Ger Groot

Zetwerk

Met Gutenberg ging het fout. Niet de geletterde beschaving, maar de dito vervreemding begon met de vijftiende-eeuwse edelsmid die de vader van de boekdrukkunst werd. Of liever: de vader van het zetwerk. Gedrukt werd er al langer in Europa, in China zelfs véél langer, met paginagrote stempels waarmee afbeeldingen en teksten goedkoop werden verveelvoudigd. Wat Gutenberg uitvond, waren de matrijs en de losse letter. Rampzalig was het, hoe dan ook.

Dat gevoel dringt zich althans op bij lezing van het boek Toewijding van de filosoof en journalist Jan-Hendrik Bakker (Atlas). Met Gutenbergs zetwerk, zo suggereert hij, viel de tekst niet in maar uit elkaar. Wat een levend geheel was geweest, ontbond zich in losse, betekenisloze elementen, waarin de hand van de schrijver niet meer te herkennen was, laat staan diens geest. Alleen zijn naam op het titelblad behoedde het drukwerk nog voor de anonimiteit.

Het is een fascinerende gedachte dat met Gutenbergs vinding een tekst voor het eerst een constructie werd. Niet uit zijn eind- en hoogtepunt — een bouwwerk van ideeën — ontstaat een boek, maar vanuit een verzameling letters in een letterbak. Betekenis duikt op uit wat (nog) betekenisloos is. Niet de gedachte geeft het boek vorm, maar de strijd van zich onderling verdringende karakters die zich voor de lezer tot een denkbeeld plooit. Of niet.

Want letters die zich, als in een darwinistische struggle om overleving, lukraak in de matrijs persen, resulteren maar zelden in een leesbare pagina. Volgens de statistiek is de kans daarop bijna nul, maar niet helemaal nul. Vanuit die gedachte moet Borges zijn verhaal over de Babylonische bibliotheek geschreven hebben: de boekenverzameling waarin alle denkbare geschriften met alle mogelijke lettercombinaties te vinden waren. Te midden van een volstrekte letterchaos waren daar ook de werken van de wereldliteratuur onder. Op te sporen waren ze alleen aan de hand van de catalogus die ook ergens op de planken te vinden moest zijn — naast een gigantisch aantal bijna identieke maar valse catalogi.

Borges’ bibliotheek werd pas na Gutenberg denkbaar. Vóór die tijd was een boek dat niet aan een gedachte maar aan een letterchaos ontsprong simpelweg onbevattelijk. Het boek werd geschreven (desnoods in stempels uitgegutst) met de hand die het verbond met het hoofd. De signatuur bleef daarin zichtbaar als garantie van het denkende individu, en dus van een leidende gedachte. Onzin kon er wel geschreven worden, maar als vergissing of verblinding, niet als de chaotische moerasgrond waaruit een zin opdook als bij een gelukkig toeval.

Voor postmoderne filosofen, vooral van Franse snit, is Borges’ gedachte-experiment gefundenes Fressen, zoals een kleine zes eeuwen na Gutenberg bij hen ook de band tussen tekst en auteur is doorgesneden. De auteur is dood en ieder boek is een wees — of moet althans als zodanig gelezen worden. Niet de gedachte waaruit het boek ontstond is het criterium van zijn betekenis, maar het idee dat uit het spel van letters en lezing opduikt.

Niet de schrijver is voor deze theoretici het uitgangspunt, maar de lezer, die inderdaad niets anders dan letters voor zich heeft. Dat feit wordt voor hen een norm. Zelfs wat de auteur over zijn boek zou kunnen zeggen, wordt daarvoor irrelevant — net zoals het biografische in de naoorlogse kritiek een taboe werd. Het schrijversleven moet evenzeer achter het boek verdwijnen als diens handschrift achter de typografie en diens stem achter de letters.

Als kroongetuige voor die laatste opvatting voert Bakker de criticus Kees Fens op, wiens afkeer van orale poëzie door hem even sceptisch wordt bejegend als de Franse dood van de auteur. Liever ziet hij, mét de romantische Duitser Jean Paul, boeken als brieven van onbekende vrienden, gelezen met de toewijding die zijn essay als titel draagt. Achter de letters daagt de persoon.

Technisch gezien heeft Bakker de tijd niet mee, en dat weet hij. Internet, het e-boek en de automatische tekstgeneratie voltooien Gutenbergs anonimiserende werk. Met noodgedwongen enthousiasme omhelst hij niettemin die media, in de hoop het toegewijde lezen ook voor de toekomst te behouden. Niet Gutenberg krijgt van hem het laatste woord, maar de archetypische lezer Ambrosius: «een hart speurend naar betekenis».