Hoofdcommentaar

Zie ginds

Stel dat president Obama precies over een jaar op staatsbezoek naar Nederland komt. In sinterklaastijd. Zouden wij hem dan op Schiphol begroeten met een brigade zwarte pieten? Of zouden wij dat een tikje ongemakkelijk vinden?
Dat zouden wij een tikje ongemakkelijk vinden. De nieuwe president mag dan een verheven visie hebben op de voortgaande emancipatie van de gekleurde medemens, hij komt uit een land waar zo’n verkleedpartij niet wordt gewaardeerd. Toen de president een kleine jongen was, zond de Amerikaanse televisie nog Black & White Minstrelshows uit, programma’s met als neger geschminkte blanke artiesten, die in die uitdossing ‘zwarte’ liedjes zongen en koddige dansjes deden. In Groot-Brittannië was zo’n programma nog tot 1978 te zien. Nu schaamt men zich daarvoor. Terecht. In de Verenigde Staten zijn de Minstrels bijgezet in het griezelkabinet van het Nationaal Historisch Bewustzijn.
Bij ons niet. Zwarte Piet, metgezel van Sinterklaas, is precies zo’n racistisch stereotype. Daar helpt geen lieve moeder aan. Niks schoorsteen, niks roet: dit is een neger in de rol van een handelingsonbekwame bediende, tweede garnituur mens.
De Amsterdamse onderwijzer Schenkman schiep de Zwarte Knecht in 1850 als een romantische figuur aan de zijde van Sint Nicolaas. Schenkman gooide daarbij van alles en nog wat door elkaar. Sint Nicolaas had een historische identiteit, en een traditie van verering in de Nederlanden, en ook dat kinderfeest bestond hier ter plaatse al lang, maar Schenkman maakte er een negentiende-eeuwse exotische fantasie van. Hij voorzag de moorse bediende van een quasi-zestiende-eeuws tenue: baret, pofbroek, zijden kousen, Spaanse kraag, en hij gaf de Sint een stoomboot en een paard. Daarmee ontdeed hij de heilige van al te roomse connotaties en bevorderde hij de ontwikkeling van een neutraal nationaal feest met een opvoedkundig karakter, dat alle man van Neerlands stam in familiekring kon vieren.
Direct achter die romantische fictie ligt de barre werkelijkheid van de slavernij, die in 1850 in het Koninkrijk der Nederlanden nog bestond, en wie verder graaft herkent in de tegenstelling Witte Sint – Zwarte Piet de strijd van goed tegen kwaad, van het Heil tegen de Duivel. In alle sinterklaasliteratuur die sindsdien het licht zag, is de onderdanige positie van Zwarte Piet verder uitgebouwd. Het NPS-Sinterklaasjournaal van 2008 toont de pieten als loyale, aardige maar volkomen incompetente sukkels. Eén van hen heeft de stoomboot geruild voor een koe.
Nu zou je kunnen aanvoeren dat die racistische component door de kinderen van vandaag niet meer als zodanig wordt herkend. Zij zien Zwarte Piet en Sinterklaas als een verkleedpartij, net als SpongeBob en Kabouter Plop. Sinterklaas is oud en wijs, maar pieten zijn energiek, vindingrijk en grappig, en kinderen voelen zich zeer tot die rol aangetrokken. Het protest tegen het bestaan van Zwarte Piet lijkt bovendien altijd te komen van hetzelfde stelletje drammerige malcontenten – en de nationalistische reactie op dat protest is al niet veel frisser. Daar kun je de schouders over ophalen.
Het principiële punt valt echter niet te omzeilen. Zwarte Piet is een exempel van een lange, pijnlijke racistische traditie. Waarom dragen wij dat beeld dan overal uit? Waarom wordt deze Piet door de samenleving en haar burgemeesters van harte omarmd? Wij schrijven toch ook geen toneelstukken meer waarin de joden standaard als onbetrouwbare scharrelaars worden afgebeeld? Daar komt bij dat wij Nederlanders toch al buitengewoon slecht omgaan met dit soort negatieve aspecten van ons koloniaal verleden. 150 doden in Rawagede op Java: het mocht wat, gezeur van wat Indonesische bejaarden, opgejut door een no cure no pay-advocaat. Daarin hebben wij nog een hele weg te gaan.
In moderne, beschaafde landen is het bestaan van een zwarte piet onverteerbaar. De bezwaarmakers hebben gelijk. De vraag is echter niet of het verschijnsel zwarte piet absurd is, want dat is het. De vraag is meer of wij met absurditeiten kunnen leven, en zo ja, hoe wij dat moeten doen.
Aan absurditeiten is immers geen gebrek. Wij voeren een oorlog die geen oorlog mag heten. Wij staan gevangen in de file, omdat wij vrije burgers zijn. Wij laten ons permanent door de overheid observeren, want wij zijn onschuldig. Ons wordt naar de krul in ons schaamhaar gevraagd, opdat onze privacy wordt gewaarborgd. Wij doen zaken met de handen- en hoofdenafhakkers in Riad. Wij sturen geen slavenschepen naar Ivoorkust, maar wij laten wel de Probo Koala uitvaren, want dat was een Frans schip. Wij maken vegetarische worst met visolie. Wij ruimen de mijnen op die onze buren hebben geleverd. Onze tunnels staan vol water. Onze varkens wonen in flats. Onze treinen hebben vierkante wielen. Wij ruilen dagelijks stoomboten voor koeien.
Met die absurditeiten leven wij. Wij verzetten ons ertegen en ondertussen leven we ermee. En dan heeft sinterklaas nog een pluspunt: het is onmiskenbaar een geweldig leuk feest, met heerlijke muziek en een prachtige mythologie – inclusief knecht. De humor die in dat feest besloten ligt, is essentieel. Wij houden onze kinderen en onszelf voor de gek. Zo gaan wij met absurditeiten uit heden en verleden om: met een lach. Niet met verboden. Alleen de humor kan ons redden.