Arts aan het front

Zeulen met een lijk

Georges Duhamel
Civilisatie 1914-1917: Arts aan het front van WO I
Vertaald door Mechtild Claessens en met een nawoord van Wouter van Raamsdonk
De Arbeiderspers (Oorlogsdomein), 203 blz., € 21,95

‘Telkens wanneer ik een minuut vrij had, ging ik op het voeteneinde van Cousins bed zitten. Hij zei tegen me: “Kijk eens aan! Er is plaats voor u, nu ze m’n been hebben afgezet! Je zou zeggen dat ze het erom gedaan hebben.”’ De arts in dit verhaal van Duhamel is onder de indruk van de moed en de levenslust van een veertigjarige soldaat, wiens ene been is afgezet terwijl ook het andere zwaar is beschadigd. Maar deze Cousin laat zich hierdoor niet uit het veld slaan, ‘hij leek niet op een been meer of minder te kijken’.
Enthousiast vertelt de zwaargewonde man over zijn handel in lampenkappen en over zijn plannen om de zaak met zijn zoons groot te maken. Langzaam wordt echter duidelijk dat dit een illusoir toekomstbeeld is. ‘Hoe jong van geest je je op je veertigste ook voelt, het lichaam vangt de scherven van een mijn niet meer even gemakkelijk op als wanneer je twintig bent.’ Het nog niet geamputeerde been van Cousin begint steeds vaker spontaan te bloeden, en tijdens de operatie waarbij ook dit lichaamsdeel zal worden afgezet overlijdt de levenslustige poilu.

Het was slechts één van de talloze sterfgevallen die Georges Duhamel (1884-1966) van dichtbij meemaakte. Hij was niet alleen schrijver, die al voor 1914 naam had gemaakt, maar tevens arts. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij als chirurg in een veldhospitaal, vlak achter de frontlinie.

Al tijdens de oorlog schreef hij verhalen over zijn ervaringen, die werden gepubliceerd in het tijdschrift Mercure de France. In 1917 kwamen ze in boekvorm uit, onder de titel Vie des martyrs 1914-1916. Een jaar later kwam de bundel Civilisation 1914-1917, die werd bekroond met de Prix Goncourt. Pas bijna negentig jaar later werd dit boek in het Nederlands vertaald.

Duhamels eerste bundel was helemaal gewijd aan het pandemonium dat een fronthospitaal was. Ook in Civilisatie 1914-1917 is deze hellekring nooit ver weg. Niet alleen de gruwel van de weggerukte ledematen, opengereten lichamen en verdwenen gezichten wordt aangrijpend beschreven, ook de uitzichtloze verveling, die slechts heel zelden werd doorbroken door bezoek. ‘Meestal kwam er niemand, helemaal niemand, en de dag was, net als het vlees bij het eten, alleen maar door te komen wanneer hij in oneindig kleine stukjes werd gesneden.’

Maar in dit boek komen ook verhalen voor waarvan de ik-figuur geen arts is. Soms doen deze personages verslag van situaties die volkomen absurd zijn, zoals de jonge officier die eindeloos moet zeulen met een lijk en die bij elke wachtpost wordt teruggestuurd, en de man die een straf moet ondergaan die een naamgenoot had verdiend. Vooral dat verhaal, Discipline, doet beurtelings denken aan Kafka en De lotgevallen van de brave soldaat Svejk.

Duhamel heeft een groot talent voor dialogen, waarbij opvalt dat hoe uitzichtlozer de situatie is, hoe meer de mensen vervallen in clichés. De al genoemde Cousin, die over nog slechts één afgeschreven been beschikt, vertelt hoe hij zijn zaak wil uitbreiden: ‘Met de relaties die ik heb, wil ik fantastische dingen gaan doen. Je moet altijd alles groot zien! Potverdomme, ik zal ervoor moeten ronddraven, maar ik zal me wel redden, ik zal me wel redden!’ Het cliché als strohalm, als bezweringsformule om de wanhoop op afstand te houden.

De taal vormt natuurlijk een belangrijk onderdeel van een beschaving, en de geformaliseerde clichétaal past goed bij Duhamels visie op de beschaving. In het verhaal Civilisatie beschrijft hij het veldhospitaal als perfecte, geoliede machine die optimaal werkt wanneer er voldoende grondstoffen, oftewel gewonden, worden aangevoerd. Duhamel zag de Grote Oorlog als een crisis in de humaniteit, als een gevolg van wetenschap en technologie waaruit de menselijkheid was verdwenen. De mensen worden vermalen in een overweldigende machinerie en proberen zich staande te houden met herinneringen aan en de formules van een wereld die voorgoed voorbij lijkt te zijn.

‘Ik haat de twintigste eeuw, net zoals ik het verrotte Europa haat en de hele wereld waarover dit ellendige Europa zich als een olievlek heeft uitgebreid’, zegt de verteller uit het titelverhaal, die beseft dat dit belachelijke, bombastische taal is. ‘Maar och! Ik vertel die dingen niet aan iedereen, en trouwens, waarom zou ik niet belachelijk mogen zijn en een ander wel?’ Die anderen, dat zijn natuurlijk wat in Frankrijk de bourreurs de crâne heetten, de oorlogspropagandisten die de hoofden van bevolking vulden met clichés over eer, glorie en vaderlandsliefde. Daarom had deze held uit Duhamels verhaal zich voorgenomen zijn ‘toevlucht te zoeken bij de wilden, bij de negers, maar er bestaan nu niet eens meer echte negers. Die stappen allemaal op de fiets en willen lintjes krijgen.’ Die twintigste eeuw, die de hoofdpersoon zo verafschuwde, die was nog maar net begonnen.