Ger Groot

Zevenendertig

De leeftijd van de romandebutant ligt in Nederland inmiddels op zevenendertig jaar, zo blijkt uit het Grotebeloftenstuk in dit nummer. Het klinkt wat zorgelijk, alsof er zich een misstand aan het vormen is. Als we niet uitkijken, debuteert de gemiddelde Nederlandse schrijver over een paar generaties na zijn pensioen.

Ik heb geen idee of het ooit anders is geweest, maar dat zal zonder enige twijfel onderzocht zijn. Zelf vijftig-min, vermoed ik dat de leeftijd altijd veel hoger heeft gelegen dan, pakweg, vijfentwintig: ver moedelijk de ideale debuutleeftijd. Er zijn voor een schrijver die niet al te vroeg overlijdt ná dat levensjaar nu eenmaal veel meer momenten waarop hij kan debuteren dan ervóór, en zoiets trekt de statistiek al snel bejaardenhuiswaarts. Iedere grijsgelokte schrijver van een eerste roman draagt op zo’n manier bij aan het literaire doem scenario.

Toen F.B. Hotz debuteerde, gold hij al zo’n beetje als een literaire dinosaurus, wiens verhalen nog nét voor het ophanden zijnde uitsterven waren behoed. Hij was toen vierenvijftig. Er zouden nog zeven prachtboeken én een P.C. Hooftprijs volgen, voordat hij zweeg als de bejaarde die hij vijfentwintig jaar eerder al heette te zijn. Als je de kritiek mag geloven, was Hotz bij zijn geboorte al te oud voor zijn eigen oeuvre.

Beloften horen bij de jeugd. Dat is de niet eens zo stilzwijgende veronderstelling van een enquête die in meer dan de helft van de Nederlandse debutanten op leeftijdsgronden bij voorbaat weigert een belofte te zien. Een eenvoudig rekensommetje geeft haar gelijk. Wie zich op zijn vijfentwintigste met een schitterende roman presenteert, heeft meer tijd om een oeuvre vol meesterwerken op te bouwen dan iemand die dat op zijn zestigste doet.

Maar zo banaal wil de literaire kritiek niet zijn. Er komen kwaliteitseisen bij te pas en dan gaat het al snel over oorspronkelijkheid, experimenteel proza en een eigen geluid. En waar vind je dat? Bij de jeugd, nog niet bedorven door de maatschappij en nog niet getemd door de literaire mores.

Dat is een vreemd rousseauïsme. Het gelooft in de literatuur nog altijd aan de onschuld van het kind en de edele wilde. Wat van waarde is, moet spontaan zijn, opwellend uit het onaangetaste ik. Het is de romantiek ten voeten uit. Zo wordt een achttiende-eeuws nieuwtje van de weeromstuit de belofte voor de eenentwintigste.

Zelfs als het waar zou zijn, is het nog maar de vraag of al die oorspronkelijkheid zich het liefste bij jongeren ophoudt. Geen dogmatischer, onverdraagzamer en fantasielozer leeftijd dan de jeugd. Pas na het dertigste jaar begint het conformisme langzaam af te nemen: ook het conformisme dat zich als rebelsheid heeft vermomd. De avant-garde was er het laatste romantische masker van. Alles moest nieuw en wie de jeugd heeft, heeft de toekomst.

Michaël Zeeman laat in zijn antwoorden terloops doorschemeren dat je, om goed te schrijven, veel moet hebben gelezen. Dat is helemaal geen romantische maar een klas sieke gedachte, die weet dat oorspronkelijkheid nooit zonder voorbeelden kan. Van oudsher moest een kunstenaar eerst kunnen imiteren alvorens te kunnen scheppen. Dat kostte jaren en voor de jonkies moet dat even slikken zijn. Zoveel tijd als ze vóór zich hebben om hun beloften in te lossen, zo weinig hebben ze nog maar achter zich om zich daarvoor al lezend te kunnen hebben bekwamen.

Er zit na tweeënhalve eeuw slijt op de romantiek. Het bezeten genie, de scheppend-vernietigende voorhoede, de goddelijke inspiratie: geen mens die er nog zonder ironie over durft te spreken. De toekomst ligt niet in het verleden van een paar eeuwen terug, maar in dat van millennia her. Kunst is ambacht en geen revolutie, de kunstenaar een zéér geschoolde arbeider en geen hogepriester, laat staan een kind of edele wilde.

Een beetje talent zal hij wel nodig hebben, maar met leeftijd heeft dat weinig van doen. Het blijkt pas gaandeweg — of niet. Wie over twintig jaar terugkijkt op dit Beloftenlijstje zal ongetwijfeld constateren dat de andere helft van de debutanten ondanks hun gevorderde leeftijd nog verbazend veel toekomst in pacht had. Wie op zoek is naar nieuwe klassieken zou zich daar over niet eens mogen verbazen.