeduldig, slaperig, boos, zacht - de manier waarop het gebeurt, is af te luisteren aan de manier waarop de melk in de emmer ruist. Gedetailleerd tekent ze op hoe je een kip slacht en schoonmaakt. Belangrijk advies: laat een geslachte kip behoorlijk afsterven in een emmer koud water, anders is zij zo taai als een oude legkip.
Anderson-Dargatz: 'Die beschrijvingen heb ik vooral gegeven omdat het boek over een tijd gaat die voorbij is. Het verhaal speelt in de jaren veertig. Als ik een personage een koe laat melken, weten de meeste mensen niet meer wat dat betekent. Ze kennen de geur niet, de smaak, de geluiden. Ze weten niet dat het iets heel kalmerends kan hebben om te melken. Iets meditatiefs zelfs. Ik wilde er aandacht aan geven, omdat het voor die tijd een deel was van wie je was. Net als het doden van een kip en het maken van vuur. En ik wilde laten zien wat verdwenen is. De schoonheid van het doden van een kip.
We zoeken allemaal naarstig naar betekenis in onze levens. De echte betekenis wordt vaak gevonden in de heel kleine gewone dingen die we doen. Natuurlijk is er een hele school van zenboeddhisme die zegt dat louter het kappen van hout al een vorm van meditatie of een gebed kan zijn. Of het melken van een koe. Maar we rennen allemaal van hot naar her en zijn geneigd dat te vergeten. Er zit veel poëzie in het boerenleven.’
'MENSEN DENKEN dat ik zelf zo ben opgegroeid, maar dat is niet waar. Ik ben meer geïnteresseerd in het leven van anderen. Een schrijver lijkt op een acteur. Een acteur stapt ook in het leven van een ander, leert zo veel over die ander als hij kan en probeert de ander écht te maken. Ik doe dan ook onderzoek. Voor dit boek heb ik veel gepraat met boeren van de generatie van mijn ouders. Dan hoor je bijvoorbeeld dat boeren in die tijd hun ondergoed te drogen hingen in kussenslopen, zodat een man die toevallig het erf op liep niet geërgerd of opgewonden zou raken.’
Ze is wel geboren in een boerenfamilie. Anderson-Dargatz: 'Mijn ouders waren al behoorlijk oud toen ze mij kregen. Ze hadden zich al wat teruggetrokken uit het boerenleven, maar we hadden nog wel een klein soort hobbyboerderij en mijn vader hield nog schapen. Ik ben met een boer getrouwd en we hebben nog steeds iets van een boerderij met koeien, maar het is niet onze eerste bron van inkomsten. Ik sta nog wel met één been in het boerenleven.’
HET BOERENLEVEN, zo blijkt uit De genezende kracht van bliksem, is niet alleen poëtisch. Het is bovenal hard en angstaanjagend. Aan het begin van de roman is net een klasgenootje van Beth door een beer gedood; er waren hele happen uit haar genomen.
'Het is hier in Nederland niet voorstelbaar’, legt Anderson-Dargatz uit, 'maar in Canada zien mensen zichzelf niet alleen als jagers en plunderaars, maar als mensen op wie gejaagd kan worden. Er zijn beren en een soort gigantische wilde katten. Nee, het zijn geen lynxen, ze zijn veel groter. In de tijd van mijn ouders maakte die angst deel uit van het dagelijks leven. Mijn ouders waren schaapherders, ze namen de schapen mee de bergen in, waar grizzlyberen leven. Er werd elke week wel een beer geschoten. De beren vielen de schapen aan en als ze de kans kregen vielen ze jou aan. Ik ben het enige lid van mijn familie dat nooit door een beer is belaagd. Als je die ervaring hebt gehad hou je wel op met over jezelf te denken als een beschermer van de natuur. Mijn ouders namen als kinderen van tien geweren mee naar school. Op de terugweg jaagden ze. Als ze een konijn of een korhoender schoten, namen ze die mee naar huis voor het avondeten. Als je in dat landschap hebt geleefd zie je de natuur en de wildernis niet meer op dezelfde manier.
Al wonen de meeste Canadezen nu in de stad en is de afstand tot de wildernis sterk toegenomen, de angst leeft nog voort. De oude ervaringen in de wildernis en confrontaties met andere wezens hebben diepe angsten veroorzaakt die kennelijk niet zomaar verdwijnen. Als we nu gewond raken is dat door een ander menselijk wezen en niet door een dier. Maar als we ons in de wildernis begeven of op donkere plekken komen, zijn we bang. Het is een projectie van een oerangst die als het ware is aangeboren.
Als je in nauw contact met de natuur leeft, zet dat tot mythevorming aan. Als je bijvoorbeeld te maken krijgt met de coyotes, de prairiewolven waar het in het boek ook over gaat, dan zie je snel waar de oorspronkelijke Amerikaanse en Canadese mythologie vandaan komt. De verhalen over mythische schurken en schapendieven. De coyote is een heel intelligent dier en kan net als die mythische bedriegers opeens verschijnen en verdwijnen. Je kijkt naar het beest en het is weg. Ze verdwijnen heel snel in het landschap en worden het landschap.
Coyotes zijn grapjassen, ze proberen je te bedriegen. Mijn ouders vertellen nog steeds verhalen over coyotes die dronken worden van gefermenteerd fruit en het gezelschap van de plaatselijke honden zoeken. Ze doen mensen geen vlieg kwaad, maar in de mythologie zijn ze veel machtiger. Toen ik dit boek schreef, raakte de mythologie over de coyote vermengd met de meer Europese mythologie over weerwolven. De weerwolf is een wolf die een mens is geworden en soms terugvalt in zijn wolfse staat. De weerwolf is een overgangsfiguur. Want langzaam maar zeker zijn onze angsten natuurlijk toch aan het veranderen. We worden minder bang voor andere dieren en banger voor andere mensen.’
ALS ER IN De genezende kracht van bliksem sprake is van angst voor mensen, dan is dat vooral voor de Indianen in het naburige reservaat. De oude Indiaanse Bertha - 'die squaw’ -, die de familie van Beth af en toe bezoekt met een stoet van dochters en kleindochters in haar kielzog, wordt met een mengeling van fascinatie en angst bekeken. De wereld van het reservaat is een wereld die je op afstand moet houden. Het is er gevaarlijk, denkt Beth.
Anderson-Dargatz: 'Nu nog gaan weinig witte mensen een Indianenreservaat binnen, tenzij ze een verdomd goede reden hebben. Bij sommige reservaten staat ook een groot bord: “U bent niet welkom”. De segregatie is nu in veel opzichten groter dan in de tijd van mijn ouders.
Toen waren de Indianen ook vreemd, maar tegelijk werd er onderling getrouwd en samengewerkt. Ze hadden dezelfde levensstijl. De witte mensen leefden tot in de jaren veertig en vijftig vaak als pioniers. Een nogal boerse en primitieve manier van leven. Je had heel veel niet wat nu vanzelfsprekend is. Je had zeker geen toilet, je ging de bosjes in of naar een koud stinkend huisje buiten.
Ik denk dat wat in Canada met de Indianen is gebeurd veel parallellen heeft met wat er gebeurd is in de Verenigde Staten. De Indianen werden, vaak met de beste bedoelingen, gedwongen zich te assimileren. Indianenkinderen werden bij hun ouders weggehaald en er werd alles op alles gezet om 'good little white kids’ van ze te maken. Hun cultuur werd de Indianen afgenomen, pas nu richt die cultuur zich weer wat op. Maar er zijn nog veel sociale problemen in de reservaten. Alcohol- en drugsverslaving en werkloosheid vooral. Een Indiaanse man heeft de helft van de levensverwachting van een witte man.
Het gaat langzamerhand beter. Er is nu meer assimilatie, maar dan niet onder druk. Het lijkt op het proces dat mijn grootvader is doorgegaan. Hij was Zweeds. Ik weet niets van de Zweedse cultuur, ik spreek geen Zweeds, we eten geen Zweeds eten. Toen mijn grootvader naar Canada immigreerde had hij koffers vol Zweedse spullen bij zich. De generatie van mijn ouders omringde zich al veel minder met Zweedse dingen en voor mij zijn ze helemaal niet belangrijk meer.
De hele bevolking van Canada bestaat natuurlijk uit immigranten. Er zijn Zweden en Duitsers en Oekraïners en veel Engelsen en Fransen. Aan de westkust wordt meer Japans dan Engels gesproken. Het rare is, hoe geassimileerd we ook zijn, we zijn niet snel geneigd om te zeggen dat we Canadees zijn. Als iemand in Canada je vraagt welke nationaliteit je hebt, zeg je: ik ben Zweeds, ik ben Schots, ik ben Brits. Zelfs als je derde generatie bent. Zelfs als je de taal helemaal niet meer spreekt, en hetzelfde leeft als iedereen in Canada.’