Zestiende-eeuwse psychoanalyse

Toen de Argentijnse schrijver Manuel Mujica Lainez in 1958 de beeldentuin van Bomarzo bezocht met zijn beroemde monsters, moet alles er nog verwaarloosd en door het verval des te geheimzinniger uitgezien hebben. Nog maar tien jaar geleden was Bomarzo, gelegen tussen Orvieto en Viterbo, nauwelijks te vinden; sinds een paar jaar is het een veredeld pretpark voor de Italianen, inclusief speeltuin en hertenkamp.

In haar voorwoord bij de vertaling van Bomarzo, de roman die Lainez in 1962 schreef, vertelt Hella Haase over haar eigen interesse indertijd: ‘Ik was mij wel degelijk bewust van een verband tussen die speurdrang en iets in mijzelf dat ik geen naam kon geven.’
Zoiets heeft haar Argentijnse collega iets eerder ook gevoeld, en bijna achthonderd pagina’s lang doet hij niet anders dan aan die verwantschap een naam geven. Hij voelde zich zozeer verwant met de schepper van Bomarzo’s wonderlijke monsters, Pier Francesca Orsini, dat hij zich presenteert als de incarnatie van de zestiende-eeuwse hertog. Bij diens geboorte in 1512 werd hem in een horoscoop onder meer voorzegd dat hij het eeuwige leven zou hebben. Toen hij op 1 mei 1572 een brouwsel dronk dat hem onsterfelijk zou maken, bleek het een gifbeker, toentertijd een courant gebruiksartikel in Italië. In onze tijd ontwaakte hij en kon hij alsnog zijn memoires schrijven, met het grote voordeel dat hij inmiddels meer wist dan indertijd. Zo heeft hij Freud gelezen en dat zal de lezer van de roman weten ook.
Een poos is dit tijdrekken een handige kunstgreep om anachronismen geloofwaardig te maken en biedt het de auteur de gelegenheid te pendelen tussen inleving in zijn hoofdpersoon en een meer synoptische beschrijving van op afstand. Dat levert komische uitspraken op als deze: 'De waarheid is dat ik typisch een man van de renaissance was en als zodanig niet de morele bezwaren kende die in andere perioden van de geschiedenis als wezenlijke belemmeringen werkten.’ Dan kun je nog beter een voorvader van Toulouse-Lautrec tegenkomen of een gezelschap in een De’ Medici-villa beschreven zien als personages van Pirandello.
Lainez had een idee en had een veel te dikke roman nodig om dat uit te werken. Zijn hoofdpersoon, telg uit een beroemd geslacht, zoon van een huursoldaat, zou voor het leven getekend zijn door een bochel, ergens geestig omschreven als 'rugzak van mijn ongeluk’. Door iedereen wordt hij vernederd, alleen zijn grootmoeder geeft hem zelfvertrouwen. Het idee was dat Orsini zijn angst, wrok, jaloezie en hunkering naar liefde uiteindelijk zou vormgeven in de monsters van Bomarzo. Maar die hoeft hij alleen maar te bevrijden uit de rotsen waarin sinds de Etrusken de geheimen - de wezenlijke beelden - klaarlagen om eens ontraadseld te worden. In één klap ontdekt de 'mismaakte Narcissus’ zowel het geheim van zijn eigen verleden als dat van zijn verre voorvaderen.
Laat ik een ander geheim verklappen: wie op pagina 624 begint, heeft nog een intrigerende kleine roman voor zich, waar in ieder geval de monsters van Bomarzo goed in beeld komen. De eerste zeshonderd pagina’s zijn een mengsel van eindeloos zelfbeklag en encyclopedische wetenswaardigheden over de tijd van Paracelsus, Benvenuto Cellini, Michelangelo en de kippendrift van pausen, keizers, koningen en ander gespuis.