John F. Kennedy: De mythe

Zeven seconden

Het was de ‘9/11 van de jaren zestig’: de moord op Kennedy veranderde Amerika ingrijpend. Nog steeds weet het land niet goed hoe het moet omgaan met die paar seconden die de ruggengraat van de natie braken.

Medium 42 34979113

Het probleem van de moord op Kennedy is natuurlijk dat we er te veel van weten. We weten wie het gedaan heeft, waar, vanaf welke verdieping, met welk geweer (de 6,5 mm Carcano Model 91/38), met welke kogels, via welke kogelbanen, we weten wat voor weer het was en wat het exacte tijdstip was waarop het eerste schot klonk en het exacte tijdstip waarop het laatste klonk, zeven seconden later. Hoewel het nooit echt is uit te leggen waarom iemand moordt, weten we ook waarom Lee Harvey Oswald vanuit het Texas Book Depository aanlegde en het vuur opende op Kennedy.

We hebben beeldmateriaal van de moord: meer dan dertig voorbijgangers, dagjesmensen en fans fotografeerden of filmden de jonge president met zijn mooie vrouw in de sportieve open auto. De erfgenamen van hobbyfilmer Abraham Zapruder ontvingen van de National Archives 615.384 dollar per seconde voor de opnamen waarop te zien is hoe de kogels inslaan, hoe Kennedy naar zijn nek grijpt, hoe de achterkant van zijn schedel openklapt als een pakje sigaretten. De volledige opname duurt 26 seconden en is derhalve een slordige zestien miljoen dollar waard, waardoor de Zapruder-film in feite de duurste film is ooit gemaakt – wat weer niet heel gek is, als je bedenkt dat hij, meer dan welke speelfilm ook, deel uitmaakt van het collectieve bewustzijn van naoorlogs Amerika, en waarschijnlijk ook de rest van de wereld.

De Warren-commissie, de fbi en de cia hielden meer dan 26.000 interviews, schreven meer dan dertigduizend pagina’s rapport en compileerden een 26 delen tellende encyclopedie van getuigenissen – en dan zullen er in de toekomst nog eens zo’n vier miljoen pagina’s archiefmateriaal worden vrijgegeven als hun ‘geheim’-status is verjaard of de betrokken personen zijn overleden.

In Libra (1988), Don DeLillo’s grote Oswald-roman, werkt een gepensioneerde analist in opdracht van de cia aan een ‘geheime geschiedenis’ van de aanslag, geschreven voor de geheime dienst alleen. Hij werkt er al vijftien jaar aan, maar ‘the stuff keeps coming’: ‘Everything is here. Baptismal records, report cards, postcards, divorce petitions, canceled checks, daily timesheets, tax returns, property lists, post-operative X-rays, photos of knotted string, thousands of pages of testimony. (…) There is Jack Ruby’s mother’s dental chart, dated January 15, 1938. There is a microphotograph of three strands of Lee H. Oswald’s pubic hair.’

Het is niet alleen een parodie, DeLillo laat ook zien wat het essentiële probleem is van alle kennis van de moord: dat die zich op een of andere manier niet bij elkaar laat optellen, dat deze feiten al decennia niet overtuigen. Er zijn zoveel verhalen waarvan we niet weten wat we ermee moeten, zoveel personages die het verhaal zijn binnengeslopen zonder dat we begrijpen wat ze er precies te zoeken hebben. De Amerikaanse historicus Timothey Melley schrijft in Empire of Conspiracy: The Culture of Paranoia in Postwar America (Cornell University Press) dat juist de omvang van het onderzoek het onderzoek altijd al heeft ondermijnd: de bereidheid elk gerucht te controleren, elke theorie na te lopen, impliceert een onzekerheid over hoe ver de causaliteit van de moord loopt. In de impuls alles en iedereen te willen analyseren, is het onderzoek de facto net zo paranoïde als de mensen die schreeuwen dat de cia het zelf heeft gedaan.

Waarom blijven de feiten niet kleven? Allereerst omdat ze vandaag, vijftig jaar na dato, nog steeds blijven binnenstromen. In Philip Shenons pas verschenen en danig gehypeteAnatomie van een aanslag(Atlas Contact) wordt gewag gemaakt van Oswalds reisje naar Mexico, waar hij zich op een Cubaanse ambassade agressief had uitgelaten over Kennedy. Nieuwe bevindingen, nieuwe getuigenissen. Als de ene je niet bevalt, neem je een andere. Zo gaat het ook met de biografieën. Wil je horen dat Kennedy een president was met diepe conservatieve wortels, lees dan JFK: Conservative (Houghton Mifflin) van Ira Stoll. Denk je dat Kennedy wel degelijk kans zou zien om Amerika door Vietnam heen te loodsen, terwijl hij in zijn laatste maanden steeds meer opkwam voor de burgerrechten van zwarte Amerikanen? Lees dan De laatste honderd dagen van JFKvan Thurston Clarke (De Bezige Bij). Geloof je dat Kennedy verslaafd was aan seks en drugs, dat hij een wandelend wrak was met connecties met de maffia? Lees dan The Dark Side of Camelot van Seymour Hersh (Little, Brown Company). Allemaal boeken van gewaardeerde journalisten, allemaal radicaal verschillend van elkaar.

Het essentiële probleem van alle kennis van de moord: de feiten overtuigen niet, laten zich niet bij elkaar optellen

Verandert het iets? Nee, want Kennedy is inmiddels well out of reach van gewone historici. Misschien is hij dat altijd wel geweest: in Gore Vidals essays over de Kennedy-familie (opgenomen in United States: Essays 1952-1992, Abacus) analyseert Vidal, die behalve schrijver ook een Washington DC-ingewijde was, al hoe zeer Kennedy onaantastbaar was voor public scrutiny. Hij beschrijft hoe hij Kennedy zag spreken en omdat hij aan de zijkant van het podium stond, een beetje van onder, zag hij hoe geweldig Kennedy’s handen trilden. Zenuwen, of iets anders. Maar hij zag ook dat Kennedy een elegante, getrainde manier had om dit te camoufleren, door armgebaren te maken op het juiste moment en ervoor te zorgen dat zijn handen nooit te lang zichtbaar waren. De volgende dag stond in de krant dat een blakende Kennedy vol zelfvertrouwen speechte. ‘This tension between the serene appearance and that taut reality add to the poignancy of the true legend.’

Nog minder leuk voor historici is dat of Kennedy nu een slechte president was of niet, een rokkenjager of niet, niet bepalend zal zijn voor hoe hij de geschiedenis in gaat. Kennedy won zijn presidentschap met een minuscule electorale meerderheid, zijn inaugurele speech (‘ask not what your country can do for you – ask what you can do for your country’) waarin hij zei dat de fakkel was doorgegeven aan een moedige, nieuwe generatie Amerikanen die afstevende op een ‘new frontier’ werd heus niet door alle televisiekijkers geloofd, maar op het moment dat hij vermoord werd, voelde het wel als een belofte die niet was uitgekomen. Misschien was die belofte als hij was blijven leven nooit uitgekomen, maar nu kreeg hij die kans niet eens. DeLillo noemt de moord ‘the seven seconds that broke the back of the American century’ – zo wordt de aanslag herinnerd.

Norman Mailer zei dat we de feiten van de moord niet konden geloven omdat ze niet pasten bij onze manicheïstische intuïtie: Kennedy was de droom van Amerika, een gouden man, de favoriete zoon, en zijn moordenaar was maar een nietig mannetje. We willen liever geloven dat iemand die zo glorieus was als Kennedy door middel van een enorme kwaadaardige schaduwoperatie is omgebracht, dan door een toevallige passant in de wereldgeschiedenis.

Medium rtxmbl2

Die toevallige passant was uiteraard Lee Harvey Oswald, 24 jaar oud. Hij was eenzaam, verbitterd, hij verliet Amerika voor de Sovjet-Unie, maar dat bleek niet het land van melk en honing dat hij hoopte. Hij was arm, zijn huwelijk was mislukt, hij verzamelde wapens – met terugwerkende kracht past hij heel goed in het profiel van een recenter verschijnsel: de man die een school binnenloopt en iedereen om zich heen neerschiet, en daarna zichzelf. Hij wilde iets dat buiten zichzelf stond. ‘Happiness’, schreef hij in zijn dagboek, ‘is not based on oneself, it does not consist of a small home, of taking and getting. Happiness is taking part in the struggle, where there is no borderline between one’s own personal world, and the world in general.’

Dat zijn verhaal dat hij een zondebok was, een ‘patsy’, zo snel werd geloofd, had er misschien mee te maken dat hij leek te passen in een traditie die in de jaren voor de moord vaker voorkwam in de populaire cultuur, die van de ‘accidental assassin’ – zoals Michael Newton, verbonden aan de Universiteit van Leiden, het noemt, in zijn studie Age of Assassins: A History of Conspiracy and Political Violence (Faber First). In Alfred Hitchcocks avontuurlijke spionagefilm North by Northwest (1959, een enorm kassucces) wordt de reclameman, gespeeld door Cary Grant, aangezien voor een spion, mannen met gleufhoeden proberen hem te vermoorden en als dat niet lukt, schuiven ze hem een moord in de schoenen. Grant is een patsy. Iets soortgelijks gebeurde in The Manchurian Candidate (1962, van John Frankenheimer), waarin twee gehersenspoelde Korea-veteranen, onder wie Frank Sinatra, worden ingezet om een aanslag op een presidentskandidaat te plegen. De film verscheen midden in de Cubacrisis en werd voor verschillende Oscars genomineerd.

Het onderzoek naar de moord is net zo paranoïde als de mensen die schreeuwen dat de CIA het zelf heeft gedaan

Don DeLillo geeft een interpretatie van Oswalds woorden over wat geluk is in Libra. Zijn Oswald is passief, ongelukkig, zoekend, manipuleerbaar, hij leest dikke boeken maar leest ze langzaam, hij houdt van zijn vrouw maar slaat haar. Er is weinig in zijn leven waar hij geen spijt van heeft. ‘He wanted to carry himself with a clear sense of role, make a move one time that was not disappointed. He walked in the shadows of insurance towers and bank buildings. He thought the only end to isolation was to reach the point where he was no longer separated from the true struggles that went on around him. The name we give to this point is history.’

Natuurlijk verzint DeLillo een plot rond de moord – wie kan dat weerstaan? Een groepje cia-agenten wil een aanslag op Kennedy plegen die moet mislukken, maar waarmee wel het land wordt wakker geschud voor de dreiging van Russen, Cubanen, communisten, de maffia en alles wat duister is. Ze zien in Oswald een geweldige potentiële mislukkeling, ware het niet dat een van de agenten een complot-in-het-complot bedenkt en het stiekem een beter plan vindt als ze Kennedy écht vermoorden. Vanuit het Book Depository kijkt Oswald door de lens op zijn vizier en nog voordat hij de trekker overhaalt ziet hij al iets gebeuren. ‘A terrible splash, a burst. Something came blazing off the President’s head.’ Oswald vlucht, maar het is te laat.

In de andere grote romans die de moord verbeelden, zijn er niet heel veel variaties. De Oswald-in-fictie handelt zelden alleen. In James Elroy’s American Tabloid (1995) ontdekt een heroïne dealend groepje fbi-agenten dat de maffia met Cubanen samenspant om de president te vermoorden. Ze doen niet niets. De roman eindigt (het is het eerste deel van een trilogie) met een van de hoofdpersonen op Dealy Plaza, die met zijn ogen dicht staat te wachten totdat hij de schoten hoort. In Alan Moore’s cultcomic Watchmen (1986) staat superheld The Comedian boven op de grassy knoll, met een sigaar in zijn mond en een geweer in zijn handen, grote grijns op zijn gezicht. Norman Mailers Oswald’s Tale: An American Mystery (1995) is feitelijk een non-fictieboek, behalve dan dat de schrijver heel losjes met de feiten omspringt. In Mailers interpretatie handelde Oswald alleen, maar werd er alsnog op Dealy Plaza door een tweede schutter geschoten, een Oswald-dubbelganger, die op hetzelfde moment op dezelfde plek het vuur op Kennedy opende.

De werkelijkheid is dat deze romans, zoals er ook talloze films over de aanslag zijn, niet de definitieve historische of culturele waarde van de aanslag weten te vatten. Die vind je eerder terug in de non-fictie-essays van Joan Didion, waarin ze heel nauwgezet registreert hoe zij die paranoia en achterdocht volledig heeft geïnternaliseerd. Haar The White Album (1968) is een aaneenschakeling van observaties waarin ze tot de conclusie komt dat het narratief dat een maatschappij hoort te volgen steeds verder uit het zicht is geraakt. Het publieke verhaal van het land viel uit elkaar, iedereen voelde dat er dingen speelden die niet hardop werden gezegd. Didion schrijft dat toen ze hoorde van de Manson-moorden, ze verbaasd was hoe zeer niemand verbaasd was. Het hing in de lucht.

Je vindt diezelfde grondhouding terug in de films van Alan J. Pakula (The Parallax View, All the President’s Men) en allerlei andere filmmakers van de ‘paranoid style’ van de jaren zeventig – een stijl die helemaal werd waargemaakt en zich voorgoed nestelde in de Amerikaanse cultuur toen bleek dat je met recht paranoïde ten opzichte van je eigen regering moest zijn, post-Watergate.

En dus heeft alles met alles te maken. Zijn er geen toevallige voorbijgangers meer. Wat maken we van Judith Campbell Exner? schreef Adam Gopnik in The New Yorker, ze was een tijdje de minnares van Kennedy, dat staat vast, zoals het ook vast staat dat ze iets met Frank Sinatra had en met maffiabaas Sam Giancana, allemaal binnen een paar jaar tijd. Denk aan Mary Pinchot Meyer, ook een minnares van Kennedy, voorheen getrouwd met een cia-agent, bevriend met de aartsvader van lsd, Timothy Leary – ze werd vermoord gevonden in een steegje in Washington DC, de dader werd nooit opgepakt. In alle romans of films of complottheoriewebsites zouden deze vrouwen spionnen zijn, zouden ze via de één informatie naar de ander doorsturen – maar als je naar het Amerika van die tijd kijkt, was het veel meer een open maatschappij dan het nu is, waar mensen sneller sociaal klommen en daalden, in meer uiteenlopende milieus terechtkwamen. Nu gelooft niemand nog in zulke open maatschappijen.

Het Watergate-schandaal bevestigde indirect iedereen die geloofde dat de overheid er geheime methodes op nahield. Het was de kroon op de Kennedy-moord. Zoals The Atlantic onlangs opmerkte: de ‘paranoid style of American politics’ is de enige style van American politics die nog resteert. Anders gezegd: de aanslag op Kennedy heeft bepaald hoe we naar de aanslag op Kennedy kijken.


Beeld: Hamburger Kunsthalle, Duitsland / The Gallery Collection / Corbis

Beeld: JFK Library / The White House / Cecil Stoughton