Ziek belgië

Dutroux, Augusta, dioxine. Hoe rot is België? Kunstenaars en schrijvers bezien de gruwelen al drie jaar vanuit ivoren torens. Zo niet Jeroen Olyslaegers. Zijn ‘Open gelijk een mond’ schreef hij met beide benen in de drek.

WALGELIJK EN ABSURD was België ook dit jaar, zegt de 32-jarige Antwerpse schrijver . ‘We hadden een griezelige tijd van Siciliaans stilzwijgen: omerta. Op 18 juni waren de verkiezingen en voordien mocht je het woord “Dutroux” niet uitspreken. Noemde je de naam van het monster of refereerde je aan een van de schandalen, dan speelde je extreem-rechts, in casu het Vlaams Blok, in de kaart. Dus werd er gezwegen. Door de kranten, de onderzoeksjournalisten, iedereen deed mee.
Ik dacht, dat wordt CVP en SP. Business as usual. Want Dehaene heeft toch steeds weer alles aangekund. Echt, zijn regering heeft de goorste dingen meegemaakt en is telkens zonder al te veel kleerscheuren weggekomen. Uit schrik voor extreem-rechts slikte iedereen hem. En dat is een ramp. Het ontberen van visie in de jaren tachtig en negentig, het absoluut ontwijken van elke vorm van langetermijndenken, is ons zuur opgebroken en ik beschouw de CVP daarvoor verantwoordelijk. Twee weken voor de verkiezingen verandert alles: de dioxinecrisis. Die is zeer duidelijk: er is geen samenzwering, er is gewoon geknoeid met de voedselketen. Een paar mensen wilden snel en op een zieke manier veel geld maken en dan blijkt dat in het hele systeem de controle compleet mis is. De voedselketen gaat zonder professionele, democratische controle haar gangetje. Dan treft de dioxinecrisis de CVP recht in het hart. De CVP is een gezinspartij en voedsel raakt de kern van het gezin. You don’t fuck with our food. Op dat moment bestaat de CVP niet meer. Ze kan het niet verwerken en ze wordt afgestraft door de kiezer.
Moet je je voorstellen: de Augusta-affaire, de miljarden ontwikkelingshulp waar geen Afrikaan ooit iets van heeft gezien en erger nog, de verkrachte en vermoorde kinderen - even is er opschudding, een witte mars, maar dan is het weer regeren en een paar jaar later is iedereen het vergeten. Maar eten!? Nee, dat gaat over ons allemaal.’
DRIE JAAR GELEDEN, met de arrestatie van Marc Dutroux, barstte de puist die België heet open. Affaires, schandalen, complotten en intriges spatten van televisiescherm en krantencover. Sindsdien zijn de gebeurtenissen als een trauma verankerd in het bewustzijn van elke Belgische schrijver, kunstenaar en muzikant en hangt de werkelijkheid als een vloek over de kunst van het land. De Belgische literatuur kon onmogelijk op veilige afstand verblijven. Hugo Claus, Tom Lanoye (van wie de ze week Zwarte tranen, het tweede deel van een trilogie, verschijnt), Walter van den Broeck, Jacques de Dekker en anderen togen aan de slag. Dat werd: optillen naar de grote geschiedenis van de gehele mensheid, mythologiseren, de mooiste vergelijkingen trekken, parabels en treffende metaforen bedenken. Maar liefst nergens te expliciet, alsof dan de scheidslijn tussen fictie en non-fictie overschreden zou worden.
Jeroen Olyslaegers breekt met die wet. Vurig en vindingrijk beschrijft hij zijn zieke en rotte land niet vanuit de ivoren toren, maar plaatst hij zich met beide benen in de drek. En daar jagen dolgedraaide onderzoeksjournalisten, een filmjournalist (was de schrijver eens), een deejay, een 'ik’, een goeroe-achtige figuur en een 'Jeroen Olyslaegers’ achter de waarheid aan. Olyslaegers noemt de dingen bij hun naam. Daarover zei hij eerder tegen Bart Vanegeren in Humo: 'Dat is een belangrijk verschil tussen Tom Lanoye en mezelf. In Het goddelijke monster heeft hij het over blocnootjes, terwijl het bij mij een schriftje is. Ik wil die fetisjwoorden gebruiken: het schriftje van Delcroix is nu eenmaal een schriftje.’
ANTWERPEN IN DE ZON, op de scheiding tussen de laatste ochtend van de zomer en de eerste middag van de herfst. De schrijver draagt een modieus pak, zwart hemd en rode stropdas als we langs het Museum van de Moderne Kunsten lopen en hij zijn buurtje hekelt. Iedereen wil hier koortsachtig hip en kunstminnend schijnen. We kopen koffie in de supermarkt waar 'vanavond weer de yuppen hip staan te wezen’. Maar toegegeven, hij komt zelf ook steevast bekenden tegen. 'Antwerpen is een dorp. Laatst was ik op een party in de kelders van het museum en kwam ik erachter dat ik werkelijk iedereen kende: een heel ziek gevoel.’
Thuisgekomen zet Olyslaegers eerst de koffie. Hij legt een pakje Gauloises zonder filter naast de asbak, staart een tel in het niets en beantwoordt dan gretig de eerste vraag.
Willen de mensen in dit land een complot zien?
'Jazeker. Er lopen in België tientallen journalisten rond die die obsessie hebben en die vrijspel hebben gekregen in de compleet hallucinante periode na de arrestatie van Dutroux.’
Waarom willen ze een complot zien?
'Omdat een complot zekerheid geeft. Dutroux is onze Lee Harvey Oswald. Vlak voor hij wordt neergeschoten, zegt Lee Harvey Oswald: “I was just a patsy.” Dutroux is onze zondebok, onze patsy. De moord op de kinderen en de sfeer eromheen van: er is wel of geen netwerk, is zeer vergelijkbaar met de moord op JFK, toen plotseling een donkere periode begon. Een periode van projecties. Van samenzweringstheorieën. Van complotten. De commissie-Dutroux, die door verschillende mensen in twijfel wordt getrokken - en waarom ook niet: we weten absoluut niet wat er in die commissie is gebeurd -, zegt: er is geen samenzwering, er is alleen een verregaande vorm van incompetentie, een compleet gebrek aan professionalisme in dit land.’
Is dat zo?
'Ik denk: ja en nee. Ik projecteer professionalisme en ik vind amateurisme. In alle geledingen van de maatschappij merk je keer op keer een totaal gebrek aan visie en zie je hoe mensen gewoon maar wat aanmodderen. Het moment waarop iemand zegt: ik heb een idee, en hij gaat dat consequent uitwerken, dat is hier een revolutie. Deze maatschappij is een schitterend ongeluk, een treinongeluk, een plane crash waarvan we nog altijd de brokstukken aan het oprapen zijn.’
Koffie en sigaretten onaangeroerd. De rol van media interesseert hem in hoge mate. 'Je kunt een groot complot suggereren, ook zonder iemand te beschuldigen. Een intelligente - en zelfs een domme - lezer pakt die signalen perfect op, beschouwt dat complot als een feit en leest de follow up niet. Er hóeft zelfs geen follow up te komen. Journalisten zijn heel slecht in conflictbeheersing, maar je mag niemand veroordelen die een hype in gang heeft gezet en absoluut niet meer weet hoe je die moet beheersen.’
Hoogst merkwaardig - en onderwerp van Open gelijk een mond - was de afgelopen jaren de metaforische waarde van een tweetal zeer populaire televisieprogramma’s: Schalkse ruiters en De mol (dat binnenkort ook in een Nederlandse versie uitgezonden zal worden). Olyslaegers: 'Schalkse ruiters, dat ging over de vraag: wat is echt en wat is onecht? Laten ze een scène zien: de protagonisten Bart en Tom verkleden zich als piloten en komen zo langs de zogenaamd strenge beveiliging van vliegveld Zaventhem, gaan een vliegtuig binnen en nemen plaats in de cockpit. Het publiek moet beslissen: is dat echt gebeurd of is dat geënsceneerd?
Dat programma wordt gelanceerd juist op het moment dat je als nieuwskijker niet meer weet wat waar is en wat niet. Je weet niet of Nihoul iets te maken heeft met Dutroux. Is er een netwerk? Is Dutroux een alleenstaand monster? Het tijdschrift Knack zegt: al dat gedoe met die pedofilienetwerken; die zogenaamde getuige X1 is gewoon een mediahype, dat mens heeft helemaal niks meegemaakt, die is gewoon seksueel heet sterk getroubleerd. Humo zegt weer het tegenovergestelde. Een andere krant publiceert foto’s van X1 bij haar communiefeest en schrijft: kijk, toen was geluk nog heel gewoon, iedereen kan toch zien dat er niks aan de hand is met dat meisje. Terwijl De Morgen weer zegt dat ze door haar grootmoeder is misbruikt als tienerhoer, haar vader en moeder haar verwaarloosd hebben en ze op haar twaalfde een relatie had met een pooier. Lijnrecht tegenover elkaar: wat is waar en wat is onwaar? Op dat moment komt Schalkse ruiters en dat wordt het meest populaire amusementsprogramma van het land.’
En dan was er het ongekend populaire De mol waarin een groepje mensen verscheidene opdrachten moest uitvoeren. Een van hen is ingehuurd om de boel te saboteren, maar de andere deelnemers en de kijkers weten niet wie de mol is.
'Ook De mol was van Woestijnvis, het hippe productiehuis van Vlaanderen. Ze willen er nooit iets over zeggen en houden vol: wij maken geen politieke programma’s. Ik denk: integendeel, ze gaan heel sterk in op wat er in het land leeft. Ze zijn fundamenteel politiek en fundamenteel filosofisch en vormen een bewuste dan wel onbewuste deconstructie van wat er in dit land gebeurt.’
VOLSTREKT HALLUCINANT noemt Olyslaegers de periode waarin de inwoners van 'het meest postmoderne land van de wereld’ worstelen met de werkelijkheid. Ook kunstenaars, schrijvers en journalisten. Olyslaegers beschrijft ook hoe het personage 'Jeroen Olyslaegers’ reageert.
Olyslaegers: 'Ik ging schrijven over trauma’s en gruwelen, want achter heel de affaire schuilt wel een ongelooflijk lijden. Er hebben mensen verschrikkelijk afgezien en dat lijden voelde je ook in het land - als een soort solidariteit die tegelijk geuit werd als afgrijzen. Ik wist van mezelf dat ik daar misschien wel rotte dingen mee ging uithalen. Zo'n figuur als Paul Marchal, de vader van An, heb ik deels verwerkt in een vader die op een hysterische manier reageert. Ik vond dat als ik mijzelf aanmatig daarover te schrijven, ik in ruil iets moest geven. Dan moest ik laten zien: dit gaat ons allemaal aan. Het enige wat een schrijver dan kan doen is zijn eigen naam op papier zetten. Niet zozeer uit autobiografische overweging; ik wou vooral mijn betrokkenheid erin krijgen. En Jeroen Olyslaegers in het boek is echt een complete loser.’
Zijn vrouw heeft een minnaar.
'Die vraagt of hij tijdens de seks een leren masker mag ophebben en zij antwoordt: dat is goed, maar hou het op nadat je bent klaargekomen.’
Daar schuilt een satanisch genoegen.
'Zeker. Ik wou mijn naam door het slijk halen én ik wou een satire schrijven op het ongelooflijke biografische gezwets in de Nederlandse literatuur, waardoor juist de speculaties ontstaan. Bijvoorbeeld dat nieuwe boek van Adriaan van Dis. Ik heb de interviews gelezen en lag constant kreupel van het lachen. Dan zegt Van Dis: het is niet autobiografisch maar wel autobiografisch geïnspireerd. Alsof de lezer die lijn kan trekken! Schrijvers als Van Dis koesteren de illusie dat hun boek valt los te maken van hun publiek personage, maar het eerste wat de lezer toch altijd denkt is: is dit echt gebeurd? Je kunt wel duizend keer zeggen: de “ik”, dat ben ik niet, maar ik weet zeker dat als ik het boek van Van Dis lees, ik het beeld van de ik-figuur ga plakken op Adriaan van Dis.’
Jeroen Olyslaegers, Jerry O., een 'ik’ en dan nog wat andere personages. Verschillen ze wel?
'Ze zijn communicerende vaten. Na een tijdje things start to blur. Ik zie informatie als iets organisch. Iets levends. Het oude zender-ontvangerschema dat we op school leren is een bezwering van de angst voor de organische kant van informatie. Zo'n tekeningetje waarin de zender en de ontvanger van die vierkantjes waren, met grenzen afgesloten. De boodschap speelde een soort pingpong tussen ze in, maar drong nooit binnen.
Volgens mij worden we constant genomen door informatie. Constant gepenetreerd. Elk informatiedeeltje is mogelijk in staat om de gehele manier waarop wij naar de werkelijkheid kijken te doen kantelen. Als wij een gesprek hebben ben ik mijn software in de jouwe aan het downloaden en omgekeerd. Wij zijn communicerende vaten.’
Behalve Dutroux.
'Dutroux is een zwart gat. Niet te vangen. Je gooit er dingen naartoe. Journalistieke verklaringen, sociologische, pathologische, regionale, maar iedereen beseft: dat zijn allemaal maar stukjes.’
OLYSLAEGERS ziet een maatschappij voorbijgaan, zegt hij, waar weinig commentaar op wordt geleverd. De Waalse cultuur is voor hem een compleet terra incognita aan het worden. En zijn Frans is eigenlijk veel slechter dan dat van zijn ouders. Zijn zoontje van vier spreekt nog helemaal geen Frans.
Olyslaegers: 'Elke Vlaamse inwoner van dit land is zich ervan bewust dat hij in een opgelegde structuur woont. Het gevolg is dat je staatsstructuren voortdurend relativeert en in dat klimaat van ongeïnteresseerdheid gedijen amateurisme en corruptie. An en Eefje waren twee Vlaamse meisjes die Dutroux ontvoerde naar zijn hol in het zwarte Wallonië. Er is een tendens in de Vlaamse pers om economisch denken, de zogeheten “derde weg”, te associëren met Vlaanderen en het oude staatsapparaat-denken met de zware metaalindustrie in Wallonië.’
Hij leunt eindelijk acherover. Zijn zinnen over België kwamen geroutineerd en zonder veel grappen zijn mond uit. Nu vertelt hij over zijn eigen Vlaams-Nederlandse taalproblemen. Als hij in Rotterdam of Amsterdam iemand aanspreekt, krijgt hij heel vaak antwoord in het Engels, ook al blijft hij telkens consequent in het Nederlands terugpraten. Het amuseert hem ook hoe er in Nederland over engagement wordt gedacht.
Olyslaegers: 'In Nederland is het nog altijd een beetje not done om een engagement te ontwikkelen. Daar waait blijkbaar nog altijd het spook van de maatschappelijk verantwoorde literatuur uit de jaren zeventig. Geweldige discussie hadden jullie trouwens enkele jaren geleden, ik heb daar met Tom Lanoye enorm om zitten lachen. Mulisch, Blokker en Hofland verweten mensen als Zwagerman en Giphart: jullie hebben de oorlog niet meegemaakt. Waar schrijven jullie in godsnaam over? Feesten! Wij hadden tenminste een groot thema. En dan Zwagerman die dat zelf erkent en zegt: goh, er is geen groot thema. Nederland is één gigantisch groot thema! Alleen komt het niet in die boeken naar boven. Maar wat betekent het om in Nederland te leven? De thema’s knallen daar gewoon om de hoek: de agressie! Elke buitenlander merkt dat. In Nederland heerst een agressiviteit die je echt nergens anders voelt. Agressiviteit is een soort norm geworden.
Het is plat hè, om erover te schrijven. Terwijl, bij ons is het platte ervan af. De gebeurtenissen gingen zo door merg en been. Voor ons ís het de Tweede Wereldoorlog. Het is Vietnam voor ons, een vrij collectief gebeuren.’