Het lerarentekort en de stille reserve in het basisonderwijs

‘Zet mij in een school neer en ik word weer juf’

Het hart voor het onderwijs klopt nog steeds bij de stille reserve. Een ruime meerderheid zou willen terugkeren voor de klas. Maar daar zitten wel grote ‘misschienen’ aan vast.

Medium anp 47451265
‘Je zou als leraar meer moeten kunnen verdienen dan de directeur’ © Robin Utrecht / ANP

Gymleraren die inspringen bij taal en rekenen, toch al grote klassen die samengevoegd moeten worden en leerlingen die naar huis worden gestuurd omdat er geen juf of meester beschikbaar is. Op bassischolen in de grote steden komt dit regelmatig voor. Schoolbesturen in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag melden niet alleen dat ze moeite hebben met het vinden van invallers, ook vacatures voor vaste leerkrachten zijn zeer lastig in te vullen. Het is een situatie die binnen een paar jaar voor heel Nederland zal gaan gelden, zo voorspelt het onderzoeksbureau CentERdata. In 2020 zullen naar verwachting vierduizend voltijds arbeidsplaatsen niet bezet worden, in 2025 zijn er zelfs tienduizend basisschoolleraren tekort.

Schoolbesturen luiden de noodklok, actie voerende onderwijzers vrezen verhoging van de werkdruk door gebrek aan collega’s. Het ministerie van Onderwijs heeft inmiddels actieplannen. Een belangrijk onderdeel daarvan: het mobiliseren van de ‘stille reserve’. Dat zijn mensen die wel een onderwijsbevoegdheid voor het basisonderwijs hebben, maar er niet in werken. In totaal betreft dat minimaal 31.000 mensen, van wie zo’n zesduizend met een uitkering. Als een deel daarvan weer voor de klas gaat staan, is het probleem al bijna opgelost. Maar willen deze mensen dat wel? Investico, platform voor onderzoeksjournalistiek, hield voor De Groene Amsterdammer, Trouw en het Onderwijsblad een enquête onder de stille reserve. Waarom hebben deze gediplomeerde meesters en juffen de klas de rug toegekeerd? En wat moet er gebeuren om ze weer terug te krijgen?

Dat laatste is geen onmogelijke opdracht. De stille reserve heeft nog altijd een groot hart voor het basisonderwijs, blijkt uit ons onderzoek (zie kader). Een ruime meerderheid zou misschien (45 procent) of zeker (negentien procent) willen terugkeren. Meer salaris is voor hen een kwestie, maar niet de belangrijkste. Boven alles staat de wens om voldoende tijd te kunnen besteden aan de leerlingen. Ook voldoende ondersteuning voor kinderen met gedragsproblemen, afspraken over werkbelasting en een vast contract scoren hoog als voorwaarden voor terugkeer. Als dit niet haalbaar is, houden de ex-onderwijzers liever hun huidige baan. Bovendien woont lang niet iedereen die voor de klas wil in een regio waar nu een tekort is. Dit alles maakt dat er in Nederland duizenden gepassioneerde leerkrachten rondlopen zonder klas.

‘Er is alleen een tekort aan invallers. Bijna geen enkele school geeft een vast contract.’ 561 onderwijzers uit de stille reserve vulden onze enquête in en velen gebruikten de open ruimte op het online formulier om hun hart te luchten. Met een aantal van hen zijn we later in gesprek gegaan. Zoals met Simone. Zij zocht de afgelopen tien jaar naar een baan als leraar in de bovenbouw van het basisonderwijs, niet te ver van huis, van haar gezin, en niet op invalbasis. De enige vaste baan die ze kon vinden, was op een christelijke school 65 kilometer van haar huis.

Eerst was ze dolblij, want het was haar favoriete klas: groep 8. Maar met de komst van haar tweede kind begon het elke ochtend om kwart over zes vertrekken om de files voor te zijn haar steeds zwaarder te vallen. Toen er een baan bij een tegelzetbedrijf bij haar in de buurt langskwam, bezweek ze voor de verleiding. ‘Het weggaan heeft me slapeloze nachten gekost’, vertelt ze. ‘Groep 8 laat je niet halverwege het jaar in de steek, je voelt je toch verantwoordelijk. Met pijn in het hart heb ik afgelopen voorjaar de knoop doorgehakt. Ik vertelde het in de klas op een woensdagmiddag.’ De ouders waren woedend, herinnert ze zich nog goed: ‘Voor ik het wist stonden die ouders in mijn klaslokaal tegen me te schreeuwen. Eén moeder viel me fysiek aan, ze drukte me tegen de kast: “Kutwijf, hoe haal je het in je hoofd?!”’ Naast de bedreigingen op de dag zelf ontving ze nog vele mailtjes ‘waar de honden geen brood van lusten’. In het onderwijs wil ze nu niet meer werken, niet als groepsleerkracht tenminste.

Simones moeite om een vaste baan als onderwijzer te vinden, kwam in ons onderzoek vaak naar voren. In een groot deel van Nederland speelt dit nog steeds. ‘Leraren te kort? Niet in Noord-Limburg want dan had ik wel weer voor de klas gestaan’, meldt een ex-juf. Een vrouw die nu administratief werk doet, schrijft: ‘Na mijn opleiding heb ik een aantal jaren geprobeerd werk te vinden in het onderwijs, maar er was simpelweg niets! In de tijd dat ik aan de pabo begon werd al geroepen dat tegen de tijd dat we klaar zouden zijn er het grootste tekort ooit zou zijn. Dat wordt nu nog steeds geroepen. Voor mijn gevoel worden nieuwe studenten gelokt met deze praatjes en worden deze mensen geschoold voor werkloosheid.’

Een meerderheid van de pabo-afgestudeerden die buiten stages nooit in het onderwijs hebben gewerkt, doet dat omdat ze geen passende baan of geen vast contract konden krijgen. Ze klagen over eindeloos invallen via invalpools, over payroll-constructies en detacheringsbureaus. Een lerares die nu als rijinstructeur werkt, meldt: ‘Ga alsjeblieft niet nog meer leraren opleiden, dan zitten we straks met een overschot! Er staan er genoeg te wachten als de voorwaarden beter worden!’

Over het onderzoek

Tussen juli en september hielden wij een enquête onder mensen met een pabo-diploma die niet in het basisonderwijs voor de klas staan. Deze mensen bereikten we via verscheidene sociale media, zoals de Twitter en Facebook van onze samenwerkingspartners Trouw, De Groene en het Onderwijsblad, maar ook via nieuwsbrieven van pabo’s aan hun alumni. 640 mensen vulden de enquête in, waarvan 561 zowel tot de stille reserve behoorden als voldoende (geldige) antwoorden gaven om te kunnen analyseren. Deze groep kwam qua sekse, leeftijd, verdeling over de regio’s en inkomen behoorlijk overeen met de complete populatie ‘stille reserve’ zoals dit jaar in beeld gebracht door CentERdata en OCW op basis van DUO- en Belastingdienst-gegevens. Om onze steekproef nog beter overeen te laten komen met de populatie pasten wij weging toe voor sekse, leeftijd en woonplaats (provincie). Bij onze vraagstelling naar redenen voor vertrek en voorwaarden voor terugkeer volgden we grotendeels eerder onderzoek van Ecorys uit 2008 naar loopbanen van leraren. Buiten onze enquête spraken we met ongeveer dertig betrokkenen, zoals (ex-)onderwijzers, onderwijsexperts (waaronder van OCW), vakbonden en werkgevers. Zie platform-investico.nl voor meer informatie over het onderzoek.

Hoe groot het tekort op dit moment precies is, en op welke plekken, dat kan het ministerie van Onderwijs niet aangeven. Dat er nu al tekorten zijn in de grote steden in de Randstad en in de regio Arnhem/Nijmegen betwist niemand, maar hoe het zich zal ontwikkelen is onduidelijk. Wat wel duidelijk is: zolang leraren alleen worden opgeleid voor één sector binnen het onderwijs, zijn de schommelingen van tekort naar overschot vrijwel onvermijdelijk. Het is de klassieke varkenscyclus, stelt Frank Cörvers, bijzonder hoogleraar onderwijsarbeidsmarkt. ‘Als de perspectieven goed zijn, kiest men voor de opleiding. Als men dan afstudeert, zijn er ineens te veel leraren. En als men hoort dat leraren geen baan kunnen krijgen, kiest men niet voor de opleiding, waardoor er vervolgens te weinig zijn.’

In 2007 stonden de kranten vol over het verwachte lerarentekort. Zo rond 2012 zou het ernstig worden. Maar toen ging de pensioenleeftijd omhoog en bleek het toch mee te vallen. Kan zoiets nu weer gebeuren? Experts benadrukken dat de voorspellingen betrouwbaar zijn, maar dat ze tegelijkertijd ook de werkelijkheid beïnvloeden. Cörvers: ‘De prognoses zijn het beste middel dat we hebben om het tekort tegen te gaan.’ Het ministerie van Onderwijs gebruikt de voorspellingen met opzet, om een gevoel van urgentie te creëren. Daarmee lijkt het ministerie op de jongen uit de fabel die keer op keer ‘wolf’ riep terwijl er geen wolf in zicht was. Met dit verschil: door ‘wolf’ te roepen, hoopt het ministerie dat schoolbesturen tot actie overgaan. ‘Wij proberen ervoor te zorgen dat mensen uit de bakken komen, we kijken naar de stille reserve en naar zij-instromers, en dat mensen meer dagen gaan werken’, zegt Rinda den Besten, die als voorzitter van de PO-Raad over de schoolbesturen gaat. ‘Als alleen al dat laatste werkt, dan hebben we het lerarentekort volgende week opgelost.’

Mensen terughalen zou natuurlijk niet hoeven als ze niet eerst waren afgehaakt. Bij dat afhaken staat de hoge werkdruk centraal. Maar liefst één op de drie ex-onderwijzers in onze enquête noemt de werkdruk in het algemeen een doorslaggevende reden voor vertrek. Hoe zwaar werken in het onderwijs is, blijkt onder meer uit de reacties van de aanzienlijke groep ex-onderwijzers die nu in de zorg werkt, een sector die toch ook niet bekend staat om de lage werkdruk. ‘Ik ervaar nu minder stress’, zegt een activiteitenbegeleider. Een andere zorgmedewerker: ‘Als ik naar huis ga, hoef ik niets meer te doen en niet meer over werk na te denken.’ Een derde: ‘Ik heb nu wel tijd om werk gedegen te doen.’ Hun opmerkingen sluiten aan bij burn-outcijfers voor verschillende sectoren van het cbs, waarin onderwijs helemaal bovenaan staat.

‘Ik had altijd een doos tissues op tafel staan.’ Ilse van Loon, voormalig basisschooldirecteur, snapt wel waarom onderwijzers het niet meer trekken. ‘Mensen waren echt tegen overwerkt aan, zeker tegen het eind van het schooljaar. We hadden best wat kinderen waar iets mee was. Dat bracht heel veel spanning en druk.’ Ilse wilde graag onderwijsassistenten aanstellen, maar het bovenschoolse bestuur liet haar telkens weten dat daar geen geld voor was. Dan liet ze het gaan, want ze had al zoveel te doen: ‘Mijn dagen waren overvol en die aanstellingen leken dan niet zo belangrijk als het opvangen van een kind.’ Maar op den duur ging ze er zelf aan onderdoor: ‘Ik kon de kinderen en de leerkrachten niet geven wat ze nodig hadden, terwijl daar toch mijn hart lag. En hoe hard ik ook werkte, het werd niet veel beter.’ Ze verliet het basisonderwijs om te gaan werken als specialist onderwijs en ICT.

Kinderen met gedragsproblemen – sommigen met, anderen zonder officiële diagnose: ze dragen enorm bij aan de stress, aldus onze enquête. Het is niet zo dat docenten deze kinderen vervelend vinden, het gaat erom dat ze onvoldoende ondersteuning kregen. ‘Ga er maar aan staan als je daar geen expertise in hebt’, reageert onderwijsadviseur Marcel Schmeier, die eerder les gaf in zowel het speciaal als het regulier basisonderwijs. ‘De minister en staatssecretaris zeggen dat er passend onderwijs moet zijn, maar ze vergeten de mensen bij te scholen. Er is nooit een landelijke scholing geweest. En er is ook geen extra tijd bij gekomen, of extra handen.’

Medium hh 55951471
‘Het les geven is leuk, maar alles eromheen is een drama. Er is zoveel papierwerk’ © Werry Crone

Passend onderwijs verplicht schoolbesturen om álle leerlingen een goede onderwijsplek te bieden, het liefst op een reguliere basisschool. Sinds de invoering ervan in 2014 lijken basisscholen langer te wachten voordat ze kinderen doorsturen naar het speciaal onderwijs. Maar het aantal onderwijsassistenten nam de laatste jaren niet toe. Voor Rinda den Besten van de PO-Raad is het een bekend probleem: ‘Meer dan door passend onderwijs wordt de druk veroorzaakt door het gebrek aan extra handen in de klas. Er gaat gewoon te weinig geld naar het basisonderwijs.’

Een bijkomend probleem is dat het ontbreken van een landelijke richtlijn ervoor zorgt dat studenten met onvoldoende bagage van de pabo komen om met deze groep te werken. Zowel de leerlingen als de leerkrachten zijn daardoor afhankelijk van de ondersteuning die hun schoolbestuur kan regelen. Het is dan ook niet zo gek dat ‘ondersteuning voor kinderen met gedragsproblemen’ voor een aanzienlijk deel van de stille reserve een cruciale voorwaarde voor terugkeer is. Ruim een kwart van de respondenten wil alleen terug voor de klas als tenminste hieraan wordt voldaan.

Administratie is, na te hoge werkdruk in het algemeen, de belangrijkste reden waarom de basisschoolleraren vertrokken. Een man van 29 die nu in de kinderopvang werkt, laat weten: ‘Het les geven is leuk, maar alles eromheen is een drama. Er gaat zoveel tijd zitten in papierwerk. We lijken wel administratief medewerker.’ Groepsplannen voor alle hoofdvakken, individuele sociaal-emotionele ontwikkelingsplannen, zorgplannen voor leerlingen met bijzondere behoeften, evaluaties van de groep, en het registreren van talloze toetsen – basisschoolleraren werken structureel bijna zeven uur per week over, bleek eerder al uit onderzoek van vakbond Aob. In een gemiddelde werkweek gaat bijna zes uur naar administratie. Hoeveel een leraar administreert, verschilt wel sterk per school. Wat er precies móet van de Onderwijsinspectie is onduidelijk – het ministerie van ocw heeft voor volgende maand een brochure aangekondigd waarin staat welke administratie is vereist en welke niet. Voor de veiligheid registreren scholen voorlopig vaak te veel, want niemand wil een slechte notitie.

‘Ga alsjeblieft niet nog meer leraren opleiden, dan zitten we straks met een overschot!’

En dan zijn er nog de vele extra activiteiten, zoals meelopen met de avondvierdaagse of een speciaal project over gezond eten. Leuk, als je er de tijd voor hebt, maar dat hebben de meeste onderwijzers niet. Respondenten in de enquête noemden zulke taken spontaan in hun opmerkingen. Zo zei een veertigjarige vrouw, die nu taalles geeft aan volwassenen: ‘Ik wil vooral graag goed lesgeven in de kernvakken. Ik heb weinig interesse voor allerlei zaken er omheen (feesten, activiteiten).’

Marcel Schmeier, de ex-leraar die nu onderwijsadviseur is, wilde de vrijheid om zich te concentreren op effectief reken- en taalonderwijs, maar kreeg daar op zijn reguliere basisschool nauwelijks de kans toe: ‘Van voorzichtig zijn met vuurwerk tot het opruimen van afval – het wordt allemaal op het bordje van de school gelegd. Taal en rekenen komen daardoor in de knoei, en leraren gaan overwerken. Leraren werken harder dan andere beroepsgroepen, maar ze besteden hun tijd niet altijd aan de juiste zaken.’ Schoolbesturen zouden leerkrachten moeten beschermen, vindt Schmeier. Maar de juffen en meesters moeten ook voor zichzelf opkomen. ‘Leerkrachten moeten een volwassen beroepsgroep worden, die zich concentreert op haar taak.’

Bij de stakingen ligt de grote nadruk op een ander bezwaar van onderwijzers: het te lage salaris. Jan van de Ven, leraar en een van de initiatiefnemers van PO in actie, geeft aan dat zowel werkdruk als salaris belangrijke eisen zijn. ‘Maar naar werkdruk wil de politiek best kijken, terwijl salaris nooit op de politieke agenda heeft gestaan. Daarom slaan we daarvoor harder op de trom.’ Het verschil tussen wat een basisschoolleraar en wat een middelbare-schoolleraar verdient, ligt na een tiental jaar les geven op zo’n vijfhonderd euro per maand, en dat is gerekend vanuit de laagste loonschaal in het voortgezet onderwijs. Nederland is het enige Europese land met zo’n grote salariskloof tussen basis- en middelbaar onderwijs.

Mannen vinden de salariskloof veel bezwaarlijker dan vrouwen, blijkt uit onze enquête. Maar liefst vier op de tien mannelijke ex-onderwijzers noemen het salaris een doorslaggevende reden om te vertrekken, tegenover ongeveer één op de tien vrouwen. Door de oververtegenwoordiging van vrouwen in het beroep en dus ook in onze steekproef valt het gemiddeld genomen nog mee met de financiële eisen van de stille reserve. Gevraagd naar de belangrijkste voorwaarde voor terugkeer zegt 28 procent dat het salaris minstens even hoog moet zijn als in de huidige baan. Bij alleen de mannen stelt bijna de helft die eis. Voor de mensen die salarisbehoud een cruciale voorwaarde vinden, geldt vaak dat ze meer verdienen dan eerder in het basisonderwijs. Marcel Schmeier: ‘Salaris was niet de reden om te vertrekken, maar het is nu wel de belangrijkste reden om niet terug te gaan. De beste mensen moeten voor de klas staan. Ik vind dan ook dat je als leraar meer zou moeten kunnen verdienen dan de directeur.’

Voorlopig mogen de basisschoolleraren al blij zijn als de salariskloof iets minder diep wordt; 270 miljoen is nu toegezegd, maar voor PO in actie is dat niet genoeg. ‘We hebben berekend dat de salariskloof te dichten is met negenhonderd miljoen’, zegt actievoerder Jan van de Ven: ‘Dat is veel gevraagd, maar we verwachten in elk geval een fatsoenlijke eerste stap, naar vier- tot vijfhonderd miljoen, gepaard met afspraken om de kloof helemaal te dichten.’ Zijn verwachting dat de overheid sterker bereid is de werkdruk aan te pakken, lijkt te kloppen: het aankomende kabinet bracht een dag voor de staking van 5 oktober naar buiten dat het een kleine vijfhonderd miljoen euro vrijmaakt voor het verlagen van de werkdruk.

Extra geld leidde niet tot extra leraren

In tijden van overschotten sturen schoolbesturen leraren weg die ze later weer hard nodig hebben. Om dit te voorkomen had OCW in 2013 85 miljoen beschikbaar gesteld voor het basisonderwijs. Daarmee zouden zo’n 1700 jonge leraren behouden kunnen blijven of zelfs aangenomen worden. De scholen ontvingen het geld echter als toevoeging aan de lumpsum. Dat totaalbedrag dat scholen van OCW krijgen kunnen ze naar eigen inzicht besteden, zolang ze dat maar aan het eind van het jaar kunnen verantwoorden. Vervolgens bleek het aantal leerkrachten in het basisonderwijs tussen 2013 en 2014 gedaald. Begrijpelijk, vond Dekker, vanwege de krimp in leerlingenaantallen. Rinda den Besten van de PO-Raad voegt daaraan toe dat 85 miljoen klinkt als veel geld, maar in zo’n grote sector, met een totale loonsom van acht miljard, nauwelijks wat voorstelt. ‘Als je als school de tekorten nog niet ervaart, dan heb je het geld niet om mensen alvast aan te nemen.’

Van de lumpsum willen zowel OCW als de schoolbesturen zeker niet af. Scholen moeten immers maatwerk kunnen leveren, is het devies sinds de onderwijsvernieuwingen in de jaren negentig, waarmee de verantwoordelijkheid van het rijk naar de schoolbesturen verschoof. Daarvóór kregen scholen voor elk klein ding een vastgesteld bedrag, een declaratiesysteem dat ze bij OCW de ‘zandbakvergoeding’ noemen. Die zandbakvergoeding zorgde voor een enorm specifieke administratie, waarbij alle pennen moesten worden geteld. Niemand wil daarnaar terug. ‘We hebben vertrouwen in de professionaliteit van het primair onderwijs’, zegt OCW-woordvoerder Ilona de Ruijter. Dit betekent echter wel dat we straks waarschijnlijk ook niet precies weten waar de bijna vijfhonderd miljoen die is toegezegd om de werkdruk te verlichten aan is besteed.

In een achterafzaaltje van het Haagse grand café Dudok staat een klein groepje vijftig-plussers met koffiekopjes in de hand af te wachten wat er zal gaan gebeuren. Een jongedame loopt langs om aan te geven dat er niets zal gebeuren, ze moeten er zelf op af, op de tafeltjes waarachter werkgevers zitten, van scholengemeenschap De Haagse Scholen tot uitzendbureau Randstad en van invalpoolorganisatie Pool west tot de Herman Broere School voor speciaal basisonderwijs. In Den Haag is het lerarentekort duidelijk voelbaar, laat De Haagse Scholen weten. ‘De invalpools zijn nu al nodig en de eikel moet nog van de boom vallen, we hebben nog niet eens zo veel zieken.’ De Haagse Scholen is niet huiverig om mensen aan te nemen. Net als de drie andere schoolbesturen hier zoeken zij onderwijzers, van twee dagen tot voltijd.

Maar het is de vraag of ze die hier zullen vinden. De aanwezige uitkeringsgerechtigden verwachten weinig van de bijeenkomst. De meesten zijn op leeftijd en zijn bij reorganisaties als dure kracht eruit gezet of afgehaakt vanwege de werkdruk. Lang niet allemaal hebben ze een pabo-diploma; ze waren bijvoorbeeld onderwijsassistent of conciërge.

Een oudere onderwijzeres met een Indische achtergrond is hier vooral om kennis te maken met de invalorganisatie waarvoor ze nu werkt. Na 36 jaar in het reguliere onderwijs waarbij ze steeds minder dagen ging werken om het vol te houden, is het invallen voor haar ‘echt een ontdekking’. Het brengt haar bij allerlei soorten groepen, zonder de vele verplichtingen van een groepsleerkracht. Maar niet iedereen zit te wachten op een baan in een invalpool. ‘Dan word je van hot naar her gestuurd, daar ben ik te oud voor’, zegt een 62-jarige vrouw.

Medium grafiek onderzoek

Deze zogenaamde ‘speeddate’ wordt georganiseerd door het Participatiefonds, een zelfstandig bestuursorgaan dat de uitkeringen in het basisonderwijs regelt. Om de uitkeringskosten voor de sector te drukken, probeert het Participatiefonds om werkloos basisschoolpersoneel weer aan een baan te helpen. Op de bijeenkomst in Den Haag kwamen 43 mensen af van de vijfhonderd die waren aangeschreven. De speeddates die door heel het land georganiseerd worden, zullen het lerarentekort niet oplossen. Aan het eind van de rit vinden hooguit enkele tientallen mensen een baan.

Toch, vindt het ministerie van Onderwijs, is elke persoon die aan het werk gaat driedubbel winst: voor diegene zelf, de school, en de sector. Het ministerie verwijst nadrukkelijk naar deze speeddates als een van de dingen die ondernomen wordt tegen het lerarentekort. Daarnaast heeft het ministerie nog wel 1,25 miljoen euro vrijgemaakt voor mensen die weer als basisschoolleraar willen werken. Met 2500 euro per persoon kunnen vijfhonderd herintreders extra scholing of begeleiding krijgen. Maar daarbuiten moeten scholen en gemeenten zelf het initiatief nemen om de problemen op te lossen. OCW kan alleen ‘faciliteren’.

Eind jaren negentig, voor het tekort dat begin dit millennium dreigde te ontstaan, stuurde staatssecretaris Tineke Netelenbos een brief aan iedereen die werkzaam was geweest in het onderwijs, 150.000 in totaal. Een groot sleepnet, want naar schatting zaten daar slechts zo’n 26.000 mensen tussen met een bevoegdheid voor basisschoolleraar. Uiteindelijk werden intakegesprekken gehouden met ruim zevenduizend mensen. Dat leidde tot bijna zesduizend ‘plaatsingen’ in klassen. Omdat de herintreders meerdere keren geplaatst konden worden, is onduidelijk hoeveel van hen aan een baan geholpen zijn.

En het is geen maatregel die ocw nu nog zou willen herhalen. Doordat iedereen werd aangeschreven, ontstond de indruk dat de tekorten alom waren en vroegen werkloze onderwijzers in Limburg en andere krimpregio’s zich wanhopig af waar hun baan bleef. De overheid stelt zich tegenwoordig liever op als een afstandelijke koppelaar, die de schoolbesturen influistert waar de tekorten verwacht worden en waar de stille reserve zich bevindt. En dan maar hopen dat ze elkaar vinden. Dat schoolbesturen met een aantrekkelijk aanbod komen, en dat het inmiddels niet te laat is om de vertrokken onderwijzers te verleiden terug naar de klas te gaan.

Het hart voor het onderwijs klopt nog steeds bij de stille reserve. Als de honderden antwoorden die wij ontvingen iets duidelijk maken, is het dat wel. Een ruime meerderheid zegt ‘ja’ op de vraag of ze zouden willen terugkeren. Maar daar zit voor de meesten wel een grote ‘misschien’ aan vast. Ja, als we gewoon les kunnen geven, klinkt het. Op een school waar je geen uren kwijt bent aan administratie en waar een onderwijsassistent helpt de kinderen met adhd erbij te houden. En, zegt een deel, waar je de gelegenheid krijgt je te ontplooien, met een salaris dat daarbij past.

‘Niet dat ik terug wil, het was te frustrerend’, zegt Ilse van Loon, een ex-basisschooldirecteur die nu onderwijsspecialist is. ‘Maar zet mij in een school neer en ik word weer juf. Basisonderwijs heet niet voor niets zo: het is toch de basis van de samenleving.’ Voor haar geldt wat voor velen binnen de stille reserve geldt: de vonk was er, maar na jaren ploeteren is de liefde bijna uitgedoofd. Om deze mensen terug te krijgen is meer nodig dan een verwachtingsvolle koppelpoging.


Simones echte naam is bekend bij de redactie. Dit onderzoek is mogelijk gemaakt door Fonds 1877