Ontevredenheid over het kabinetsbeleid

Zeurpietenland

Klagende burgers en een gebrek aan vertrouwen in de overheid. Ach, zei minister-president Jan Peter Balkenende, dit heb ik in de afgelopen jaren wel vaker meegemaakt. Dat klopt. Maar is dat reden om de schouders erover op te halen?

cda-premier Jan Peter Balkenende kon het vorige week niet laten. Geconfronteerd met de cijfers over de geringe tevredenheid van de Nederlander met het kabinetsbeleid verwees hij direct naar de kranten. Sla ze open en wat lees je: slecht nieuws. Twaalf jaar geleden experimenteerde het Eindhovens Dagblad met een goednieuwsbijlage bij de krant. Dat bleek voor de redacteuren geen gemakkelijke opgave. En dat was niet alleen omdat ze getraind waren met het idee dat goed nieuws geen nieuws is. Want wat te doen met de toenmalige overschrijding van het budget van het plaatselijke Catharina-ziekenhuis? Of de destijds slechte kwartaalcijfers van Philips? De journalisten losten het probleem op door te koppen dat het ziekenhuis extra veel patiënten had kunnen helpen en Philips versneld actie ging ondernemen om de winst te herstellen. Maar de goednieuwsbijlage kreeg geen vaste grond onder de voeten.

Balkenende moet dat jammer vinden. Was het een trend geworden, dan hadden de kranten, net als Balkenende zelf, afgelopen week bij het uitkomen van de Verantwoordingsbrief over 2007 juichend gemeld dat de economie vorig jaar harder was gegroeid dan verwacht, dat de staatsschuld sterker was gedaald dan was voorzien en dat de inflatie én de werkloosheid in Nederland lager zijn dan in andere eurolanden. Balkenende vindt het van cynisme en klagerigheid getuigen dat de Nederlander die zegeningen niet telt.

Maar in het onderzoek van de Universiteit Twente waar Balkenende de recente klagerigheid van de Nederlander op baseert, was de hamvraag niet hoe de burger denkt over de staatsfinanciën, de inflatie en de werkgelegenheid, maar of hij tevreden is over het kabinetsbeleid. Dat laatste is niet hetzelfde als het eerste.

Allereerst is het maar de vraag of de hoera-cijfers waar Balkenende naar verwees wel op het conto van kabinetsbeleid zijn te schrijven. Een overheid kan weliswaar voorwaarden scheppen voor een goed draaiende economie, zoals een goed beheer van de eigen financiën. Maar net zoals regerende politici er als de kippen bij zijn om te verwijzen naar externe factoren als het economisch slecht gaat, zouden diezelfde politici even royaal moeten zijn in het toegeven dat een goed draaiende economie niet het rechtstreekse gevolg is van hun beleid. Gezien het lage tevredenheidscijfer zou je kunnen zeggen dat de Nederlandse burger goed weet hoe ver de invloed van een overheid reikt.

Aannemelijker is echter dat de Nederlander niet op een weegschaaltje afweegt wie verantwoordelijk is voor een goed draaiende economie, maar verder kijkt dan Balkenende lief is. Waarom juichen over 2007 als er inmiddels een internationale kredietcrisis is die zijn weerga niet kent, banken miljarden moeten afschrijven, de olieprijzen de pan uit rijzen, er sprake is van een voedselcrisis waardoor de prijzen stijgen en de economische groei door het Centraal Plan Bureau naar beneden is bijgesteld?

Daar komt dan nog het daadwerkelijke kabinetsbeleid bij. Want ook zonder deze onzeker makende economische factoren is een treurig stemmende opsomming te maken van kabinetsbeleid. Alleen met erg veel creativiteit zouden de media daar goed nieuws van kunnen maken.

Zo blijkt uit de Verantwoordingsbrief dat de uitgaven voor de Uruzgan-missie vorig jaar hoger waren dan verwacht. Had de krant kunnen koppen: Wederopbouwprojecten succesvol? Nee, er is meer militair personeel, munitie en transport nodig, omdat het in Afghanistan onveiliger is dan was voorzien. Is het dan vreemd dat meer en meer burgers vraagtekens zetten bij de missie en het achterliggende buitenlandse beleid?

Ook de uitgaven voor de kinderopvang waren in 2007 hoger dan geraamd. Nieuwe opvangregeling een succes? Ook dat hadden de kranten niet kunnen koppen, omdat het niet te onderbouwen is met bijvoorbeeld een hogere groei van het aantal werkende vrouwen of een daadwerkelijke toename van het aantal kinderen dat naar de kinderopvang gaat. Wat hadden de media moeten maken van de constatering, inmiddels ook door het ministerie zelf, dat het onderwijsniveau in Nederland is gedaald en de conclusie van het parlement dat de overheid gefaald heeft als het om haar verantwoordelijkheid voor het onderwijs gaat?

En had de krant vorige week moeten schrijven dat mensen met een hoger inkomen vaak lekker goedkoop kunnen wonen, omdat ze in een huurwoning zitten, terwijl er volgens het Centraal Plan Bureau feitelijk sprake is van een totaal vastlopende huur- en koopwoningenmarkt? Of moet een krant juichend koppen dat de Nederlander geen koopkracht hoeft in te leveren voor de strijd tegen het stijgende water, terwijl er eigenlijk sprake is van een gebrek aan een gevoel van urgentie en gericht beleid, zoals voormalig minister van Landbouw, Cees Veerman, en hoogleraar Louise Fresco, beiden lid van de Deltacommissie, afgelopen weekend lieten weten?

Toen Balkenende vorige week zijn beklag deed over de klagende burgers en de media zei hij ook: ‘Ach, dit heb ik de afgelopen jaren wel vaker meegemaakt.’ Daarin heeft hij gelijk. Als het om vertrouwen in een kabinet gaat of tevredenheid over kabinetsbeleid glijden we in Nederland, weliswaar met nu en dan een opflakkering, sinds begin deze eeuw van historisch dieptepunt naar historisch dieptepunt.

Ook drie jaar geleden, in het voorjaar van 2005, was het nieuws dat vertrouwen in de toenmalige bewindslieden van het kabinet-Balkenende II lager was dan ooit tevoren. Terwijl dat kabinet bij zijn aantreden in 2003 juist openlijk had aangegeven te streven naar een herstel van het vertrouwen van de burger. Daarbij werd toen nog gedacht aan democratische vernieuwingen, zoals een gekozen burgemeester of een referendum, nu hoor je het kabinet daar niet meer over. Bovendien rekende het toenmalige kabinet erop dat de Nederlandse burger zou inzien dat na het zuur het zoet zou komen en daarmee het vertrouwen zou herstellen. Het liefst tegen de tijd dat er nieuwe verkiezingen zouden zijn. Bovendien verwachtte dat kabinet heil van het beter uitleggen van het eigen beleid.

Balkenende II is erom gehoond. De pvda, destijds de grootste oppositiepartij, wist niet hoe hard ze hierom moest lachen: haha, alsof je slecht beleid met behulp van goede communicatieadviseurs kunt omtoveren in goed beleid. Nu hopen de sociaal-democraten op hun beurt dat de burger aan het einde van deze kabinetsperiode zal proeven hoe zoet de vruchten van het gevoerde beleid zijn. Ook hopen ze dat het beter uitleggen van dat beleid begrip zal kweken. Al durven ze dat laatste gezien het recente verleden niet al te hard te zeggen.

Balkenende lijkt voor het gebrek aan tevredenheid en vertrouwen inmiddels zijn schouders op te halen. Niets wijst er nog op dat de minister-president zich afvraagt of de lage tevredenheidscijfers staan voor een nog steeds groter wordende kloof tussen de belevingswereld van de gewone burger en die van de politiek. Er zijn geen aanwijzingen meer dat hij zich bezint op de rol van politici daarin. Hij lijkt zich niet meer druk te maken over het achterliggende gevaar van die verwijdering voor de democratie en de rechtsstaat. Het is alsof Balkenende denkt: of ik nu regeer met de vvd en d66 of met de pvda en de ChristenUnie, het maakt allemaal niets uit; zoals het ook niet uitmaakt of ik hervormingen doordruk tegen de zin van een groot deel van de samenleving of juist naar die samenleving luister.

Samen met pvda-vice-premier Wouter Bos beklaagde Balkenende zich er vorige week over dat hij ook niet wist wat de kiezer dan wél wil. De oppositie kan ons wel verwijten geen visie, geen daadkracht en geen uitstraling te hebben, maar wat behelst dat als de kiezer in zijn partijvoorkeur alle kanten uit zwermt? Hoe kunnen wij daar nu een patroon uit aflezen?

In die alle kanten op springende partijvoorkeur zit echter meer patroon dan het lijkt. Een groot deel van de kiezers wil duidelijkheid. Dat kan de warme duidelijkheid zijn van de SP, die gepaard gaat met oog voor de dagelijkse werkelijkheid van veel Nederlanders, maar ook de stoere duidelijkheid van Trots op Nederland van Rita Verdonk, waaraan geen concreet beleidsvoornemen ten grondslag ligt. Die twee partijen staan in het politieke spectrum weliswaar zeer ver uit elkaar, maar het geeft aan dat de burger niet houdt van een kabinet dat komt met een niet na te vertellen waslijst aan vage beleidsvoornemens.

Een ander deel van het electoraat voelt juist voor de nuance, wil nadenken over het eigen gedrag als het gaat om grote maatschappelijke problemen en realiseert zich dat dit offers vraagt. Dat blijkt uit de gunstige peilingen voor zowel regeringspartij ChristenUnie als oppositiepartijen d66 en GroenLinks. Ook van dit deel van het electoraat kan worden gezegd dat het duidelijkheid wil, al betekent dat in dit geval juist over de complexiteit van hedendaagse problemen en de dilemma’s bij het oplossen daarvan.

De nieuwe pvda-fractievoorzitter Mariëtte Hamer heeft dit patroon gezien en voor de eerste soort duidelijkheid gekozen in een poging haar grootste concurrent, de SP, de wind uit de zeilen te nemen. Dat leidde direct tot een nieuwe aanvaring met cda-minister Piet Hein Donner van Sociale Zaken over het beleid voor jong gehandicapten. Een veeg teken voor de samenwerking binnen de coalitie.

Balkenende mag dan niet weten wat de kiezer wil, hij kan inmiddels wel weten dat de kiezer aan één ding een hekel heeft: ruzie. Dat wordt altijd afgestraft. Aan de premier de taak zijn vierde kabinet niet wederom uit elkaar te laten springen en tegelijkertijd óók nog met duidelijk beleid te komen. ‘Ik houd niet van klagerigheid’, zei Balkenende vorige week, ‘daar kom je geen stap verder mee.’ Dan zelf ook niet zeuren over negatieve media en klagende burgers die alle kanten uit lijken te zwermen.