Decamerone 2020

Zes mannen en God

Er waren eens zes mannen die niets met elkaar te maken hadden.

De eerste man maakte op een ochtend, vroeg in het voorjaar, een wandeling en zag God in een sloot liggen.

Hij bleef staan en vroeg: ‘Bent u in de sloot gevallen?’

God keek omhoog en antwoordde: ‘Ja, wat denk je, dat ik erin gesprongen ben?’

‘Dat had gekund’, zei de man.

‘Nee, dat had niet gekund!’ schreeuwde God. ‘Waarom zou ik in een sloot springen? Ik ben God!’

‘Dat wist ik niet.’

‘Dan weet je het nu!’

De man dacht even na en zei toen: ‘Zal ik u helpen weer op de kant te komen?’

‘Denk je soms dat ik dat zelf niet kan?’ vroeg God.

‘Jawel’, zei de man, ‘maar ik… eh… dacht, misschien kan ik u behulpzaam zijn, ik weet het niet, iets terugdoen misschien…’

‘Iets terugdoen… hou toch op!’ snauwde God. ‘Waarvoor?’

De man voelde zich steeds ongemakkelijker worden en liep door.

‘Of denk je soms dat ik wanhopig ben…’ riep God hem nog achterna.

De man trok zijn muts over zijn oren en versnelde zijn pas. Hij is weer eens boos op mij, dacht hij.

Die man was niet anders gewend.

De tweede man stond hoog aangeschreven en werd door de regering ingehuurd om de naam van God op te vijzelen.

Er was daar, zoals een woordvoerder zei, de klad in gekomen. God werd steeds vaker gekleineerd en gedegradeerd tot spookbeeld, hersenschim, valse voorspiegeling of drogreden. Niemand was daar gelukkig mee.

Verzin een of meer wonderen, vroeg men hem, een onverwachte interventie of eenplotselinge verschijning aan de vooravond van een feestdag of een verkiezing of zoiets…

De man voerde zijn opdracht uit, maar hij deed meer: hij verzon een paar ernstige vergissingen bij de pijnlijke vergissingen die God door de eeuwen heen al had begaan en waarvan iedereen de gevolgen dagelijks ondervond.

Hij genoot van zijn werk en de mensen hadden niet in de gaten dat híj het was waardoor de tijden woelig, onrustig en zenuwslopend werden.

Die man aarzelde nog of hij God ook een fatale fout zou laten begaan.

De derde man was een kunstenaar, die op een keer niet kon slapen en midden in de nacht God zijn kamer hoorde binnenkomen.

‘Slaap je?’ vroeg God.

‘Nee’, zei de man.

‘Je bent toch kunstenaar?’

‘Ja.’

De man was beeldhouwer.

‘Maak dan een beeld van mij’, zei God.

‘Maar u bent toch onzichtbaar?’ zei de man.

‘Daarom juist’, zei God.

De man zweeg.

‘Je moet mijn onzichtbaarheid zichtbaar maken’, zei God, ‘dat is toch de essentie van kunst?’

De man antwoordde niet. Wat God zei was zo ongeveer het grootste cliché dat hij kende. Het onzichtbare zichtbaar maken… schoonheid op heterdaad betrappen… achter de werkelijkheid kijken… Hij had een boekje met clichés over kunst. Die van het onzichtbare zichtbaar maken stond al op de eerste bladzijde daarvan. Het onhoorbare hoorbaar maken… het ondraaglijke draaglijk, het onzegbare zegbaar, het onzinnige zinnig, het ondoorgrondelijke doorgrondelijk… wel ja! Hij kon er zo nog wel honderd bedenken.

Hij viel in slaap. Maar hij was er wel van doordrongen dat God iets van hem, als kunstenaar, verlangde – dat was geen cliché – en dat hij een opdracht van hem niet zomaar kon afslaan.

De volgende ochtend in zijn atelier ging hij aan het werk.

Het werd een beeld van niks, dat hij uiteindelijk, na jaren van machteloosheid en woede, kapot sloeg.

Van God heeft die man nooit meer iets vernomen.

De vierde man kreeg een uitnodiging van God om bij hem op bezoek te komen.

De man nam de uitnodiging aan. Hij kocht een bosje fresia’s en belde bij het huis van God aan.

Even later zaten zij tegenover elkaar, dronken rode wijn, knabbelden op zoete wafels en spraken over van alles en nog wat.

Het was een gezellig bezoek.

Toen schraapte de man zijn keel.

‘Mag ik u iets vragen?’ vroeg hij.

‘Dat is goed’, zei God.

‘Mag ik even aan u ruiken? De bijbel vermeldt niets over uw geur’

‘Het is misschien een rare vraag, maar mag ik even aan u ruiken? Ik ben van kinds af aan nieuwsgierig naar uw geur. De bijbel vermeldt daarover niets.’

God vond het goed en de man boog zich over hem en snoof zijn geur diep in zich op.

Hij ging weer zitten en God vroeg: ‘Wat vind je ervan?’ Hij was daar nieuwsgierig naar, want hij kende zijn eigen geur niet.

‘Een intrigerende geur’, zei de man.

‘Verbaast hij je?’

‘Ja.’

‘Roept hij iets bij je op?’

De man dacht diep na, maar er kwam niets in zijn gedachten op waar de geur van God hem aan deed denken.

Daarna hadden ze het over geheel andere zaken.

Aan het eind van de avond zei de man dat hij weer eens ging.

‘Dat is goed’, zei God.

De man bedankte God voor zijn gastvrijheid.

Onderweg naar huis wreef hij in zijn handen. Ik ben de eerste mens die God heeft geroken! dacht hij. De allereerste!

De volgende ochtend begon hij een boek te schrijven dat hij Gods geur noemde.

Het werd een dik boek, want, zei hij toen het boek verscheen, God verenigt in zijn geur alle geuren van de wereld, van rotte vis tot lavendel, van bleekwater tot wierook, van angstzweet tot verse koffie, en als schrijver had hij zich tot taak gesteld die allemaal te benoemen.

God stoorde zich enorm aan die man en zijn belachelijke boek. Hij zorgde ervoor dat hij nooit meer ergens naar rook en nodigde niemand meer bij hem thuis uit. Hij had zijn les wel geleerd.

De vijfde man keek op een keer uit zijn raam en zag dat God zich wilde ophangen aan de onderste tak van de beuk achterin zijn tuin.

Het lukte God niet. Telkens schoot de strop over zijn hoofd, brak het touw, wilde de stoel waarop hij stond niet omvallen of bleek zijn nek te dik, te gespierd te zijn.

Het was alsof een nóg hogere macht hem tegenwerkte.

Alsof er zo’n macht bestaat… dacht de man.

Hij boog zich weer over het gedicht dat hij aan het schrijven was en hoorde God nog een tijd kreunen en zichzelf verwensen.

Toen hij even later weer naar buiten keek was God verdwenen.

Dit voorval herhaalde zich jarenlang bijna dagelijks voor het raam van de man.

Hij achtte het waarschijnlijk dat God om een of andere reden zijn goddelijkheid ondraaglijk vond en dood wilde, als mens, maar dat hij er niet in slaagde dood te gaan. Alsof alle mensen iets mochten, wat alleen hij niet mocht! Waarom niet? Van wie mocht dat niet?

Een verband met het schrijven van gedichten zag die man niet.

Wij zijn gelijkzijdige driehoeken, zei hij tegen zichzelf. Hij vond dat een verontrustende gedachte, hij kon niet uitleggen waarom.

De zesde man kende God. Ze waren bevriend geweest, maar elkaar ‘kwijt geraakt’, zoals de man het noemde.

Als hij God op straat tegenkwam, groette hij hem. ‘Dag God’, zei hij dan, of alleen: ‘Hallo.’

God keek hooguit even op, knikte en mompelde een groet die onverstaanbaar was.

De man had een zeker ontzag voor God, ook al was daar geen enkele reden toe. Hij voelde zijn hart sneller kloppen als hij God zag, al sloeg God net een hoek om, stond hij in een etalage te kijken of was hij met iemand in gesprek.

Op een keer liep God op straat tegen de man op, en niet lang daarna nog eens. Hij was in gedachten verzonken of hij had haast, dacht de man.

Maar misschien deed hij het met opzet. Dat laatste zou de man niet hebben verbaasd. Vroeger, toen zij nog vrienden waren, had God zich ook wel eens zonder aanleiding tegen hem misdragen, hem belachelijk gemaakt tegenover een meisje of zomaar een stomp in zijn buik gegeven.

‘Waarom kijk je niet uit?’ vroeg hij, toen het opnieuw gebeurde.

God mompelde wat, keek naar de grond.

‘Je kunt toch een stap opzij doen als je mij ziet aankomen? Dat doe ik ook als ik jou zie aankomen.’

Maar God leek niet te luisteren en maakte aanstalten om door te lopen.

Toen greep de man hem, rammelde hem door elkaar en zei: ‘Als je nog één keer tegen mij aan loopt, dan… dan…’

Hij wist niet wat hij dan zou doen, maar het zou wel afdoende zijn.

Diezelfde dag nog kwam hij God weer tegen en liep God dwars door hem heen.

Het lichaam van die man, met een gat er middenin, bleef op straat achter.

De volgende dagen en weken liep God door iedereen heen die hij tegenkwam, honderden, duizenden mensen. De straten raakten bezaaid met lijken.

Het was toen dat de mensen radeloos werden en op hun knieën vielen.

Maar daardoor liep God nog makkelijker door hen heen.

Zij die thuis bleven zagen wat er buiten gebeurde en zeiden tegen elkaar dat het grimmige tijden waren.

Ze wachtten op de bel of een klop op hun raam.

Ze wisten dat als ze God niet binnen lieten hij dwars door de deur naar binnen zou komen en in hun kamer door hen heen zou lopen of van bovenaf zich door hen heen zou laten vallen, als ze op bed lagen.

Ze wisten dat zeker.