De zwarte onderkaste in de VS (en Nederland)

‘Zie je wel, ze bakken er niks van’

In Caste: The Lies that Divide Us karakteriseert Isabel Wilkerson de VS als een kastensamenleving waarin zwarte mensen de onderkaste vormen. Deze typering is al oud, toch geeft Wilkerson een geslaagde analyse van Amerika’s raciale onderbuik.

Een Afrikaans-Amerikaanse woning in Greene County, Georgia. 1941 © Jack Delano / Library of Congress

Voor ieders ogen voltrekt zich in de Verenigde Staten een trage staatsgreep. Die coup voltrekt zich zo open en bloot, zo onbeschaamd en onbekommerd dat niet de verbijstering om zich heen slaat, maar een soort half geamuseerde gelatenheid. ‘Ja, van die Trump kun je alles verwachten.’ Precies. Verwacht het dan ook.

Een eerste alarm zou moeten afgaan bij de constatering dat Donald Trump al enige maanden helemaal niet meer probeert om de verkiezingen te winnen door de meeste stemmen te verwerven. Integendeel, hij vervreemdt onvervroren een groot deel van het electoraat van zich met grofheden, stupiditeiten, leugens en een nonchalant negeren van de problemen waar veel van zijn kiezers mee zitten. In het eerste debat met Joe Biden probeerde hij zijn tegenstander te overschreeuwen en op de kast te krijgen en had hij volstrekt lak aan de moderator. Het nieuwe programma voor financiële steun aan noodlijdende bedrijven in coronatijd heeft hij laten vastlopen in het Congres. Zijn eigen corona-episode verliep met borstklopperij en ziekelijk gepraal. Telkens weer laat hij zijn sympathie voor rechts-extremistische knokploegen doorschemeren en toont hij de bereidheid om speciale eenheden in te zetten om demonstranten te intimideren die protesteren tegen politiegeweld. En dit zijn maar enkele voorbeelden van Donald Trumps optreden in de slotfase van de verkiezingsstrijd. Daar wint hij geen meerderheid mee, dat blijkt uit alle enquêtes. Hij probeert dat ook niet meer: Donald Trump is bezig zijn achterban, die nog steeds een aanzienlijke minderheid vormt, te activeren en op te hitsen om complete verwarring te creëren en zo twijfel te zaaien aan de uitslag van verkiezingen die hij hoogstwaarschijnlijk gaat verliezen.

Trump hoopt dat hij in de chaos die daarop volgt met chicanes, rechtszaken en rellen in het hele land ondanks zijn nederlaag toch aan kan blijven als president. Zijn pas benoemde directeur der posterijen gaf hij opdracht om de sorteermachines te ontmantelen, zodat de stemmen die per brief worden uitgebracht niet op tijd zullen aankomen. Hij moedigt zijn partijgangers aan om zich bij stembureaus te posteren en zo de kiezers en de stemmentellers van hun stuk te brengen. Hij hitst extreem-rechtse milities op om de verkiezingen te ‘beschermen’ tegen linkse demonstranten en ‘fraudeurs’. Hij rekent erop dat de nog net op tijd versterkte reactionaire meerderheid in het Hooggerechtshof zijn couppoging zal dekken.

—————

Als Trump moet aftreden als president is het met hem gedaan. Met zijn torenhoge schulden dreigt hij subiet failliet te gaan. Met zijn belastingfraudes en zijn kleine en grote oplichterijen riskeert hij het ene na het andere proces en mogelijk een lange gevangenisstraf. Zijn kuiperijen met vreemde mogendheden, Rusland voorop, zullen niet langer verborgen kunnen blijven (echt geheim waren ze nooit). Hij is een kat in het nauw en maakt vreemde sprongen. Hij is in staat om zich als het moet met bedrog en geweld in het Witte Huis te verschansen, met straatgeweld tegen Democratische opposanten en met de inzet van zijn speciale politie-eenheden. Donald Trump, de zittende 45ste president van de VS, is bezig met een staatsgreep van bovenaf, voor het geval hij de verkiezingen verliest.

Maar waarom in hemelsnaam heeft Trump zoveel steun gekregen van overwegend laagopgeleide, minvermogende en laagbetaalde mannen (en vrouwen) met belangen die toch beter gediend zouden zijn onder een Democratisch regime?

Die vraag is onderwerp van een hele reeks studies in de VS. Al in 2004 maakte de historicus Thomas Frank furore met een boek getiteld What’s the Matter with Kansas? waarin hij zich afvroeg waarom juist de minder bedeelde, witte Amerikanen George W. Bush aan de macht geholpen hadden. De klassieker in het genre verscheen in 2016, vlak voor de verkiezing van Trump: Strangers in Their Own Land van Arlie Russell Hochschild. Zij beschrijft de belevingswereld van de zuidelijke poor whites in Lake Charles, Louisiana. De mensen die Hillary Clinton tot ieders ontsteltenis ‘deplorables’ had genoemd, juist niet de ‘verworpenen’ maar de ‘verwerpelijken’. Hochschilds gespreksgenoten hadden het gevoel dat zij in eigen land achter in de rij moeten aansluiten, verdrongen door immigranten en zwarten en door allerlei ander volk dat wordt voorgetrokken door de overheidsinstanties. Zij tellen niet meer mee, terwijl zij toch de oudste rechten hebben als fatsoenlijke, hardwerkende Amerikanen die al generaties in hun allereigenste Verenigde Staten wonen.

Keer op keer hadden Republikeinse kandidaten beloofd dat ze de eisen van de rechtgelovige katholieken en evangelicals zouden inwilligen: afschaffing van het recht op abortus, afschaffing van het homohuwelijk, opheffing van de strikte scheiding tussen kerk en staat. Keer op keer hadden die schijnheilige Republikeinse presidenten die beloften aan hun kiezers verbroken. Trump, die onmiskenbaar lak heeft aan God en gebod, die geen kerk van een parkeergarage kan onderscheiden, heeft oprecht geprobeerd om de verlangens van zijn diepgelovige kiezers te verwezenlijken. Dat moet je hem nageven. Een van die kerkgangers zei het zo: ‘He’s our hammer.’ En nu spijkert hij een ultrakatholieke, sektarische dweepster nog op het nippertje de Hoge Raad in.

—————

De Trump-stemmers komen openlijk uit voor hun religieuze eisen. Maar er is meer aan de hand in de VS, en ook in Europa. De noeste werkers, fabrieksarbeiders, middenstanders, kantoormensen en kleine boeren hebben het idee dat zij de ruggengraat van Amerika vormen en desondanks met de nek worden aangekeken door de financiële, commerciële, culturele en academische elites in de grote steden aan de oost- en westkust. En dat is ook zo. De ‘kleine luyden’ in de VS hebben in de afgelopen decennia aan status verloren, zijn er in bezit relatief op achteruit gegaan en er in inkomen bepaald niet beter op geworden. Maar één ding houdt hen overeind: zij zijn niet de minsten in hun land. Zij hebben allemaal samen een groot geheim. Zij zijn als blanken nog altijd verheven boven zwarten en latino’s. Zij zijn als mannen nog altijd de meerderen van vrouwen. Maar zij kunnen dat in deze samenleving nog maar moeilijk hardop zeggen. Ze kunnen het hoogstens ’s avonds laat uitkramen, anoniem en veilig achter hun scherm, op de duizenden babbelsites waar witte mannen tekeer kunnen gaan tegen mudpeople en femoids, ‘moddermensen’ en ‘wijfsels’.

De meest recente en meest geslaagde analyse van de raciale onderbuik van Amerika komt van Isabel Wilkerson, Caste: The Lies that Divide Us. Zelden is een boek al bij verschijnen met zoveel lof ontvangen. Op de voorpagina van The New York Times (waarvan Wilkerson sinds jaren vaste verslaggever is) schreef de recensent: ‘Meteen al een Amerikaanse klassieker (…) Bij de eerste bladzijden stonden mijn nekharen recht overeind en dat gevoel ging niet meer weg.’ Daar doe je het voor.

Het boek leest als een hogesnelheidstrein. Wilkerson weet een subtiele en complexe interpretatie van de Amerikaanse samenleving te presenteren aan de hand van persoonlijke belevenissen, kleurrijke vignetten en haarscherpe observaties. De karakterisering van de VS als een kastensamenleving dateert al van het begin van de negentiende eeuw en de vergelijking met India is sedertdien nog vaak door geleerde auteurs gemaakt. Dat de zwarte mensen in Amerika ook nu nog letterlijk een onderkaste vormen blijft toch een schokkende conclusie, die Caste heel goed weet waar te maken.

En Barack Obama dan? Lees eerst dit boek maar.

De ‘kleine luyden’ voelen zich nog altijd verheven boven zwarten en latino’s

Wilkerson noemt ‘acht pilaren van de kastensamenleving’, die ik hier overneem omdat die trefwoorden in de kortste keren een indruk geven van haar argumentatie: elk kastenstelsel is gegrondvest op de wet van God of van de Natuur; het berust op overerfelijk geachte eigenschappen; het verbiedt paring en huwelijk buiten de eigen groep; het klasseert de minderen als onreinen die de reinheid van de hoger geplaatsten bezoedelen; het handhaaft zich door ontmenselijking en stigmatisering van de minderen; het onderscheidt mensen met een ingeboren superioriteit van anderen met een aangeboren minderwaardigheid; het houdt een strikt hiërarchische beroepenscheiding in stand; en het zet zich door met foltering en terreur. Zo was het in de VS en zo is het, zij het in wat mindere mate, nog steeds, net als in Zuid-Afrika en India. >

De rassenkasten, zwart en wit, verschillen scherp naar inkomen en nog veel meer naar vermogen. De zwarte mensen die in slavernij moesten leven werden niet betaald en konden niets bezitten, niet eens zichzelf. Net als in Suriname werden in Amerika bij de bevrijding van de slaven de slavenhouders schadeloos gesteld, de bevrijde slaven niet – alsof roofmoordenaars na hun aanhouding vrijuit gaan en hun buit mogen houden omdat ze er zoveel moeite voor hebben gedaan.

Tegen het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog had de noordelijke generaal William T. Sherman per decreet aan elk vrijgemaakt zwart gezin ‘veertig acres’ (en later nog een ‘mule’) beschikbaar gesteld uit de gerekwireerde landerijen van de opstandige slavenhouders. Dat plan werd in de kortste keren teruggedraaid door Abraham Lincolns opvolger, president Andrew Johnson, die erop uit was de verslagen maar nog steeds invloedrijke zuidelijke grondbezitters te paaien.

De grote meerderheid van de bevrijde slaven bleef bezitloos en was dus gedwongen elk baantje dat zich voordeed tegen elk loon aan te nemen. Huisbezit werd zwarte mensen in de VS systematisch onmogelijk gemaakt, als het moest met geweld. Hypotheken werden niet verstrekt, of op wurgende voorwaarden. Zwarte ondernemers kregen geen krediet en bleken ze onverhoopt toch succesvol dan ging de fik erin. Zwarte Amerikanen konden hun kinderen daarom vrijwel niets nalaten en jonge volwassenen hadden dus ook niet de middelen om een studie te bekostigen, een eigen zaak te beginnen of een huis te kopen. Dat onvermogen werd en wordt van generatie op generatie doorgegeven en de witte voorsprong in vermogensbezit is net zo erfelijk. (Voilà, toch nog een feitelijk bewezen verschil in erfelijke eigenschappen tussen zwarte en witte mensen, niet in het dna, maar op de bank.)

In de jaren zestig werden deze vormen van discriminatie teruggedrongen, maar sindsdien is die antidiscriminatiewetgeving weer grotendeels tenietgedaan door het Hooggerechtshof. In 1965 was het vermogen van een wit gezin meer dan tienmaal zo groot als dat van een zwart gezin. Ook in 2018 was het vermogen van een wit gezin meer dan tienmaal zo groot als dat van een zwart gezin. De kloof wordt er ook nu niet minder op.

Na 250 jaar van extreme uitbuiting in de vorm van slavernij volgde anderhalve eeuw van economische onderdrukking, gelegitimeerd door de mentaliteit van een racistische kastensamenleving. Dat raciale vooroordeel ziet zichzelf dan weer bevestigd door de onmiskenbare materiële achterstand van zwarte Amerikanen: ‘Zie je wel, ze bakken er niks van.’

Gregory Barnes zit met zijn oom Herbert Barnes voor hun huurwoning in Acres Homes, Houston, Texas. 2017 © Ilana Panich-Linsman / The New York Times / ANP
—————

Dit ene gegeven van het voortdurende enorme verschil in vermogen tussen wit en zwart is een voldoende verklaring voor de zwarte achterstand in alle andere opzichten. In Suriname en op de Antillen is het na de emancipatie net zo gegaan. Het wordt dan ook hoog tijd voor een grondige studie van de eenzijdige vermogensverdeling in die gebieden tussen de witte bovenlaag en de nakomelingen van de slaven. Die scheve bezitsverhoudingen hebben zich onder de Caribische migranten in Nederland voortgezet.

Wilkerson gaat wel in op de economische benadeling, maar het is voor haar niet de hoofdzaak. Haar kracht ligt in de aangrijpende beschrijving van de krenking en geringschatting die zwarte mensen ook in het hedendaagse Amerika telkens weer ondervinden. Elk incident lijkt een kleine, op zichzelf staande misstap. Maar tezamen genomen zijn al die incidentele botsingen de manifestatie van de kastensamenleving die daarmee in stand blijft.

Caste begint met de verkiezing van Donald Trump, wiens naam Wilkerson niet uit haar toetsen kan krijgen, en tegen het einde komt ze daar weer op terug. Zij ziet in zijn triomf een bevestiging van de kastenmentaliteit, die onderhuids, in het verborgene voortwoekert. Trump en zijn aanhangers hebben maar een half woord nodig om aan te duiden waar het over gaat: houd de zwarten eronder, en in een moeite door al die bruine nieuwkomers uit Latijns-Amerika. Die boodschap is vooral gericht aan de ondersten uit de bovenkaste: de ongeschoolde, laagbetaalde werkers die echter wél blank zijn en zich beter willen blijven voelen dan al die kleurlingen die thuishoren in de onderkaste. Om hun superioriteit te kunnen handhaven bleken deze witte kiezers bereid een man te kiezen die hun banen niet beschermen zou, hun belasting niet verlagen wilde, hun ziektekostenverzekering probeerde af te schaffen, maar die hen ‘weer groot’ zou maken.

Was Amerika dan groot? Jazeker, want in dat Amerika bleven de mensen op de onderste trede van de witte kaste tenminste toch nog altijd de meerderen van de mensen in de zwarte kaste.

Dat is het kunstje: wees nooit met zoveel woorden racist, maak een toespeling

Trump en zijn aanhang zijn helemaal geen conservatieven die willen behouden wat van waarde is, zij zijn radicaal reactionairen, zij willen de samenleving terugschroeven naar een verleden tijd waarin zij zich niet meer besmuikt hoeven te verheffen boven de zwarten, maar dit openlijk kunnen doen. Zij zijn bereid hun eigen materieel belang opzij te zetten voor hun raciale superioriteitswaan. Maar vergis je niet: zij zijn rationele kiezers, al is het dan ter wille van een irrationeel belang.

Terloops merkt Wilkerson op dat wij allemaal, of we nu willen of niet, geobsedeerd zijn door dat ene menselijke kenmerk, huidskleur. Er zijn andere kenmerken, zeker zo relevant. Neem lichaamslengte. Als dat het doorslaggevende raskenmerk was, schrijft ze, dan zouden Nederlanders en Masai één ras van langmensen vormen.

—————

Ik vind Wilkersons presentatie van de historische feiten overtuigend, haar beschrijving van eigen belevenissen aangrijpend, en haar interpretatie van het gemoedsleven van een grote groep Amerikanen aansprekend. Al haar aandacht gaat uit naar het racisme dat de hele Amerikaanse samenleving vergiftigt, al vierhonderd jaar. Ze komt als zwarte schrijfster niet toe aan het seksisme waarvan diezelfde samenleving doortrokken is. Daar heb ik vorig jaar een boek over geschreven: Tegen de vrouwen: De wereldwijde strijd door rechtsisten en jihadisten tegen de emancipatie. Daarin wordt de opkomst van extreem-rechts, seculier en religieus, opgevoerd als een reactie op de snel voortschrijdende emancipatie van vrouwen overal ter wereld. Ook ik heb het, net als Wilkerson, vooral over mannen die minder opgeleid zijn, minder betaald, minder aanzienlijk, en die zich in hun precaire positie in elk geval verheven kunnen voelen boven de vrouwen. Er zijn heel wat vrouwen die ondanks alles toch op Trump stemmen, met hun man mee, of omdat ze zich gekrenkt voelen door een feminisme dat hun levenswerk als echtgenote, moeder en huisvrouw afdoet als achterhaald en onbeduidend.

Trump is met zijn nauwelijks verhulde seksisme en racisme de vertolker van gevoelens die breed gedeeld worden in de lagere regionen van de blanke Amerikaanse samenleving. Maar zelfs deze onbehouwen proleet is daarin toch niet onverbloemd en rechtdoorzee. Hij laat doorschemeren dat hij lak heeft aan zwarten, latino’s, vrouwen. Een enkele keer geeft hij toch even een royale inkijk in zijn geestesleven (‘grab ’em by the pussy’, ‘Mexican rapists’, ‘African shitholes’…). Dat is het kunstje: wees nooit met zoveel woorden racist of seksist, maar permitteer je een toespeling die de goede verstaanders niet ontgaat, de medestanders in vervoering brengt en de tegenstanders tot razernij. Zo heeft Thierry Baudet zijn ‘boreaal’ waarmee hij Nordische (lees Germaanse) volkeren bedoelt en zo heeft Geert Wilders zijn ‘minder minder’ met de toevoeging ‘dan gaan we dat regelen’. (Hoe dan? Met gedwongen deportatie, sterilisatie, of toch maar massale liquidatie?) Toch is het veelbetekenend dat al deze pseudo-, proto- of cryptofascisten nog in bedekte termen praten. Dat is weleens anders geweest.

Ook in de rest van de samenleving is openlijk racisme en openlijk seksisme de uitzondering. Dat stelt Wilkerson voor een probleem (en mij ook). Zij interpreteert kiesgedrag en allerlei sociale confrontaties als bedekt racisme, zoals ik seksisme signaleer, ook waar het verborgen blijft en zelfs onbewust zou zijn. Zij, en ik, lijken soms beter te weten wat iemand in diepste wezen denkt of voelt dan die persoon zelf. Wilkerson heeft wel een dozijn fraaie metaforen voor de terugkeer van wat verdrongen was. Maar zij heeft geen theorie van onbewuste gevoelens of gedachten, en al evenmin een theorie van de afweer die zulke roerselen buiten het bewust besef houdt. De psychoanalytische opvatting van het onderbewustzijn is achterhaald, omdat daarin het onbewuste werd opgevat als een soort orgaan waar psychische inhouden liggen opgeslagen, terwijl het toch eerder een manier van beleven en tegelijk niet-beleven is. Maar dat is al paradoxaal. Het ontbreken van een bruikbare theorie van het onbewuste (met de afweer, de overdracht en tegenoverdracht) is een groot gemis in de menswetenschap.

In Wilkersons prachtboek is nog een zwakte te signaleren. Ze hecht te veel aan mentaliteitsverandering, en te weinig aan activisme en organisatie die een verschuiving teweeg kunnen brengen in de huidige machtsverhoudingen tussen wit en zwart. Tegen het einde van haar boek voert zij een norse loodgieter op die haar niet ziet staan en pas bijdraait als blijkt dat zij allebei hun moeder verloren hebben. Zo komt ze tot de slotsom dat het er uiteindelijk om gaat de harten van de mensen te veroveren. Daar wordt ze van gevoelig sentimenteel. Wie zo ver met haar meegelezen heeft over de onvermurwbare kastensamenleving zal toch meer vertrouwen op collectieve actie: ‘Organize, organize, organize.’

—————

In Nederland is het toch lang zo erg niet met wit en zwart? Die vraag is al een bedekte vergoelijking van de misstanden in eigen land. Als het hier minder erg is, dan kan het hier nog steeds te erg zijn. De vele voorvallen die Isabel Wilkerson beschrijft komen mij onaangenaam bekend voor. Ik ken in mijn uitgebreide gezichtskring eigenlijk niet één gekleurde Nederlander die niet minstens een keer gekoeioneerd is door een witte landgenoot. Een getinte jongeman die opeens over de motorkap van een patrouillewagen wordt gedrukt, want, ja, er was een signalement binnengekomen van een overvaller die, zeg maar, wel wat op ’m leek. ‘Sorry hoor, excuseer.’ Een zwarte vrouw op het Boekenbal (de enige) die door een dronken schrijver voor ‘zwarte aap’ wordt uitgescholden. ‘Nee, zo was hij niet. Dat kwam van de drank.’ Maar die aap zat niet in de fles, die zat in zijn blanke binnenste. Een donkere bewoner van een flatgebouw die in de garage gevraagd wordt wat hij daar uitspookt. ‘Hij woont hier toch zeker niet… O, toch. Hoe kan ik nou weten dat jij hier huurt.’ De klap die de bewoner toen had moeten uitdelen zit nog steeds in zijn vuist.

Sinds een kleine halve eeuw zijn in Nederland honderdduizenden mensen komen wonen uit Suriname en de Antillen. De meeste van hun voorouders werden tot slaaf gemaakt en als slaaf gehouden door plantagebezitters die daarginds leefden onder de bescherming van het Nederlands gezag. Nederland heeft de slavensamenleving daar eeuwenlang in stand gehouden met al het geweld van wet en wapens. Daarbij kwam het iedereen hier heel goed uit dat de slavenjacht en de slavenhouderij zo ver van huis plaatsvonden. De planters en handelaars uitgezonderd konden de Nederlanders doen alsof ze van niets wisten. Van de erbarmelijke toestanden aan de andere kant van de wereld, op de plantages in Indonesië, hoefden ze al evenmin iets te weten. Ze konden inderdaad ‘Oost-Indisch doof’ blijven. Dat is de Witte onschuld waar Gloria Wekker het over heeft.

Maar de mensen uit de West wisten het wél en zijn het helemaal niet vergeten. De eerste generatie immigranten hield het nog voor zich met de ingetogenheid die nieuw aangekomenen past. Hun kinderen en kleinkinderen zijn minder bereid zich te voegen.

Nederland is geen kastenmaatschappij. Het is een gelaagde samenleving, met klassen die in elkaar overvloeien en die gestaag verschuiven. Opleiding en inkomen, in onderlinge samenhang, bepalen grotendeels ieders klassenpositie. Het onderwijs werkt als de grote sorteermachine die op elke etage van de klassenmaatschappij de leerlingen met gepast diploma aflevert. Maar bij de invoer en de doorstroom gaat er nogal wat mis. En het ziet ernaar uit dat juist donkere kinderen vaak onder hun kunnen worden ingeschat. Het onderwijs kan de overgeërfde, ongelijke vermogensverhoudingen tussen wit en zwart die ook in Nederland zijn blijven doorwerken niet rechttrekken. Daar is veel meer voor nodig.

De slavernij is naar de huidige maatstaven een misdaad tegen de menselijkheid. Nederlanders hebben daar als gezamenlijkheid van geprofiteerd en Nederland heeft iets goed te maken aan de nazaten van de slachtoffers. Individuele vergoedingen zijn onbegonnen werk, maar een collectieve tegemoetkoming door de overheid is heel goed mogelijk. Het wordt tijd voor een Dokter Sophie Redmond-programma ter verbetering van de openbare voorzieningen in wijken waar veel van die nazaten nu wonen. Organize, organize, organize.


Isabel Wilkerson, Caste: The Lies that Divide Us, Random House, Allen Lane