Essay: Crisis in de democratie

Zeven slechte dagen voor de waarheid

Sinds de zesde mei is er geen crisis in de democratie ontstaan; een allang bestaande crisis is acuut geworden, meent Geert Mak. Dat geeft reden tot waakzaamheid, en misschien wel tot groot alarm rond het woord ‘vrijheid’.

Voltaire vertelde al hoe het hoorde: ‘We zijn de levenden respect verschuldigd, maar de doden zijn we niets anders verschuldigd dan de waarheid.’

Een groot deel van Nederland deed vorige week precies het omgekeerde. Alleen het verdriet van de vele duizenden rouwenden, van Fortuyns vrienden en aanhangers, van de geschokte democraten, dat was eerlijk en gemeend. Voor de rest waren het slechte dagen voor de waarheid.

Ik telefoneer regelmatig met een oude vriend. Hij woont ergens in Europa, hij is ver in de tachtig, en hij kookt van onrust. Ooit stond hij in het concentratiekamp Amersfoort op de appèlplaats, dag na dag. Daar beleefde hij de totale willekeur waarmee met het leven van onschuldigen kan worden gespeeld, de absolute rechteloosheid waartoe een mens kan verzinken. Die herinnering heeft hem altijd voortgedreven: er moet recht zijn, en een soort orde, ook tussen de naties. ‘Rechteloosheid is de hel’, leerde hij me altijd. Tussen mensen, maar ook en vooral tussen de naties, tussen de sterken en de zwakken, tussen de denkenden en de andersdenkenden.

Nu dreigt die hel zich, volgens hem, weer te openen. In de Verenigde Staten zette de machtsgreep van George W. Bush een totaal nieuwe toon – niet die van de Republikeinen, maar die van een extreem rechts fundamentalisme. In Italië klinkt enkel nog het lied van Silvio Berlusconi. Vorige week werd in Frankrijk Jean Marie Le Pen overtuigend verslagen – maar toch triomfeerde hij want er was, ook hier, een nieuwe toon gezet. En nu is er Nederland, waar een politicus is vermoord wegens zijn opinies en waar vervolgens een hetze groeit tegen links waarbij vergeleken het zogenaamde demoniseren van Fortuyn kinderspel is.

Mijn oude vriend belt in het rond. We moeten een Comité Waakzaamheid oprichten, het moet opnieuw, zegt hij. ‘Maar misschien leven we wel niet meer in de jaren dertig. Toen was Amerika er nog, als een stabiele factor op de achtergrond, een beschermer van het gedachtegoed van de Verlichting. Nu is Amerika zelf instabiel geworden. We leven weer in de periode tussen 1870 en 1914, die warrigheid, daar lijkt het veel meer op.’ Dat zegt hij allemaal, en ik zie zijn intense ogen voor me.

Heeft mijn vriend gelijk? De warrigheid bestaat zeker. In Nederland waren verkiezingen zelden zo impulsief, zo onduidelijk. Linkse stemmers die op internet de zogenaamde ‘stemwijzer’ raadplegen, merken tot hun verbazing dat ze aan de ChristenUnie worden gekoppeld. Dat is tekenend voor de grensvervaging, en tegelijkertijd voor de moraliteit die beide kanten van de samenleving blijkbaar toch gemeen hebben.

Pim Fortuyn bond zijn kiezers met een nieuw sociaal en moreel appèl, een verhelderende cocktail van ideeën en provocaties, gecombineerd met een narcistische levensstijl en een losse houding tegenover zeden en moraal. Of hij het als premier langer dan een kwartaal zou volhouden, was zeer de vraag. Het gaf allemaal niks, in het verwarde Nederland herkenden duizenden hem als één van de hunnen. En nu, na zijn dood, zijn alle tegenstrijdigheden helemaal vergeten, opgelost in Eén Hoger Nationaal Gevoel.

Het kunnen dus aanstaande woensdagavond ongehoorde verkiezingsuitslagen worden. Er is een potentieel losgemaakt dat door intellectuelen, liberalen, links-radicalen en sociaal-democraten altijd is genegeerd: de narrige taxichauffeurs, de verarmde bejaarden, de huismoeders die klem zitten in een rotbuurt, de twintig á dertig procent van de Nederlanders die je zou kunnen betitelen als reactionair, verbitterd of gewoon in de steek gelaten. Er is sinds de zesde mei geen crisis in de democratie ontstaan, er is een allang bestaande crisis acuut geworden.

Ik heb eindeloos gekeken naar de mensen die bij al die bloemen stonden, in Hilversum en in Rotterdam. Dat waren niet zelden heel gewone, wanhopige mensen die in Fortuyn een nieuwe leider zagen; een groep die al lang geleden door links en de sociaal-democratie als overbodige ballast was achtergelaten. Die mensen zaten altijd verscholen tussen de hoge percentages niet-stemmers, vaak logeerden ze noodgedwongen bij de VVD en het CDA, soms bij de kleine extreme partijen. Pim Fortuyn heeft, met zijn dood, deze bittere krachten in een klap gemobiliseerd en onder een noemer gebracht.

We kunnen, kortom, een fabelachtige eenmansrevolutie verwachten. Tegelijk is en blijft het, ondanks alles, een eenmansrevolutie, een revolutie die vrij snel weer zal uitdoven omdat er geen organisatie is, omdat het alleen om emoties gaat. Het drama van Pim Fortuyn zet het land op zijn kop omdat het een verhaal is dat zich exact voltrekt volgens de wetten van het theater en het drama. Het is de klassieke geschiedenis van de Messias die zichzelf offert of, als je het anders bekijkt, van de Icarus die de zon te dicht nadert. Het is een levensdrama over idealen en megalomanie dat zich in de realiteit afspeelt – of beter gezegd: in het schemergebied dat de media realiteit noemen.

Een andere kwestie is of Fortuyns bliksemcarrière een blijvend spoor zal nalaten als alle emoties zijn geluwd. Daarover valt nog weinig te zeggen. Andere partijen kunnen – en zullen – elementen van Fortuyns show en inhoud overnemen. Uit de gelederen rond Fortuyn zelf kan onverwacht een nieuw talent opstaan – al is dat vrij onwaarschijnlijk. De kans is groot dat er een sluier van cynisme over Nederland zal neerdalen, dat de gordijnen zich nog dichter zullen sluiten, en dat we nog lang weldoorvoede dames en heren zullen horen roepen dat dit stabiele, steenrijke land ‘op de rand van de afgrond staat’.

De houding van de meeste gevestigde partijen tegenover het fenomeen Fortuyn stemt evenmin tot optimisme. Vaak was die houding zelfs verontrustender dan het verschijnsel zelf. Als ik aan deze weken terugdenk dan zie ik niet de beelden van Pim Fortuyn op mijn netvlies – behalve zijn hartverscheurend eenzame liggen op dat asfalt – maar het zwijgen, het jargon, het wegkijken, de angst voor het andere, de geslotenheid en daarmee ook de kwetsbaarheid van de gevéstigde politieke circuits. ‘Deze informatie is zo recent, hierover heb ik mij nog geen mening kunnen vormen’, zei robot Balkenende een kwartier na de dood van Pim Fortuyn.

Als Pim Fortuyn iets zonneklaar heeft aangetoond, dan is het de bijna prerevolutionaire situatie binnen de Nederlandse politiek. Bijna elke revolutie verloopt in meerdere fasen, een voorrevolutie, een 1870, een 1905, een 1923, een revolutie die de weg nog moet zoeken tegenover een gezag dat al wankelt.

Zelden was Nederland zo in zichzelf gekeerd als de afgelopen maanden. Het milieu en het veranderende klimaat – in deze jaren toch geen geringe zaken – waren compleet van de agenda verdwenen. Bij het onderwijs ging het alleen maar over orde en aantallen – geen woord over de inhoud. Cultuur telde al helemaal niet meer mee. Over de Derde Wereld is deze weken nauwelijks een zinnig woord gezegd. Aids en de hongersnood in zuidelijk Afrika bestonden niet. Aan de uitbreiding van Europa – het meest ingrijpende vraagstuk van de komende vier jaar, ook voor Nederland – werd één enkele schermutseling gewijd. Zelden was de blindheid voor Europa en de rest van de wereld groter.

We leven in een tijd van verschuivende prioriteiten, en zelfs van verschuivende denksystemen. Structuren die de politiek lijn gaven – ook op internationaal gebied – verkruimelen. Ondertussen vindt de meest ingrijpende volksverhuizing plaats sinds eeuwen: de massale migratie van platteland naar stad. In 1960 leefde tweederde van de mensheid nog een boerenbestaan. In 2025 zal, volgens de laatste prognoses van de Verenigde Naties, tweederde van de mensheid in een stad leven. De gevolgen van die volksverhuizing zien we overal om ons heen: in de megasteden van de Derde Wereld, in de uitpuilende asielzoekerscentra, in de moskeeën van Bos en Lommer, in de oorlogen op de Balkan, in een toenemend fundamentalisme onder moslims, christenen en joden.

In het begin van de jaren negentig uitte de Amerikaans-Hongaarse historicus John Lukacs de veronderstelling dat het begin van de 21ste eeuw weleens een groot historisch keerpunt kon markeren: het einde van de moderne tijd. Hij begint meer en meer gelijk te krijgen. Het is opvallend, zo betoogde Lukacs, dat de meeste kenmerken van die ‘moderne tijd’ op dit moment duidelijk verdwijnen of al verdwenen zijn: de expansie van Europa, de koloniale rijken, de Atlantische Oceaan als wereldcentrum van geschiedenis en besluitvorming, het ideaal van de wetenschappelijke objectiviteit, het liberalisme, het handhaven van de rechtsstaat als hoofddoel van nationale staten, het vruchtbare samengaan van aristocratie en democratie, de vrijheid, de gelijkheid, de broederschap.

‘De meeste van deze voorwaarden en idealen zijn nu verzwakt’, concludeerde John Lukacs. ‘Sommige zijn helemaal verdwenen. Ze werden gecreëerd en belichaamd door instituties die nog steeds bestaan en functioneren, maar met steeds wisselende doeleinden; veel ervan zijn ook verouderd en sclerotisch. We zijn nog niet aan het eind van een tijdperk. Maar we zijn al over de helft, in een overgangstijd naar een nieuw tijdperk waaraan onze afstammelingen een nieuwe naam zullen geven.’

Is er iets te redden uit deze verwarring; een paar schatten, een paar gedachten uit die Middeleeuwen van straks, die langzaam verdwijnende moderne tijd? Het is de vraag in hoeverre een mens tegen het tij van de historie kan inzwemmen, maar mijn oude vriend probeert het met alle kracht die in hem is: het behouden van bepaalde waarden, het doorgeven van de lessen van de Verlichting, het omringen van de vrijheid, gelijkheid en broederschap met een ring van vuur. Dat drijft hem voort. Daarom roept hij: ‘Waakzaamheid!’ En hij kan het weten.

Wat, allereerst, moet worden gered is het woord ‘broederschap’. De sociaal-democratie, en daartoe behoort ook de christelijke en liberale sociaal-democratie, is en blijft een enorme verworvenheid. Het is een uiterst succesvolle combinatie gebleken van menselijkheid en kapitalisme, van idealisme en nuchtere markt. Maar, zoals de Duitse filosoof Rüdiger Safranski het onlangs in deze krant glashelder uitdrukte: de sociaal-democratie kent een enorme bedreiging van binnenuit, namelijk de almaar toenemende zelfvoldaanheid van zowel bestuurders als onderdanen. ‘De donkere kant van de sociaal-democratie is dat je na verloop van tijd niet meer ziet hoe kostbaar ze is. De gewenning van een risicovrij leven ligt op de loer. Omdat we gelukskinderen zijn en al enige tijd in een tamelijk beschermde situatie leven, sluipt er gemakzucht in ons mensbeeld.’

Die gemakzucht uitte zich in het gesloten wereldje van links, dat, met uitzondering van de SP, ondanks alle signalen en alle sociale retoriek, geen oog wilde hebben voor de groeiende bitterheid aan de échte onderkant van onze Nederlandse samenleving. Zogenaamd weldenkend Nederland leefde en dacht binnen zelf geschapen constructies, en in problemen die daar niet bij pasten – uitkeringsfraude, mensensmokkel, nare Marokkaanse jongetjes – had men absoluut geen trek. Die gemakzucht uit zich ook in de langzame uitholling van onze mondiale broederschap, van de Internationale die ooit miljoenen over de hele wereld tot tranen roerde en golven van herkenning en solidariteit opriep. Waar is het allemaal gebleven? We willen alles weten over bommenleggers en idiote imams. We omhelzen nu massaal het ‘zij tegen wij-principe’ van onze nieuwe volksheilige. Maar doen we nog enige poging om te weten te komen wat er écht omgaat bij de meerderheid van de wereldbevolking die per ongeluk aan de foute kant van de globe is geboren?

Na de bomaanslag op de elfde september gaf de Turkse auteur Orthan Pamuk een nuchtere beschrijving van het leven van een gewone burger zoals hij dat vaak meemaakt; het leven in een straatarm, ondemocratisch, vaak islamitisch land. Zo’n burger weet dat hij is veroordeeld tot een zwaar, kort en meestal onbeduidend leven. Hij weet bovendien dat zijn armoede tot op zekere hoogte ook nog eens het gevolg is van zijn eígen dwaasheden en onvolkomenheden, of die van zijn ouders of grootouders. En dan schrijft Pamuk: ‘De westerse wereld heeft nauwelijks besef van dit overweldigende gevoel van vernedering dat gevoeld wordt door de meerderheid van de wereldbevolking. Het is een gevoel dat mensen moeten proberen te overwinnen zonder hun gezonde verstand te verliezen, zonder verleid te worden door terroristen, extreme nationalisten of fundamentalisten.’

Dit is de grimmige, getroebleerde privésfeer die vrijwel geen exotisch reisverhaal aanstipt, waarover je zelden een politieke analyse leest en die alleen maar nog problematischer wordt door alle oorlogskreten, nationalistische toespraken en nieuwe militaire acties van het Westen. Het begrip vermindert, de broederschap lost op, daden en woorden van het Westen dragen de wereld in snel tempo verder weg van de vrede.

Een tweede ring van vuur moet worden gelegd rond het woord ‘gelijkheid’, of beter: ‘gelijkwaardigheid’. De bittere mensen op het Rotterdamse Burgerplein raasden over de ‘regentenkliek’ en de ‘elite’. In officiële termen wordt gesproken over het ‘democratisch deficit’, maar het gaat om hetzelfde.

Jaren geleden vertelde een in Thailand wonende vriend over het politieke systeem in zijn land. ‘Het is hier heel simpel en primitief’, zei hij. ‘Er zijn vijf clans die aan hun leden gunsten en functies uitdelen, en die om beurten aan de macht komen, in wisselende coalities.’ Vorige week zaterdag publiceerde NRC Handelsblad Magazine een analyse van de Nederlandse democratie die op precies hetzelfde neerkwam. Zonder één uitzondering deelden de ondervraagden het onbehaaglijke gevoel dat er iets heel essentieels niet klopt. Ik citeer: ‘Democratie is niet meer te herkennen.’ ‘Naar de periferie.’ ‘Langste tijd gehad.’ ‘Grootscheepse vorm van zelfbedrog en zelfmisleiding.’ Let wel, het ging hier om vrijwel de complete top van het Nederlandse politicologengilde, mensen die al jaren beroepshalve het systeem analyseren.

Dit verschijnsel beperkt zich evenmin tot ons land. Het grand project van Jean Monnet heeft de lidstaten van de Europese Unie een ongekende vrede en voorspoed gebracht. Het heeft, inderdaad, een zekere juridische orde geschapen op een continent dat eeuwenlang voornamelijk leefde in een toestand van oorlog of wapenstilstand. Maar ondanks alle retoriek is het nooit een project van de Europese burgers geworden. Het was en het bleef een bijna negentiende-eeuws elitair, technocratisch en zelfs aristocratisch verschijnsel. Nog altijd verkeert het Europese parlement in een situatie die sterk doet denken aan de positie van de Reichstag onder keizer Wilhelm II.

Ook dat gebrek aan legitimatie – dat steeds pijnlijker wordt naarmate de bevoegdheden van de EU zich uitbreiden – begint zich nu te wreken. Het Europese democratische deficit spookt weer rond in de nationale politiek van de Europese lidstaten, binnengeglipt via diezelfde achterdeur van Haider, Berlusconi, Le Pen en al die andere nationale protestpartijen. Als een trage golf overspoelt dat deficit iedereen die werkt aan de opbouw van een nieuw Europa, dreigt het alles terug te draaien tot – inderdaad – een marginale, van bovenaf opgelegde eenheid, in plaats van een levende, op elkaar inwerkende gemeenschap.

Het democratische probleem zou in het centrum van het politieke debat moeten staan.

Ten slotte is er reden tot waakzaamheid, misschien wel reden tot groot alarm zelfs, rond het woord ‘vrijheid’. Rond de vrijheid van meningsuiting, die onverwacht in de vuurlinie ligt. Maar ook rond de vrijheid in de breedste zin van het woord.

Net als in de jaren twintig is de eerste grote aanval op het liberale Europa uit Italië gekomen. Het nieuwe van Silvio Berlusconi was en is een geraffineerde combinatie van moderniteit en nationalisme, plus een sterke neiging om alles wat misgaat af te wentelen op immigranten en andere buitenstaanders. Het berlusconisme is, net als het fortuynisme, theatraal, en de massamedia mogen dat theater alleen maar versterken, niet verstoren. Een ander kenmerk van het berlusconisme maakt eveneens furore: de buitengewoon losse gang met de regels van de rechtsstaat.

Nog maar drie jaar geleden, in de tijd van de Kosovo-interventie, verkondigde Tony Blair dat er een nieuw tijdperk was aangebroken waarin de mensenrechten met ijzeren wil zouden worden gehandhaafd, overal in de wereld. Achteraf bleek die filosofie alleen maar een interregnum, een alibi om orde op zaken te stellen op de Balkan. Sinds de elfde september is over deze verlichte doelstellingen een ijzige stilte gedaald. De Verenigde Staten, ooit de grote voorvechter van een internationale rechtsorde, lapt steeds meer rechtsregels aan de laars, inclusief de klassieke verdragen over de behandeling van krijgsgevangenen en de constitutionele rechten van buitenlandse verdachten en gedetineerden. Handelsverdragen en verdragen op het gebied van wapenbeheersing worden genegeerd. De Navo is dood. De totstandkoming van nieuwe verdragen op het gebied van milieu, klimaat en internationaal oorlogsrecht worden met alle middelen gesaboteerd. Het is duidelijk dat de belangrijkste wereldmacht weinig meer wil weten van een internationale rechtsorde waarin zij als gelijkwaardige van andere staten wordt gezien.

Tegelijk groeit, ook internationaal, een nieuw soort McCarthy-jacht. Binnen een half jaar na de elfde september hebben alle grote Europese landen hun opsporingsbevoegdheden aanmerkelijk verruimd. Zonder enig maatschappelijk debat is een algemeen Europees Arrestatiebevel ingesteld, waardoor binnenkort zelfs de zwakste rechtssystemen kunnen worden kortgesloten met het Nederlandse recht. De bescherming van het uitleveringsrecht is dan grotendeels opgeheven. Ooit was het de bedoeling dat het Europese recht van de toekomst zich zou conformeren aan de beste rechtssystemen van de Unie. Nu zien we het omgekeerde gebeuren: de traditioneel meest repressieve systemen van Europa zetten de toon.

Rüdiger Safranski, die ik al eerder aanhaalde, spreekt in dit verband van het drama van de vrijheid, het drama waarin alle Europese burgers acteur zijn, terwijl zij het gevoel hebben tot de toeschouwers te behoren. Er zijn te veel opties, zegt hij, en dat leidt tot besluiteloosheid en uiteindelijk tot onverschilligheid. En die toestand kan ertoe leiden dat het liberale kader zélf als onbelangrijk wordt beschouwd. ‘Wat je direct waarneemt zijn de verwaarlozingsverschijnselen dóór vrijheid. De verwaarlozing ván de vrijheid is moeilijker te zien.’

Mijn oude vriend heeft, inderdaad, de grootste reden tot waakzaamheid. Vanuit de Nederlandse politiek hoor je, enkele dappere uitzonderingen daargelaten, geen woord.

‘Geen gemeenschap kan ontstaan en zal blijven zonder recht’, zei mijn oude vriend ooit. ‘Maar recht wordt onderdrukking en ideologie zonder liefde, of enkel een goede bedoeling zonder macht, zoals macht onderdrukking wordt zonder liefde en recht, en liefde verandert in pure sentimentaliteit zonder recht en macht.’

Wij, sociaal-democraten, liberalen, socialisten, democraten, wij kinderen van de Verlichting, we zijn zo gewend vooruit te streven, te verwerven, te verbeteren; onze verworvenheden zijn zo vanzelfsprekend dat we nauwelijks beseffen dat we ons geestelijke huis nú moeten verdedigen, met alle kracht. Frankrijk was direct klaarwakker. Nederland duizelt nog, omdat onze slaap zoveel dieper was.

Het ging om essentiële waarden, vorige week, om het recht om zonder vrees alles te kunnen zeggen. Het gaat om minstens even essentiële waarden de komende week.

Liefde, recht en macht. Vrijheid, gelijkheid en broederschap. Het is tijd voor de hoogste waakzaamheid. Voor ringen van vuur.