Zeus gromt

Een revolver kwam er niet aan te pas, maar wel een reusachtige hamer die met een oorverdovende knal op een ijzeren plaat de ontzetting van Oedipus symboliseert op het moment dat hij zich realiseert wie hij is. Niet alleen de hamer had gigantische afmetingen, in de beste traditie van de mammoetopera’s die Holland Festival en Matinee op de Vrije Zaterdag jaarlijks gezamenlijk produceren, was in Oedipe van de Roemeense componist George Enescu alles maat XXL.

Van het breed opgezette libretto waarin de geschiedenis van Oedipus van wieg tot graf uit de doeken wordt gedaan, het drievoudige koor dat herhaaldelijk massaal wordt ingezet, en een tiental solisten tot een op volle sterkte musicerend orkest. En niet alleen in de vorm van de - in de partituur voorgeschreven - revolver trekt Enescu onorthodoxe registers open, de opkomst van de Sfinx gaat vergezeld van een zingende zaag, en waar het libretto spreekt van een nachtegaal, klinkt daadwerkelijk een pittoresk vogelgefluit.
Enescu werkte bijna twintig jaar aan zijn levenswerk (op een libretto van Edmund Fleg) dat in 1931 klaar was en vijf jaar later in premiere ging. In diezelfde periode, halverwege de jaren twintig, schreef Strawinsky zijn meesterwerk Oedipus Rex op een tekst van Jean Cocteau. In veel opzichten zijn deze twee versies van Sophokles’ tragedie elkaars tegenpolen. Tegenover de strakke vorm en beknoptheid van Strawinsky staat de vertelzucht van Enescu. Geen enkel detail laat hij buiten beschouwing, elk personage mag zijn zegje doen. Dit gevoegd bij het feit dat ook de muziek lijdt aan een uitgesproken breedsprakigheid maakt Oedipe tot een onhandig groot ding. Toch bleek bij de uitvoering afgelopen zaterdag in het Concertgebouw dat de muziek vaak erg de moeite waard is en dat Enescu - ondanks alle inhaalmanoeuvres van de afgelopen jaren - nog altijd een ondergewaardeerd componist is.
De ouverture begint met een donker, onheilspellend gegrom. Het ondergrondse gerommel (‘Zeus gromde!’, meent de herder) keert telkens als leidmotief in de opera terug. Middels grote symfonische gebaren - van schrijnende violen tot dreigend geroffel - wordt het drama in een notedop geschetst. Opvallend is de overgang naar de eerste scene: de hobosolo die de concrete gebeurtenissen inleidt, klinkt opeens heel realistisch en anekdotisch. Plaats van handeling is dan het hof in Thebe, waar de geboorte van Oedipus wordt gevierd. Tegenover jubelende koren en een kolkend orkest staan lieflijke fluitsoli gedrapeerd over een bed van violen. Harp en tamboerijn completeren het beeld van bloemetjes en bijtjes.
Toch is dit clichematige idioom niet representatief voor de opera. Het meest eigen is Enescu in een complex meerstemmig klankbeeld, waar de invloeden van Debussy, Saint-Saens, Franck en Faure doorheen schemeren (slechts een enkele keer doet de muziek van Enescu denken aan die van zijn Slavische collega Bartok). De polyfonie van Enescu maakt de muziek soms stuurloos, maar meestal is het resultaat prachtig suggestief en rijk aan ideeen.
En zoals altijd in de Matinee was de uitvoering om de vingers bij af te likken. Het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor, uitgebreid met het Transylvanisch Philharmonisch Koor, werden geleid door dirigent Lawrence Foster, die dit werk eerder op cd zette. Binnen de uitstekende cast zangers schitterde David Wilson- Johnson die een even eerbiedwaardige als tragische Oedipus neerzette.
De enige teleurstelling in deze opera is het slot. Waar Strawinsky op het meest huiveringwekkende moment - Oedipus komt met uitgestoken ogen het paleis uit - een dubbele streep zet, werkt Enescu heel geleidelijk naar een happy end toe. In zijn interpretatie legt Oedipus, die met Antigone door de bossen zwerft, zich neer bij zijn lot. Terwijl de muziek rustig en melodieus voortkabbelt, sterft hij vredig. Het donkere gegrom uit het begin is nu getransformeerd tot een subtiel wegebbend roffeltje.