De kloeke uitgave oogt als het schetsboek van een kunstenaar, die zijn dierbaarste plekken in de natuur met liefde heeft vastgelegd. Over dubbele pagina’s ontrollen zich grootse boslandschappen, rotsen en rivieren. Daar niet echt bij passend zijn de onhollandse dorpen met hellende straatjes, en als mens treffen we echte Van Straaten-typen. Je herkent ze van verre: de schouders te hoog in het slobberpak, op te grote schoenen rondsjokkend in een treurige omgeving, waar ook het meubilair zijn steentje bijdraagt aan de sfeer van totale moedeloosheid.
Heel wat tekeningen worden bevolkt door kleine mensen, waar de illustrator minder goed mee uit de voeten kan. Ze hebben vaak zorgelijke ouwe-mannetjeshoofden boven op vreemd geproportioneerde lichamen, waar de ledematen net op de verkeerde plaats uitsteken. Maar ja, een kinderboek gaat nu eenmaal meestal over kinderen. Bij Van Straaten is het Jan. Hij komt met zijn moeder in een dorp wonen, waar ze niets moeten hebben van ‘stadsen’. Jan is een bangig, eenzaam jongetje dat wordt gepest. Hij zoekt zijn heil in de natuur en met name bij een gigantische sparreboom, waar hij vriendschap mee sluit. Wanneer de boom bedreigd wordt, haalt Jan hem in een serie heroïsche hakpartijen omver en peddelt als een vrije Batavier het verhaal uit.
Het gegeven is weinig opzienbarend. Angstige, gepeste kinderen zijn vaker beschreven en ook hoe hun een magische oplossing gegund wordt. Van Straaten maakt Jans fascinatie voor zijn boom zeker geloofwaardig en vooral voelbaar in de tekeningen, waar het kind een nietig frummeltje is tegenover de oneindigheid van heuvels, bomen en lucht. Helaas wordt een gedeelte weer tenietgedaan door de veelheid en de omslachtige nadrukkelijkheid van de woorden. Soms zijn er subtiele zinnetjes, zoals deze, waarin de scheiding van de ouders is gegoten: ‘Jan gaat hier met zijn moeder wonen en zijn vader helpt met verhuizen.’ Meestal is er echter sprake van hoog in de lucht tierelierende leeuweriken en van een soort W.G. v.d. Hulst-idioom: ‘Hij huilt. Hij huilt bittere tranen.’ En ook al is het al een half boek lang duidelijk hoe Jan zich schaamt omdat hij niet van zich afbijt: ‘Ja, denkt Jan, waarom ben ik altijd zo bang? Waarom doe ik nooit iets terug? Zelfs terugschelden doe ik niet.’ En zo zeurt het verder. Het is of de schrijver zichzelf noch zijn jeugdige lezers vertrouwt. Een strenge redacteur was hier op zijn plaats geweest, maar misschien zijn die voor beroemdheden nooit streng genoeg.