Gastcolumn

Zicht op Fort Elmina

De zwerftocht van een uniek schilderij door de driehoek Goudkust-Suriname-Nederland. De zwerftocht van een uniek schilderij door de driehoek Goudkust-Suriname-Nederland.

Het schilderij Zicht op Fort Elmina door Willem Troost hing een tijd bij mij thuis in Paramaribo. Het had de Transatlantische driehoek bereisd.

Cornelis J.M. Nagtglas, de laatste gouverneur van het vroegere wingewest aan de Goudkust, het huidige Ghana, had het bij zijn afscheid in 1871 van de Nederlandse regering cadeau gekregen. De historica Silvia de Groot verwierf het een eeuw later door bemiddeling van vrienden. Zij kenden de kleindochter van Nagtglas die het schilderij op zolder had staan en het graag afstond aan iemand die meer van Elmina wist. In 1970 begeleidde De Groot vier ‘Bosnegergranmans’ naar hun gebied van herkomst, de Westkust van Afrika. Ze publiceerde een reisverslag van dit legendarische bezoek met de grootopperhoofden uit het binnenland van Suriname aan Ghana, Togo, Benin en Nigeria. Daar werden van de zeventiende tot de negentiende eeuw de voorouders van de ‘bosnegervolken’ die door deze Granmans werden bestuurd in slavernij weggevoerd.

Over de hele Goudkust had de West-Indische Compagnie (wic) in de periode van haar bestaan een tiental forten in handen, uitgestrekt over een kuststreek van zestig mijl. Elmina, in 1637 door Johan Maurits op de Portugezen veroverd en tot 1872 in Nederlandse handen, was ruim tweehonderd jaar de belangrijkste Nederlandse vestiging op de West-Afrikaanse kust. In de kelders van het fort wachtten de slaven, ontmenselijkt, op afvoer.

Surinaamse Granmans in Afrika, groot in zijn eenvoud, werd dadelijk na lezing mijn lesmateriaal. Op de Nederlandse landkaart kon ik feilloos reizen van Appelscha naar Zierikzee, dat had ik in Paramaribo als kind al bij aardrijkskunde geleerd. Elmina lag niet op de route. Laat staan Kumasi, Abomey of Kano, plaatsen die toen volgens het Europese beeld van ‘het zwarte continent’ een onderontwikkelde periferie van de beschaafde wereld waren.

De zorgvuldigheid waarmee De Groot met gegevens in het boek omspringt, haar inlevingsvermogen in een haar vreemde cultuur en de betrokkenheid bij de Granmans en hun gevolg is voorbeeldig. Het verwijt van de Granmans dat hun voorouders destijds met medewerking van de ‘eigen broeders’ tot de vermaledijde slavernij werden veroordeeld en aan de blanken verkocht, maakt de collaboratie van Afrikanen in de Transatlantische mensenhandel in een paar zinnen een schrijnend feit. Dat Afrikanen handelspartners van de wic waren, wordt in Suriname doorgaans geloochend, alsof het een uitgebreide incestueuze familie van ‘brothers’ en ‘sisters’ betreft.

Het verbaast me telkens weer dat clubjes die zich sterk maken voor herstelbetaling aan nazaten van slaven het handelsaandeel van de Afrikanen onbesproken laten en zich liever wentelen in sentiment. Zoals op Blakaman Dey, de Dag der Zwarte Beschaving. Die wordt uitbundig gevierd, men paradeert door de straten van Paramaribo in Afrikaanse gewaden die in Accra, Lomé of Cotonou al tot de mottenballen zijn veroordeeld, want wie het zich kan veroorloven wordt daar het liefst in Armani en anders in H gezien.

Ook stadscreolen laten zich verkleed op Blakaman Dey bewonderen. Een groot deel van hen kroop tot vlak voor de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 liever in de huid van blanke of joodse voorouders om door de lichtkleurige elite te worden binnengehaald. Zwart was toentertijd negatief: Nelson Mandela werd in Zuid-Afrika gecriminaliseerd, ‘niggers with an attitude’ werden in de VS tot het getto veroordeeld, Martin Luther Kings droom was nog niet verwerkelijkt en de koninklijke Beyoncé nog niet verwekt.

Silvia de Groot overleed op 26 mei 2009. Ik wist dat ze zou sterven, maar werd er toch door overvallen. Een week voor haar dood belde ze zoals ze na mijn noodgedwongen vertrek naar Suriname bijna wekelijks deed. Ik hoorde haar anders beheerste, diepe stem fragmenteren, nam het eerstvolgende vliegtuig naar Amsterdam en was op tijd. ‘Hoe gaat het toch?’ vroeg ze, de ogen gesloten, met ononderbroken belangstelling.

Twee dagen na haar crematie moest ik alweer terug naar Suriname, vergezeld van een drang om over haar dood te schrijven, bij herhaling over haar te vertellen en haar zo levend te houden. Ze had mijn belangstelling voor de geschiedenis van West-Afrika gewekt en gevoed, was er voor me geweest en op een dag verdween ze voorgoed.

Ze vermaakte me het unieke schilderij, schonk het liever niet aan een museum, bang dat er in een depot vergetelheid wachtte; de geschiedenis van de West werd doorgaans weggemoffeld, vond ze. De aandacht die het nieuwe Rijksmuseum aan de koloniale periode schenkt, zou haar hebben opgebeurd. Wat zo’n schilderij al niet losmaakt en aanhaalt.

Ik probeerde het tegen de tropen te beschermen; de hygrometer hield de vochtigheidsgraad bij, de luchtmelker produceerde dagelijks een paar liter water, de airco onderdrukte de hitte binnenskamers. De angst dat de kleurvaste poep van kamrawintje’s het schilderij zou belagen, was gegrond.

Waar in Paramaribo zou Zicht op Fort Elmina, dit negentiende-eeuws erfgoed, onder de juiste klimatologische omstandigheden kunnen worden bewaard en getoond? De plaatselijke museumdirecteur had eens te kennen gegeven niet van schilderijen te houden. Nog een zorg: bij de onafhankelijkheid in 1975 schonk Nederland Suriname een kunstwerk van Jacob van Ruysdael. Het lag een tijd in het Paleis aan het Onafhankelijkheidsplein in een hoekje op de grond. Bij wie en onder welke omstandigheden het zich nu bevindt valt niet te achterhalen.

150 jaar geleden, op 1 juli 1863, Keti Koti, werd de slavernij in Suriname afgeschaft. Ik heb het doek van Willem Troost meegebracht naar Amsterdam en het daar laten restaureren om gezien te worden: Zicht op Fort Elmina, een schaarse herinnering aan de Atlantische driehoeksverhouding.

Ellen Ombre is schrijfster. Vanaf 15 juni is Zicht op Fort Elmina te zien op Slavernij verbeeld, de tentoonstelling van Bijzondere Collecties van de UvA