Zeven vragen aan… Alfred Schaffer

Hij zit liever aan de Oranjerivier dan aan de Seine, maar dan wel met Heinrich Böll. Dichter Alfred Schaffer was intens gelukkig toen hij het lange podcastgedicht over zijn moeder schreef.

Wat was het leukste moment tijdens het schrijven van uw nieuwste bundel?
Het was vlak voor de totale lockdown, hier in Zuid-Afrika. Ik had nog een paar dagen voor ik de eerste versie van wie was ik. strafregels naar mijn redacteur zou sturen. Ik wist dat er iets bij moest, er ontbrak nog iets. Ik heb een dag of drie vrij genomen en ben toen naar Pearly Beach gereden, een paar uur van Kaapstad, en heb daar onafgebroken zitten schrijven en schrappen, de Atlantische Oceaan als uitzicht. Het lange podcastgedicht over mijn moeder dat ik daar schreef – een kruising tussen De vloer op en de podcasts van Gijs Groenteman – maakte het geheel in mijn ogen ‘af’. Schrijven hangt samen met tijd en rust, die luxe ontbreekt meestal. In alle eenzaamheid intensief werken aan iets wat ook voor jou een verrassing is – dat is het ware genot van denken en schrijven.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Ik heb net met studenten ‘De zwemmer’ van Anna Blaman gelezen, een geweldig verhaal, toch alweer een kleine zeventig jaar oud. Ik kan me dus goed voorstellen dat het werk van veel hedendaagse schrijvers en dichters in de volgende eeuw nog steeds boeiend en interessant kan zijn. Hoe het tegen die tijd met de leescultuur en het literaire bedrijf is gesteld, dat is de eigenlijke vraag. In dat opzicht is honderd jaar ontiegelijk lang.

© ILFU / Luke Kuisis

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Ik bewonder heel veel literatuur en laat me graag inspireren, en verder neem ik genoegen met het feit dat ik alleen kan bedenken en schrijven wat binnen mijn zeer beperkte mogelijkheden ligt.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
Ik geloof niet dat ik in een andere tijd per se schrijver zou willen of kúnnen zijn. Gewoon een Nederlandstalige schrijver zijn, nu, in het huidige tijdsgewricht, permanent woonachtig in het buitenland, en dan niet in Europa, dat lijkt mij wel wat!

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een wit laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat. Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen?
Waar zouden jullie het over hebben?

Ik zou in die volkomen denkbeeldige setting voorstellen het gesprek te verplaatsen naar een plekje langs de Oranjerivier, op de grens tussen Zuid-Afrika en Namibië – veel stilte en leegte, veel woeste natuur, geen mensen. Daar zou ik dan met Hans Schnier uit Ansichten eines Clowns van Heinrich Böll blikjes bier drinken, gewoon op een kleedje, zonder die obers. De roman stond op mijn leeslijst voor Duits op de middelbare school, en heeft grote indruk gemaakt. Ik denk dat vooral hij aan het woord zou zijn, over Marie natuurlijk, over vriendschap als illusie, over het failliet van de samenleving, misschien over stoppen met roken. Ik zou hem aanraden verandering van lucht te zoeken.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Tegen een Nederlander zou ik zeggen: Kinderjaren van Jona Oberski.

Wat is het interessantste dat u onlangs van een boek geleerd heeft?
Van onlangs weet ik niet. Maar door het gedicht ‘Hond’ van Nachoem Wijnberg uit Langzaam en zacht, dat ik lang geleden voor het eerst las, begreep ik dat een zieke of stervende hond zich in een hoekje zal terugtrekken, maar altijd naar je toe zal willen komen als je hem roept, zelfs al heeft hij daar de puf niet voor. Aangrijpend.


Ter gelegenheid van het ILFU verscheen de uitgave 50 Stories for Tomorrow.