Antroposofie doorgelicht op racisme

Zestien keer Steiner

Na een golf van kritiek besloot de Antroposofische Vereniging in Nederland het werk van Rudolf Steiner te bekijken op eventueel racisme. Een commissie onder leiding van jurist Ted van Baarda beoordeelde zestien dubieuze fragmenten.

1 Lezing over evolutie, 10 augustus 1928, Stuttgart ´Er kwamen tijden dat de lucht zich meer van het water had gereinigd, waar de klimaatsverhoudingen anders waren geworden, daar paste het achtergeblevene niet meer in. Zulke groepen van mensen, bij wie het bottenstelsel om zo te zeggen uitgestreden was, bleven dan als gedegenereerde mensenrassen achter. Zij konden geen plek meer vinden binnen de verhoudingen van de post-Atlantische tijd; en de laatste overblijfselen daarvan zijn de Amerikaanse indianen. Ze waren gedegenereerd. En ook diegenen bleven achter, bij wie niet alleen het bottenstelsel niet snel genoeg verhardde, maar ook het systeem, dat aan de voeding daarvan ten grondslag ligt, dat door de krachten van het etherische lichaam gecontroleerd wordt, zoals het bottenstelsel door de krachten van het fysieke lichaam gecontroleerd wordt. De laatste overblijfselen van die mensengroepen, bij wie het voedingssysteem verhard is, vormen heden het zwarte ras. En dan zijn er ook mensen, die gedegenereerd zijn omdat hun zenuwenstelsel in een vroeger stadium is verhard en niet lang genoeg zacht bleef, om tot werktuig te kunnen worden van een hoger denkstelsel – daar zijn de Maleisische rassen de laatste overblijfselen van. Daarom treft u bij hen bepaalde driften en instincten, bepaalde neigingen tot zinnelijke instincten. En tot slot zijn er ook mensen, bij wie in een bepaald stadium het Ik in het bloed, in de veruitwendigde uitdrukking van dat Ik, is verhard, als we dat zo zouden mogen zeggen. Deze mensen, die – symbolisch gesproken – zo verhard zijn in het bloed, hebben hun laatste nakomelingen in het Mongolische ras.ª

Oordeel commissie: ´In dit citaat worden verschillende rassen getypeerd op een wijze die bezwaarlijk is. Dit geldt in het bijzonder voor Steiners opmerking over de Amerikaanse indianen.ª

2 Lezing voor arbeiders, 3 maart 1923, Dornach ´Wijzelf, in Europa, noemen ons het witte ras. Als we overgaan naar Azië, is daar hoofdzakelijk het gele ras. En als we naar Afrika overgaan, hebben we daar het zwarte ras. Dat zijn ook de oorspronkelijke rassen. Al het andere, wat in die streken leeft, berust op immigratie. Dus we vragen ons af: wat behoort van deze delen van de aarde aan welke rassen toe? Zo moeten we toch vaststellen: tot Azië behoren de gele rassen, de Mongolen, het Mongoolse ras, en tot Europa behoort het witte of Kaukasische ras, en tot Afrika behoort het zwarte ras of de negerrassen. Het negerras hoort niet in Europa, en het is natuurlijk ongehoord (Es ist natürlich ein Unfug) dat het tegenwoordig in Europa zo’n grote rol speelt.ª

Oordeel commissie: ´Met het woord ‘Unfug’ gebruikt Steiner een afkeurende morele kwalificatie. Die kwalificatie heeft betrekking op ‘so eine grosse Rolle’ van zwarten in Europa, die niet anders wordt gemotiveerd dan met de opmerking dat de verscheidene raciale groeperingen thuis horen op het door hen van oudsher bewoonde gedeelte.ª

3 Idem ´Laat ons nu de zwarten in Afrika in ogenschouw nemen. Deze zwarten in Afrika hebben als kenmerkende eigenschap, dat zij al het licht en al de warmte in het wereldruim opzuigen. Ze nemen dat allemaal op. En dit licht en deze warmte in het wereldruim, kan niet door het hele lichaam heen, omdat een mens altijd een mens is, zelfs als hij zwart is. Het gaat niet door het hele lichaam heen, maar houdt zich op aan de oppervlakte van de huid, en daar wordt de huid dan zelf zwart. Dus de Afrikaanse zwarte is een mens die zoveel mogelijk warmte en licht van het wereldruim opneemt en in zich verwerkt.ª

Commentaar commissie: ´Het lijkt of Steiner met de zin: ‘weil ja der Mensch immer ein Mensch ist, selbst wenn er ein Schwarzer ist’ aan zijn gehoor meende te moeten uitleggen dat negers ook mensen zijn, omdat het zich wellicht bij zwarten in Afrika exotische, onderontwikkelde volksstammen voorstelde. Het lijdt echter geen twijfel, dat de lezer die deze uitspraak 75 jaar na dato leest, de betreffende zinsneden als ernstig beledigend kan ervaren.ª



4 Idem ´Toen de gelen naar het oosten trokken, werden ze bruin. Daar ontstonden toen de Maleiers, die werden bruin. Waarom? Ja, waarom werden ze bruin? Wel, als ze geel zijn, werpen ze een bepaalde graad van licht terug; het andere nemen ze op. Toen ze bruin werden door de andere manier waarop ze onder de zon leefden, omdat ze van een ander deel van de aarde kwamen, dan werpen ze minder licht terug. Ze nemen meer licht in zich op. Dus deze bruine Maleiers zijn weggetrokken Mongolen, die echter nu, omdat de zon anders op hen inwerkte, eraan wennen meer licht en warmte in zich op te nemen. Bedenkt u echter, dat zij daar de natuur niet voor hebben. Ze hebben zich al aangeleerd, over zo’n bottenstelsel te beschikken, dat ze maar een bepaalde graad van warmte kunnen opnemen. Ze hebben niet de natuur zoveel warmte op te nemen, die ze nu als Maleiers opnemen. Het gevolg daarvan is, dat ze beginnen onbruikbare mensen te worden, dat ze beginnen mensen te worden bij wie het menselijk lichaam verbrokkelt, waarvan het lichaam afsterft. Dat is inderdaad bij de Maleisische bevolking het geval. Die sterft aan de zon. Die sterft aan de oostelijkheid. Zodat men kan zeggen: terwijl de gelen, de Mongolen, nog in hun volle kracht zijn, zijn de Maleisen al een uistervend ras. Ze sterven uit.

Toen de negers (…) naar het westen trokken, toen konden ze niet zoveel licht en warmte meer opnemen als in hun Afrika. Daar kwam hen minder licht en warmte toe. (…) Daardoor werden ze koperrood, werden indianen. Dat werd veroorzaakt door het feit dat ze nu wat licht en warmte terugwierpen. Dat glanst dan zo koperrood. Dat konden ze niet uithouden. Daardoor sterven ze als indianen in het westen uit, vormen ze weer een ondergaand ras, sterven ze aan hun eigen natuur, die te weinig licht en warmte krijgt, sterven aan het aardse.ª

Commentaar commissie: ´Het is opmerkelijk dat Steiner hier zowel de Maleiers als de indianen een uitstervend ras noemt dat ten onder zal gaan. Voor beide rassen is dat een onjuiste bewering. In dit citaat komen verschillende bezwaarlijke formuleringen voor. Voor de commissie was de woordkeuze ‘unbrauchbare Menschen’ doorslaggevend. Het is principieel in strijd met de rechten van de mens om überhaupt te spreken van onbruikbare mensen.ª



5 Idem ´Ziet u, zo heeft de zaak zich ontwikkeld, dat er vijf rassen ontstonden. Men kan zeggen: in het midden wit, zwart en geel, en als een zijtak van het zwarte koperrood, en als zijtak van geel het bruine – dat zijn altijd de uitstervende delen.

De witten zijn eigenlijk zij die het menselijke in zich ontwikkelen.ª

Commentaar commissie: ´Hier richten de bezwaren zich tegen de volzin waar wordt gesproken over uitstervende aftakkingen van rassen, waarmee kennelijk het ‘Maleise’ en het ‘indiaanse ras’ zijn bedoeld. Steiner geeft een beschrijving waarin het blanke ras er gunstiger van af komt dan de andere rassen die door hem beschreven worden.ª



6 Idem ´Aan de ene kant heb je het zwarte ras, dat het meest aards is. Als dit naar het westen trekt, sterft het uit. Dan heb je het gele ras, dat tussen de aarde en de al-wereld staat. Als dit naar het oosten trekt, wordt het bruin, als het zich te veel in de al-wereld verspreidt, sterft het uit. Het witte ras is het toekomstige, het meest aan geest scheppende ras. Toen het naar India trok, creëerde het de innerlijke, poëtische, dichterlijke en geestelijke Indische cultuur. Nu ze naar het westen trekt, zal het een geestelijkheid uitbeelden, die niet zozeer de innerlijke mens ontroert als wel de uiterlijke wereld in zijn geestelijkheid opneemt.ª

Oordeel commissie: ´Verschillende passages in dit citaat zijn bezwaarlijk en voor misverstanden vatbaar omdat ook hier sprake is van een beschrijving waarin de blanken er beter van af komen. De gedachte dat Steiner hier een rassenleer bepleit, inclusief de superioriteit van het blanke ras, is echter onjuist, omdat zijn reïncarnatiegedachte de idee dat het ene ras superieur zou zijn aan het andere doorbreekt.ª



7 Lezing 15 juni 1915, Düsseldorf ´Terwijl bij de Slavische volkeren persoonlijkheden als Tolstoj optreden, die schoon en groot, vanuit de spirituele ziel, de ontwikkeling proberen te stimuleren, probeert het Amerikaanse volk ziel en geest op materiële wijze te vatten. Daarom vinden we bij hen een sterk materieel spiritualisme en spiritisme. De geest wordt door hen op precies dezelfde manier gezocht als waarop ze naar fysische waarheden zoeken. Maar precies in de manier van zoeken schuilt het verschil. Als u probeert het geestelijke met de ogen te zien, dan wordt het para-psychisch en die para-psychische kant heeft zich in Amerika sterk ontwikkeld.

De Amerikaanse volkeren hebben zich te verstaan met een ander volkselement, dat uit Atlantis stamt en met psychische capaciteiten is uitgerust. Dit volkselement leeft in de negervolkeren. De manier waarop deze twee volkeren samenleven, is karakteristiek. Daarom hebben we een spiritueel volksdenken in het oosten en een psychisch denken in het westen. (…) De spirituele manier is vooruitgang, de psychische terugslag.ª

Commentaar commissie: ´Er wordt een verband gelegd tussen de aard van de cultuur en het ras waartoe men behoort. Ook is het bezwaarlijk dat de voormalige negerslaven en de blanke kolonisten over een kam worden geschoren. Dit geldt des te meer, omdat ‘de’ cultuur van de Amerikanen wordt gekarakteriseerd met de woorden ‘psychisch’ en ‘Rückschlag’, terwijl de cultuur van de Slaven wordt gekarakteriseerd met de woorden ‘spirituell’ en ‘Fortschritt’.ª



8 Lezing 30 december 1922, Dornach ´Ik ben er persoonlijk van overtuigd, dat als we nog een paar negerromans te verwerken krijgen, en we geven die negerromans in de eerste tijd van de zwangerschap aan zwangere vrouwen te lezen, dan hoeven er helemaal geen zwarten meer naar Europa te komen om voor mulatten te zorgen – dan ontstaat puur door het geestelijk lezen van die negerromans een groot aantal kinderen in Europa die helemaal grijs zijn, mulattenhaar hebben, die er als mulatten uit zullen zien!ª

Commentaar commissie: ´Bezwaarlijk is Steiners opmerking dat blanke zwangere vrouwen mulattenkinderen zouden krijgen indien zij een ‘negerroman’ zouden lezen. Bovendien wordt de indruk gewekt dat het krijgen van een mulattenkind iets ergs is. Het is een verkeerd gekozen voorbeeld, in de context van een betoog over gevoelsbelevingen van de moeder tijdens de zwangerschap op de ongeboren vrucht. Het voorbeeld is zeer beledigend voor zwarten.ª



9 Uit: Das Christentum als mystische Tatsache und die Mysterien des Altertums, 1958, Dornach ´Moet de volmaakte geest aan dezelfde voorwaarden voldoen als de onvolmaakte? Moet Goethe aan dezelfde voorwaarden voldoen als een of andere Hottentot? Net zomin een vis lijkt op een aap, zo weinig hebben de omstandigheden van de goethiaanse geest van doen met die van een wilde. (…) De geest in Goethe prevaleert boven die in een wilde.ª

Commentaar commissie: ´Het betoog over de vraag waarom mensen verschillen in aangeboren vaardigheden, had niet behoeven te worden geïllustreerd met een vergelijking tussen de (blanke) Goethe en de (niet-blanke) Hottentot.ª



10 Lezing 28 oktober 1906, München ´Laten we de cultuurmens met de wilde vergelijken. De wilde volgt eerst zonder welke remmingen dan ook zijn aandriften, zijn begeerte en zijn passie, iedere lust. Dan kan hij echter beginnen aan zijn eigen zelf te werken. Tot zekere driften zegt hij: blijf; tegen anderen, maak dat je weg komt. Zo houdt de menseneter op zijn gelijken op te eten; hij verlaat dan een cultuurstadium en wordt een ander. Of hij leert logisch te handelen, hij leert bijvoorbeeld ploegen. Daardoor wordt zijn astrale lichaam meer geordend. Vroeger bestemden andere machten de mens, nu doet hij het zelf. Het astrale lichaam van een Hottentot bestaat uit wilde donkerrode wervelingen, bij een man als Schiller in felgroene en gele, bij Franciscus van Assisi in wonderschoon blauw.ª

Commentaar commissie: ´Zie commentaar bij 9. Bezwaarlijk is voorts de overtrokken verwijzing naar kannibalisme.ª



11 Lezing 21 augustus 1922, Oxford ´Als men basisprincipes aan het leven ontleent, weten we dat het leven veelkoppig is, hoe het Ene zich op zeer verschillende manieren manifesteert. Want zelfs de neger moeten we als mens zien, in hem is de menselijke figuur op een geheel andere wijze tot uiting gekomen als bij ons.ª

Commentaar commissie: ´De betekenis van het citaat kan als zeer discriminerend worden ervaren.ª



12 Lezing 1 september 1906, Dornach ´Uiterlijk kan men zich soms alleen maar verbazen over datgene waartoe de wereld in staat is. Er is een biografie van Schubert, die het uiterlijk van Schubert zo omschrijft alsof Schubert er ongeveer als een neger heeft uitgezien. Daar is geen sprake van geweest! Hij had zelfs een heel sympathiek gezicht! ª

Commentaar commissie: ´Er wordt de indruk gewekt dat het onmogelijk zou zijn dat Schubert een negroïde uiterlijk had omdat hij er sympathiek uitzag. Met deze motivering lijkt te worden gesuggereerd dat personen met een negroïde uiterlijk er niet sympathiek uit kunnen zien.ª



13 Lezing 22 november 1907, Bazel ´De indiaan staat zo nauw in contact met de natuur, dat hij in al haar uitdrukkingen de stem van de hoge scheppende geest hoort, terwijl de Europeaan zodanig in de materialistische cultuur is verwikkeld, dat hij de stem van de natuur niet meer waarnemen kan. Beide volkeren hebben dezelfde oorsprong, beide stammen van de bevolking van Atlantis af, die over een monotheïstisch geloof beschikte, ontstaan uit een geestelijke helderziendheid. Maar de Europeanen zijn opgestegen naar een hoger cultuurstadium, terwijl de indianen stil bleven staan en daarom in decadentie geraakten.ª

Commentaar commissie: ´De schetsen die bij dit citaat horen zijn doorslaggevend geweest. Hierin worden blanken bovenaan in de evolutie vermeld, nadat eerst apen en indianen genoemd zijn. Dit suggereert een suprematie van het blanke ras, welke niet acceptabel is.ª



14 Lezing 24 september 1916, Dornach ´Deze mysteriënleer heeft een zeker karakter aangenomen, die in wezen daaruit bestond, dat men de oude Tao-cultus – niet zoals bij de gedegenereerde Chinezen, die hem geïntellectualiseerd hebben, maar zoals die oorspronkelijk bestond – vernieuwde. Het vernieuwde een bepaalde manier van initiatie, die leidde tot het werkelijk waarnemen van het elementair geestelijke, dat rechtstreeks onder onze zintuiglijke wereld leeft en weeft.ª

Commentaar commissie: ´In dit citaat wordt onomwonden gesproken van ‘gedegenereerde’ Chinezen, en dat kan als een ernstige belediging worden opgevat.ª

15 Deutsche Wochenschrift, april 1888 ´Het jodendom heeft zichzelf al lang overleefd, heeft geen rechtvaardiging binnen het moderne leven der volkeren, en dat het vooralsnog behouden is gebleven, is een fout van de wereldgeschiedenis, waarvan de gevolgen niet kunnen uitblijven. We bedoelden hier niet alleen de vormen van de joodse religie, maar vooral ook de geest van het jodendom, de joodse manier van denken.ª

Commentaar commissie: ´Er is sprake van een te scherpe formulering van wat in wezen een assimilistisch standpunt is. Tegenwoordig, in het post-holocaust-tijdperk, kan deze formulering uiteraard niet meer op een oorbare wijze worden gebruikt. De commissie acht de formulering, indien zij heden alsnog door iemand zou worden gebruikt, ernstig discriminerend jegens joden.ª



16 Uit: Magazin für Literatur, 1897 ´Ik houd de antisemieten voor ongevaarlijke lui. De besten onder hen zijn als kinderen. Ze willen iets hebben om de schuld aan te geven voor een ongemak waaraan ze lijden. Als een kind een bord laat vallen, dan zoekt het naar iemand of iets, dat het gestoten heeft, dat de schuld heeft aan het ongeluk. Het zoekt de schuld nooit bij zichzelf. Zo doen ook de antisemieten. (…)

Veel erger dan de antisemieten zijn de harteloze leiders van de Europa-moede joden, de heren Herzl en Nordau. Zij maken van een onaangename kinderstreek een wereldhistorische stroming, ze presenteren ongevaarlijk gehakketak als een verschrikkelijk kanonnenvoer. Zij zijn de verleiders van hun volk.ª

Commentaar commissie: ´De geschiedenis heeft Steiner ten aanzien van zijn inschatting dat het antisemitisme ongevaarlijk zou zijn, ongelijk gegeven. Hoewel Steiner onmogelijk antisemitisme kan worden verweten, bracht zijn inschatting hem ertoe felle kritiek te uiten op Herzl en Nordau. Hij verwijt hen dat zij het heersende antisemitisme hebben misbruikt ten gunste van hun eigen politieke agenda’s.

Opnieuw is er sprake van een te scherpe formulering. Indien een dergelijk oordeel thans opnieuw zou worden uitgesproken zou dat, mede gelet op het trauma van de holocaust, als ernstig discriminerend worden ervaren.ª



Bron: Antroposofie en het vraagstuk van de rassen, eindonderzoek van de onderzoekscommissie, Zeist, 2000