Zie mij

Drie miljoen dollar betaalde uitgeverij Random House voor drie boeken van Emma Cline (1989). Althans, dat zijn de geruchten in de New Yorkse uitgeefwereld. Het lijkt de nieuwe aanpak van een branche die al enige tijd worstelt met relevantie uitstralen en aandacht genereren – een buzz creëren rondom een boek door er een groot bedrag voor te betalen. It takes money to make money luidt het oude adagium.

Een groot deel van de hoogte van het voorschot en de buzz zal zitten in de onderwerpkeuze van het boek. Cline situeerde haar debuutroman in de omgeving van een fictieve variant van de Manson Family, de commune die zich eind jaren zestig rondom Charles Manson ontwikkelde, en het bloedbad dat enkele van zijn discipelen in augustus 1969 aanrichtten. Sharon Tate, acht maanden in verwachting van Roman Polanski, was toen het bekendste slachtoffer. De ironie: met de Manson Family heeft het boek weinig te maken, met Cline’s talenten – en tekortkomingen – als schrijver natuurlijk meer.

Cline publiceerde voor dit debuut een kortverhaal in Tin House en een kortverhaal – Marion – en een essay – See Me – in The Paris Review. En het boek bewijst wat de stukken ook al aantoonden: Cline kan schrijven. Haar stijl is helder, eigen aan de verteller; haar metaforen en vergelijkingen zijn sterk (‘To be a girl in the world handicapped your ability to believe yourself. Feelings seemed completely unreliable, like faulty gibberish from a Ouija board’); ze verspringt op de juiste momenten en begrijpt het belang van een plot. Maar net zoals haar spanningsopbouw door de constante vooruitwijzing naar het bloedbad op den duur wat gekunsteld aanvoelt, gaan ook Cline’s stijl en vertelwijze irriteren. Dit leidt, gaandeweg, tot een Ravensburgergevoel: Cline weet de stukjes zo te leggen dat er een prachtig plaatje ontstaat, maar het voelt meestal niet echt, doorvoeld, geleefd. Ze creëert niet, ze kopieert. En, naar ik vrees, op basis van sensatiezucht.

Medium hh 43370881

Cline heeft ervoor gekozen de focalisatie van het boek zowel een veertienjarig meisje – Evie Boyd – te maken als een oudere verteller, de vrouw die het meisje is geworden. Deze oudere verteller breekt de hele tijd in met haar overwegingen bij het verhaal in de jaren zestig. De ervaring van deze lezer was dat deze cliché-overwegingen van de oudere vrouw weinig toevoegen en op termijn dus zelfs irritatie opwekken. Want nee, je had er niets aan kunnen doen. De manische moordlust rondom Manson was misschien niet onvermijdelijk, maar het valt ook niet te verwachten dat een veertienjarig meisje van wie de ouders net gescheiden zijn en die alleen maar naar zichzelf omkijken er wat aan kon veranderen. En zo komen we terug bij de gimmick van het boek: Charlie Manson. Russell Hadrick, de fictieve variant van Manson, is net als zijn historische evenknie een gefrustreerde muzikant wiens muziek, uiteindelijk, wordt afgewezen en die wraak neemt op de maatschappij. Cline gebruikt de ogenschijnlijke peace, love en harmony op de ranch en wat daaronder broeit als decor voor haar verhaal.

Cline creëert niet, ze kopieert. En, naar ik vrees, op basis van sensatiezucht

De schrijfster verandert veel: ze verplaatst de locatie van het verhaal naar Petaluma (in de buurt van San Francisco in plaats van Los Angeles) en verandert het aantal moorden en de vorm ervan (de muzikant die Russell afwijst, Mitch, is de klos). Cline maakt weinig meer duidelijk over de moorden van Manson dan wat de meeste mensen al weten: de misselijkmakende details. De grote nadruk op de moorden in het narratief is dan ook niet geheel terecht. Cline’s boek gaat gelukkig niet alleen over de moorden maar ook over de meisjes. Om hun wens gezien te worden (See Me was de titel van Cline’s essay over haar correspondentie als een jonge tiener met een oudere man), en ergens bij te horen, zich geliefd en geborgen te voelen – en hoe vals ze daarin kunnen zijn. De achterkant van de glimlach.

Hier komt Cline het beste tot haar recht en het boek tot leven: ze schrijft overtuigend over de aantrekking die de jonge Evie – direct – voelt tot de oudere Suzanne, die haar meeneemt naar Hadricks afgelegen hippieranch, een plek waarover Suzanne spreekt als een oord waar liefde van alle kanten komt. Suzanne is uiteraard verliefd op Russell. En ze is niet de enige op de boerderij, dus in dat opzicht klopt Suzannes idee. Maar Cline is gelukkig slim genoeg om Evie niet ook verliefd te laten worden op Russell maar op Suzanne en haar leven. De doodnormale en eenzame Evie wil niets liever dan gezien worden door Suzanne en geaccepteerd. Deze aandrift – een combinatie van verliefdheid en acceptatiedrang – wordt fysiek voelbaar, vooral als Evie zich afgewezen voelt, maar ook in de seksuele passages tussen Evie en Suzanne en Evie en Suzanne en Russell of Mitch.

Deze bezwering van de ene vrouw over de andere vormt zo het interessantste onderdeel van het boek. Als de lezer in het hoofd van de jonge, ontwortelde Evie is en te weten komt wat ze wil, en waarom, te horen krijgt waarom ze dat niet krijgt, en waarom, en voelt wat dat met haar doet, komt het proza tot zijn recht.

Deze coming of age-_passages – en die over de seksuele roofdieren Russell en over Evie’s constant afwezige ouders – zijn het herlezen waard, maar liggen ver uit elkaar. Het zou korter – en gemakkelijker – zijn Cline’s kortverhaal en essay over dezelfde onderwerpen – gender en Californië en opgroeien en je plek vinden – op de site van _The Paris Review te lezen. Want The Girls is een redelijk romandebuut. Over Charlie Manson, de jaren zestig of het verdriet van de middelbare leeftijd weet het niet veel te zeggen, over jong zijn en een meisje wel. Maar, zoals gezegd, daar schreef Cline al eerder over. En beter.


Beeld: Vier vrouwen die zeggen volgelingen te zijn van Charles Manson komen uit de rechtbank waar de sekteleider zijn schuld ontkende voor de moord op actrice Sharon Tate en zes anderen. Los Angeles, 1970 (AP / HH)