Zeur of heldin

DESANNE VAN BREDERODE, HELEEN DUPUIS, STINE JENSEN, HAGAR PEETERS E.A.
ZIJ DENKT DUS ZIJ BESTAAT: OVER VROUWEN, MANNEN EN DENKEN
Ambo, 190 blz., € 16,95

In het najaar van 2007 discussieerden voornamelijk vrouwen in debatcentrum De Balie in Amsterdam over de kwestie of vrouwen wel kunnen schrijven. De aanleiding was het chronisch gebrek aan winnaressen van literaire prijzen. Voortbordurend daarop komt in deze essaybundel de minstens zo absurde en beledigende vraag aan bod of vrouwen eigenlijk wel kunnen denken: zij maken immers geen deel uit van de filosofische canon. Uiteraard is dat niet een kwestie waar de vijftien filosofes, de crème de la crème van de tweede sekse in de Nederlandse en Belgische wijsbegeerte, zelf mee worstelen, maar een waarmee zij zich wel dagelijks geconfronteerd zien.

Denken vrouwen anders dan mannen? werd hun gevraagd. Zij antwoordden in zeer uiteenlopende essays, zowel wat stijl als wat inhoud betreft. De meesten zien wel een verschil, maar dat is een risicovolle uitspraak, want ‘anders’ wordt al snel in ‘minderwaardig’ vertaald. En komt dat verschil dan door opvoeding of door het ontbreken van het Y‑chromosoom; nurture of nature? Een eenduidig antwoord komt er niet, zoals dat ook hoort in de betere filosofie, maar de weg er naartoe is zeker interessant.

Alle vrouwen worstelen met het thema. Zoals Stine Jensen terecht opmerkt, zal het voor de meesten al een dilemma geweest zijn om wel of niet mee te doen aan dit boek. Aandacht voor vrouwelijke filosofen is belangrijk, maar wil je daarmee jezelf neerzetten als vrouw? De positie van de underdog is een gevaarlijke: klagen over een tekort aan aandacht kan ook uitgelegd worden als gebrek aan talent.

Om te laten zien dat er wel degelijk sprake is van ongelijkheid krijgt de lezer eerst een overzicht van het aantal vrouwelijke medewerkers aan de wijsbegeertefaculteiten in Nederland. En nee, dat stemt niet vrolijk. Vervolgens laat Desanne van Brederode in een geestige dialoog vol roddel en achterklap zien dat vrouwenemancipatie niet enkel een strijd is tegen het dominante geslacht: met sommige vrouwen als vriendin heb je geen mannelijke vijanden meer nodig.

De toon van het boek is in zijn geheel niet die van mannenhaters. Eerder is de toon reflexief, relativerend en ook humoristisch. Zo vertelt Hagar Peeters het verhaal van Valerie Solanas, de oprichtster en het enige lid van de ‘bond tot het uitroeien van mannen’, maar ook de vrouw die een aanslag pleegde op Andy Warhol (die hij overleefde). Peeters laat stukken uit Solanas’ manifest lezen die zowel gestoord als vlijmscherp zijn, en gebruikt deze tragische geschiedenis terloops om zelf een aantal subtiele punten te maken.

In meer essays komt voorbij dat mannen meer theoretiseren in de filosofie, waar vrouwen juist niet alles in een theorie hoeven te vatten, meer neigen naar casuïstiek en afwijken van de strakke paden. Eigenlijk illustreren de verhalen dat al. De filosofes komen niet met keiharde waarheden, maar laten hun twijfels zien en schuwen geen paradoxen of ambiguïteiten. Simplistisch feminisme hoef je niet te verwachten, wel maken de vrouwen zich soms boos over het absurd langzame tempo waarin de sekseverhoudingen veranderen.

Opvallend is het aantal bijdragen van dertigers en veertigers; ook zij komen de aloude vooroordelen blijkbaar tegen. Wat dat betreft is dit boek een absolute aanrader voor vrouwen van in de twintig, mijn generatie, die in de veronderstelling verkeren dat zij in een sekseneutrale maatschappij leven en gelijke kansen krijgen. Sterker, zij zijn eraan gewend dat meisjes de hoogste cijfers halen en in vele studies de meerderheid vormen. Feministes zijn voor hen niets meer dan een archaïsch overblijfsel uit vervlogen tijden: goed dat ze er waren, maar wie nu nog klaagt over haar positie als vrouw zien zij eerder als een zeur dan als heldin. Deze essays schetsen helaas een andere realiteit. Misschien is wat vrouwelijke solidariteit daarom zo gek nog niet, ook voor de jongeren.

Bovendien voorziet het boek je van de broodnodige munitie mocht je ooit eens met iemand – man of vrouw – in zo’n vervelende ‘vrouwen-kunnen-niet’-discussie belanden. En, last but not least passeren heel wat vrouwelijke filosofen de revue en inspireert het wellicht tot het ter hand nemen van hun werk.

Stine Jensen, absolute uitblinker in dit boek, zegt: ‘Begin te denken daar waar het botst, schuurt en wrikt. Daar waar je twijfelt. Denken is een voortdurend bewegen tussen posities. Bij het denken over identiteit, over mannelijkheid en vrouwelijkheid stollen wij dat bewegen vaak tot vaste posities.’ Een goed advies dat zowel mannen als vrouwen zich ter harte kunnen nemen. In haar slotwoord haalt ze nog even stevig uit naar de conservatieve filosofen (Kinneging, Verbrugge) die, volgens haar, het Nederlandse filosofisch discours domineren met hun traditionele man-vrouw-opvattingen. Moderne, progressieve vrouwen genoeg die dat beter kunnen.