Zichzelf opbrandend enthousiasme

De wereld der verschijnselen is veelvormig en onuitputtelijk, maar ieder van ons neemt er slechts een fractie van waar.

Dat komt doordat we in verschillende perioden en omgevingen opgroeien, maar ook doordat ieders blik een eigen richting kent. Vervolgens maakt het geheugen uit al het ervarene een eigenzinnige selectie. Het resultaat is dat ieder van ons een strikt particuliere wereld met zich meedraagt, en daarom is het boeiend als iemand erin slaagt dat eigen universum tot in detail op te roepen en te beschrijven, zelfs al gaat het om beelden of incidenten die elk algemeen belang lijken te ontberen.

Jacques Hamelink (1939) heeft al enige tijd op de aardkloot rondgelopen, waarbij hij altijd goed om zich heen heeft gekeken en vaak indringend verslag heeft uitgebracht van wat hij had gezien, gevoeld en gelezen. In zijn vorige bundel, Vigerende oudelandse grond (2013), was hij geregeld aan het terugkijken, vooral naar het Zeeuws-Vlaanderen van zijn jeugd. In Oden voor komende nacht gaat hij nog een stap verder, want wat hij de lezer hier voorschotelt wekt de indruk een autobiografie te zijn, in flarden en fragmenten misschien, maar wel grotendeels chronologisch.

De afgelopen twintig jaar had Hamelink zich ontwikkeld tot een geducht systeembouwer. Zijn bundels kenden een strakke formele structuur en stelden steeds een bepaald cultuurgebied centraal, zoals China, Byzantium en de Germaanse wereld. Daarbij stopte hij zijn gedichten vaak zo vol met duistere allusies op teksten, locaties en kunstwerken dat je van goeden huize moest komen om wegwijs te raken in het labyrint. De subtiliteit van de onnavolgbare woordvormingen en zinsconstructies maakte dat je je graag liet opslokken.

In de nieuwe bundel is bijna alle geleerdheid verdwenen, op een paar gemakkelijk traceerbare mythologische parallellen na. De opbouw van de bundel is losjes, al brengt de indeling in enkele reeksen van wisselende lengte een zekere thematische orde aan. Alle gedichten bestaan uit een aantal terzinen (de strofe van Dante) gevolgd door een geïsoleerde slotregel. Gebleven is Hamelinks neiging de taal te vervormen, als om de lezer in te wrijven dat geen enkel woord vanzelf spreekt. De dichter is lyrisch en persoonlijk, hij heeft een nieuwe vrijheid gevonden en wil die benutten om vóór ‘de komende nacht’ nog zo veel mogelijk ervaringen met de lezer te delen. De meeste van die ervaringen worden in al hun zintuiglijke feitelijkheid gepresenteerd, zonder al te veel symbolische of metafysische vergezichten. Zo bijvoorbeeld:

Uitgelezen wellustig was ze, naaister
al wel een hete tijd ongenaaid geweest.
Ongegeneerd zat ze op haar blote knieën
zich aan mijn voor haar ontstoken glans
te verlustigen, die ze met toegewijde
inhalige hand het vel afgestroopt had.

Afgezien van het woordspel met ‘glans’ staat hier gewoon wat er staat. Vervolgens roept het meisje: ‘O Jackie, het is zo’n reus!/ En hij kijkt zo naar me met dat oog!’, waarna de pik (het is eerder gedaan door Ausonius) vergeleken wordt met de cycloop Polyphemus.

Dat er in dit boek lekker geneukt wordt, maakt het nog niet tot poëzie, want dergelijke handelingen hebben we allemaal wel eens verricht, al weet Hamelink de onontkoombare kracht van seksualiteit zo nu en dan tastbaar op te roepen. Hij is echter op zijn best wanneer hij de verdwenen plekken van zijn kinderjaren schetst, in al hun schoonheid en smerigheid. Het gaat om boerenland onder de rook van vervuilende industrie, dorpen waar varkens worden geslacht en gekken rondlopen, waar de zee zich doet gelden en arbeiders hun werk onderbreken om door het gras glibberende palingen te vangen. Zo spreekt hij van een betonweg die door een ‘kranendragende staalconstructie’ wordt overbrugd, naast een veld stuifzand en de ‘ongure betonmuur van de Fabriek’, bij huisjes waarin ‘varkenshouders en varkenshoeders,/ veldarbeiders, voorouders’ woonden, ‘op zwart stuifstof verkikkerd, weg/ gezet in het huiselijkst van de hel’, terwijl de kranen over hun dak heen dreunden. Dat is wel het tegendeel van een idylle.

Septemberaltaar De blaren droger, hun gruizel luider. Uit het heviggroene grasveldgras valt al veel roestigs te harken, maar dat komt een andere keer wel. Hout op het haardrooster opgetast. Rode appels, de laatste van de boom, op de fruitschaal. Het leer aan de handzame en sierlijke kleine kadoblaasbalg die daar naast ligt even rood rood.

In een ander gedicht loopt de spreker over een stinkende vuilnisbelt waar ratten de dienst uitmaken. Hij vindt er een prop ‘zwartgebloed maandverband’ waarin ‘een rijke tros vuurrode mestwurmen’ krioelt, als bewijs van de onafscheidelijkheid van Eros en Thanatos. En hier wordt worst gemaakt:

Uit de gegalvaniseerde gehaktmolen, klem
geschroefd aan de tafelrand, wrong zich
dat vette bloedrose witdoorspekte gewurmte

Daar krijg je geen trek van.

Naarmate de bundel vordert komt de 21ste eeuw in zicht, maar opmerkelijk genoeg heet de laatste afdeling, met een verwijzing naar Adorno, ‘Barbaar van na Auschwitz’, als wilde de dichter benadrukken dat de poëzie altijd haar functie zal behouden. In deze reeks staan een paar gedichten die daadwerkelijk over de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog gaan; in een ervan droomt de verteller zelfs dat hij het slachtoffer wordt van een SS’er. Deze scènes worden afgewisseld met bijna bucolische tafereeltjes, de herinnering aan een gestorven zoontje en een In memoriam aan het dichterschap zelf:

Bij dat statie-illuminatielicht zat ik aan
mijn schrijftafel, gebogen adspirant dodeman
met zijn zichzelf opbrandend enthousiasme.

Hoe fraai vele afzonderlijke zinnen en gedichten ook zijn, de bundel wil geen eenheid worden. Wat ontbreekt is spankracht. Juist een dichter die het sprekende detail zo liefheeft, behoeft discipline.


Jacques Hamelink - Oden voor komende nacht. Querido, 128 blz., € 17,99