Ger Groot

Zestien

Achterbergs gedichtencyclus Zestien is een van de mooiste uit de Nederlandse liefdes poëzie. «Van het meisje van zestien jaar/ zijn dit de borsten; neem ze maar/ zegt ze, je handen dorsten er naar…» Bij het lezen voelen de handen onwillekeurig de ronding.

Het moet een wensdroom van Achterberg zijn geweest, of beter nog: een idylle achteraf. Feiten waren bekend, maar er zijn feiten bijgekomen. Achterberg vermoordde zijn hospita, dat wisten we. Nieuw is dat die moord volgde op een poging tot verkrachting van haar dochter.

Een banale poging de moeder te beletten om hulp te schreeuwen en het afdwingen van het seksueel genot bij het meisje van zestien: daar is weinig lieflijks aan. «Neem ze maar» heeft die laatste kennelijk nooit gezegd. De cyclus is geen verslag van een romance maar van een waan of — onwelwillender — een poging tot verdoezeling.

Maakt het iets uit? Partijgangers van de pure poëzie of een literatuur waarin het biografische er niet toe mag doen, zullen het ontkennen. De tekst spreekt voor zich en vanuit zichzelf. Het probleem is dat hij dat nooit doet. We moeten altijd al een heleboel weten voordat zelfs het meest pure gedicht betekenis krijgt.

De vraag is dus niet óf we informatie over de wereld en het leven van de dichter nodig hebben, maar hoevéél. Geen tekst zonder context — maar waar eindigt de context van Zestien? Wie de verkrachtingspoging daarbuiten houdt, moet zich mentaal in bochten wringen. Van nu af aan wéten we wat aan die cyclus voorafging, en van de prins geen kwaad willen horen is even onmogelijk als de doof- en blindheid die van rechtbanken wordt verlangd bij onwettig verkregen bewijs. Vormaanbidders in de literatuur hebben nogal wat weg van dat soort rechtbanken, zonder het excuus te kunnen aanvoeren dat formalisme tot het ethos van hun vak behoort.

Het is een rare literatuuropvatting die een lezer dwingt zichzelf te censureren bij zijn interpretaties: we weten wel, maar mogen van onszelf niet weten… Zestien is onherroepelijk een bezoedelde cyclus geworden. Hij heeft de lieflijkheid verloren waarmee verliefde en naar verliefdheid hunkerende zestienjarige jongens hem konden prevelen. «Uw lippen stulpen/ hun sterke schulpen/ van geluk/ tegen de schelpen/ van mijn lippen…» Ja, ja.

Hadden we het kunnen weten? Er trilt al iets onrustbarends in Rok, halverwege de bundel, dat een ingehouden evocatie is van nauw bedwongen begeerte. «De rok, om het middel gesmeed,/ het milde lopen van de benen,/ het sterke staan der dunne schenen,/ in kuise saamgeslotenheid,/ hebben haar langzaam voorbereid.»

Wiens begeerte? Die van de bruid, die aan het slot zegt: «Ik ben gereed. Dit is mijn huid»? Of van de dichter, die in het strijken van de zoomrand langs de benen de streling ziet, en van de lezer die zich afvraagt waarom dat ongeëvenaard erotische kledingstuk vandaag de dag nog maar zo zelden wordt gedragen?

Wordt het gedicht zo een projectie van vuige verlangens op het onschuldige object daarvan, dat van de weeromstuit een perverse nimf wordt: onze verlangens als de háre? Ongetwijfeld, maar zo is de onwelvoeglijke wet van de passie. Daar is geen vrouwvriendelijke correctheid tegen gewassen.

Het inmiddels hoogbejaarde zestienjarige meisje heeft Achterbergs gedichten nooit willen lezen. Ze zijn te pijnlijk, zegt ze, en in zijn verdraaiing van de feiten voor haar ongetwijfeld ook misdadig onoprecht. Dat is begrijpelijk.

Voor ons, ooit zestienjarige lezers, is de cyclus plotseling niet meer de stem van het onbevlekte verlangen van het poëziealbum. Hij is, net als de woedende en wanhopige bundel Blauwzuur die Achterberg over zijn gevangenschap schreef, het verhaal van een gekte geworden. Wat hij vertelt is waan en hallucinatie: een schaamteloze erotisering van het hele universum.

En zo werd hij toch weer het verhaal van het liefdesverlangen, maar nu groot en volwassen geworden. Tederheid is daarvan altijd maar een deel geweest, van onder aangevreten door het beeldeninferno van de strelende rokzoom. Het crimineel geworden gedicht is meegegroeid met de passie die haar eigen onbehoorlijkheid heeft leren zien. De context verduistert zelfs de lieflijkste aanraking en maakt die vatbaar voor het kwaad: «In je pullover staan/ je borsten, proefgeboren,/ dwingend, horizontaal/ tegen het weefsel aan./ Ik voel een kleine kraal/ bij elke top behoren.»