Geobsedeerd door het perfecte, fitte lichaam

Ziek gezond

Of het nu gaat om orthorexia nervosa, om fitspiration, CrossFit of nutrient timing – de hang naar een goed werkend lichaam is doorgeschoten. Er is een ware cultus ontstaan. Teken van een verwarde tijd?

Bootcamp in het Vondelpark, Amsterdam © Piet van der Meer / ANP

Terwijl de overheid spreekt over het gevaar van een landelijke obesitas-epidemie vindt in de grote steden een tegenovergestelde beweging plaats. Sinds een aantal jaar bestaat er een grootstedelijke gezondheids-scene waarbinnen sport en voeding een nieuwe levensstijl vormen en die haar eigen mode kent. Bootcamp- en CrossFit-groepjes overwoekeren de stadsparken en op Instagram vieren extreem afgetrainde ‘fitgirls’ hoogtij. Paleokookboeken domineren de bestsellerlijsten en juicebars schieten als paddenstoelen uit de grond. Gezondheidsgoeroes als Rens Kroes bekeren vanuit een bijna religieuze overtuiging zwakke zondaars tot een superieure levensstijl. Een extreme obsessie met gezond en ‘foutloos’ eten kent sinds kort zelfs een eigen diagnose, namelijk orthorexia nervosa. Is orthorexia een op zichzelf staand fenomeen of eerder een symptoom van de huidige tijdgeest?

In Vrouw, bijvoegsel van De Telegraaf, lezen we over een nieuwe eetstoornis waar een groeiend aantal jonge vrouwen aan lijdt: orthorexia nervosa. Het verschijnsel wordt beschreven als een stoornis waarbij iemand geobsedeerd is door ‘foutloze’ voeding, vaak gepaard met een overdaad aan sport en beweging. Het is kortom een obsessie met de perfecte gezondheid. De eetstoornis bevat een vreemde paradox: de orthorect is ervan overtuigd gezond te leven, maar kampt tegelijkertijd met een gevaarlijk tekort aan voedingsstoffen. De Telegraaf noemt orthorexia het gevaarlijke zusje van de bekende eetstoornissen anorexia en boulimia.

In Linda lezen we over een nieuw fenomeen dat populair is onder studenten: ‘drunkorexia’. Het is een extreme variant van de balansdag: jongeren die zich in het weekend te buiten gaan aan alcohol en de rest van de week nauwelijks eten en extreem fitnessen om de schade te herstellen. Dit regime zou het beste van twee werelden combineren: veel feesten en drinken en toch een strak lijf behouden. Als we vervolgens Men’s Health openslaan, maken we kennis met het zogenoemde Adonis-complex. Het komt voor bij mensen die een bovengemiddelde spiermassa hebben, maar net als anorexiapatiënten heel dun zijn. De afwijking, in sportschoolkringen ‘bigorexia’ genoemd, kenmerkt zich door een verstoorde lichaamsbeleving. Ongeacht hoeveel deze mensen trainen, in de spiegel blijven ze een mager scharminkel zien. Ze trainen obsessief, raken in paniek als ze langer dan drie uur niets hebben gegeten (omdat de spiermassa dan afbreekt) en houden zich dwangmatig aan eenzijdige sportdiëten.

Wie op safari gaat in de stadsjungle ziet verschillende grootstedelijke health tribes. Niet gehinderd door enige kennis van zaken gingen wij op veldonderzoek in de Amsterdamse ‘gezondheidsscene’. Ten eerste zien we de trendgevoelige voorhoede. Die doet aan CrossFit, is lid van een bootcampklasje of heeft een personal trainer. Deze tribe, overwegend vrouwen, maakte veganisme hip, dronk vers geperste sapjes voordat die bij Albert Heijn te koop waren en at al flexitarisch (flexibel vegetarisch) voordat het een naam kreeg. Terwijl avocadotoast en havermoutpannenkoekjes inmiddels tot het vaste Instagram-repertoire zijn gaan behoren, posten deze trendsetters alweer foto’s van Hawaiiaanse poke bowls en Japanse kombucha-thee. Een andere prominente groep zijn de fitnessfreaks, die leven voor hun killer body – een perfect afgetraind lichaam. Zij houden zich aan strakke sport- en voedingsschema’s, slikken supplementen en drinken een eiwitshake na de training. Selftrack-apps worden ingezet om ‘macronutriënten’ te berekenen en het metabolisme te monitoren. Deze groep lijkt uit een groter aandeel mannen te bestaan dan de spinazie slurpende voorhoede: er bestaat zelfs een speciale caveman workout.

Ook de hoogopgeleide tweeverdieners, vaak met jonge kinderen, vormen hun eigen stam. Gezondheid wordt benaderd met dezelfde doelmatigheid die ze in hun werk toepassen. Het ‘gezondheidsproject’ wordt actief en efficiënt gemanaged. Op het nachtkastje liggen populair-wetenschappelijke boeken over E-nummers en in de supermarkt worden etiketten aandachtig gelezen. Gezond eten is onderdeel van een verantwoorde opvoeding en dus krijgen de kinderen een schep biologische appelmoes naast hun duurzaam gevangen visstick.

Hoewel er om de groep gezondheidsfanaten geen scherpe grenzen te trekken zijn, lijken deze fanatiekelingen een aantal kenmerken te delen. Ten eerste nemen ze geen genoegen met algemene adviezen, maar gaan zelf kritisch op zoek naar specialistische kennis. Ten tweede zijn ze veelal jong, leven in de stad en halen veel van hun informatie van het internet. Ten derde zijn ze bereid en hebben ze de mogelijkheid om een substantieel deel van hun inkomen, tijd en energie te besteden aan voeding en beweging.

Landelijk bestaat er een systematische relatie tussen sociaal-economische status en gezondheid: hoe lager het inkomen en opleidingsniveau, des te hoger het aantal gezondheidsklachten, ziekten en het sterftecijfer. Een bewust gezonde leefwijze wordt daarom vaak als elitehobby gezien. De veronderstelling is dat hoogopgeleiden het brein, het geld en de discipline hebben om een uitgebalanceerd dieet samen te stellen en hun producten in allerlei speciaalzaken te halen. Ook het nvvl – het netwerk voor Nederlandse voedselexperts – constateert een duidelijke tweedeling die het toeschrijft aan onder meer opleidingsniveau. Uit recent onderzoek blijkt dat zeventig procent van de bevolking niet bezig is met voedseltrends en dertig procent juist heel intensief. ‘Dat zijn voornamelijk jonge hoogopgeleiden in de Randstad’, legt vice-voorzitter van het nvvl Elly Kaldenberg uit.

Onder de vlag van gezondheid wordt een afgetraind figuur de nieuwe esthetische norm

Aan de Universiteit van Amsterdam schrijft antropologe Lisanne Claessens haar proefschrift over ‘supergezonde’ jongeren in de Randstad. Hoewel er op landelijk niveau een duidelijk klassenonderscheid in gezondheid bestaat, betekent dat nog niet dat de health scene in de grote steden dezelfde demografsche verdeling kent. Tijdens haar veldonderzoek in een Amsterdamse juicebar ontdekt Claessens dat de sapjes drinkende klantenkring lang niet alleen uit mensen met dikke portemonnees bestaat. Hoewel hogere inkomens een ‘supergezonde’ levensstijl financieel gezien makkelijker kunnen volhouden, worden ook veel studenten aangetrokken tot bepaalde workout-regimes of bijvoorbeeld biologisch eten.

Om deze groep te kunnen bedienen wordt er in de grote steden volgens Claessens veel creativiteit ontplooid om gezondheid beter betaalbaar te maken: ‘Een van die voorbeelden is bootcamp in het park. In de sportschool kost persoonlijke aandacht en training al gauw vijftig euro per uur. In de openbare ruimte, waar geen huur voor wordt betaald, ben je ongeveer hetzelfde kwijt maar dan per maand. Dit is nog steeds een bedrag dat niet iedereen gemakkelijk kan missen. Maar er wordt ook wel bewust gespaard of gebudgetteerd op andere posten om een bepaalde levensstijl te bekostigen.’ De ‘elitesportklasjes’ in het Vondelpark worden dus lang niet alleen maar bevolkt door de traditionele bovenklasse. En hoewel vitaminesupplementen en biologische producten duur zijn, betekent dit niet dat alleen hoogopgeleide veelverdieners er hun geld aan uitgeven.

In de gezondheidsbeluste metropool vormt zich een nieuwe elite: de gezondheidselite. Om deel uit te maken van de gezondheidselite heb je geen vette bankrekening of een diploma van de universiteit nodig, maar wel de juiste kennis en levensstijl. Leden van deze nieuwe elite delen fitheidsnormen en welzijnswaarden. Zij dragen een nieuw type morele superioriteit uit, gebaseerd op ‘supergezondheid’: fit is the new rich. Om zich duidelijk te distantiëren van de (ongezonde) massa zijn ze steevast op zoek naar innovatieve recepten, grensverleggende lichaamsoefeningen en onconventionele producten.

Status wordt afgemeten aan de toewijding in de bereiding van steeds creatievere gerechten. De taal van deze opkomende gezondheidsklasse bevat veel Engelse termen waarmee nieuwe methoden en producten worden omschreven: food mash-up, CrossFit, nutrient timing. Het komt niet alleen uit Amerika overwaaien, de nieuwe woorden verlenen de ingewijden van de supergezonde leefstijl ook een gevoel van groepsexclusiviteit.

Een fit, afgetraind lichaam is het (status)symbool geworden van gezondheid. Gezond leven draait niet alleen meer om bewust eten, maar ook om actief aan je lichaam werken. Het fenomeen fitspiration – een samentrekking van ‘fitness’ en ‘inspiration’ – is exemplarisch voor de huidige digitale tijdgeest: gelikte afbeeldingen en inspirerende teksten die op sociale media worden gedeeld ter promotie van een sportieve levensstijl. Denk aan foto’s van strakke buiken, yogaposes en sportkleding voorzien van citaten als ‘I like my weights heavy, and my squats down low’. Sociaal medium Instagram is koploper: de hashtags #fitspiration en #fitspo leveren meer dan 42 miljoen afbeeldingen op.

In gezondheidskringen werd de mantra strong is the new skinny in korte tijd razend populair. Door een ‘echt’ en sterk lichaam te promoten bieden fitgirls een alternatief voor het ultradunne schoonheidsideaal. Of nou ja, een alternatief?

Amerikaanse psychologen bestudeerden meer dan duizend fitspiration-afbeeldingen. Het bleek dat de gezonde levensstijl niet alleen werd gekoppeld aan een atletisch uiterlijk, maar ook aan een laag gewicht: de modellen op de foto’s waren niet alleen afgetraind maar ook bovengemiddeld dun. Zo gaat fitspiration steeds meer lijken op thinspiration, dat extreme magerheid en anorexia verheerlijkt. Bij fitspiration zijn de lichamen alleen gespierder.

Terwijl de eerste gespierde barbiepop nog gesignaleerd moet worden, komen jongens middels afgetrainde actiefiguren op jonge leeftijd al in aanraking met het atletisch schoonheidsideaal. In een recent Brits onderzoek werden mannelijke fitnessfanaten tussen 18 en 25 jaar geïnterviewd over hun ervaringen met fitspiration. Hoewel de mannen hun lichaam vergeleken met dat op de foto’s van de fitspiration-accounts die ze volgden, verklaarden zij dat eerder als technische interesse dan als pure uiterlijke vergelijking. Toch bleek uit een groot psychologisch overzichtsonderzoek dat ook mannen beïnvloed worden door beeldcultuur: bij hen resulteert het zien van afbeeldingen van gespierde modellen eveneens in een afname van tevredenheid over het eigen lichaam.

De grote nadruk op uiterlijk en gewicht doet vermoeden dat het moderne streven naar een gezond en fit lichaam bekende schoonheidsidealen niet vervangt maar incorporeert. Onder de vlag van gezondheid wordt een afgetraind figuur de nieuwe esthetische norm: een killer body is geen leuke bijkomstigheid, maar een doel op zich. Deze beperkte beeldvorming impliceert ten onrechte dat er slechts één soort lichaam gezond kan zijn, namelijk het slanke en gespierde type. Bezwaarlijk, want ook zonder wasbordje kun je heel fit zijn. Bewust of niet, het gevaar van de gezondheidsmanie zit ’m voor een belangrijk deel in constante vergelijking: sportieve rolmodellen op sociale media zijn geen beroemdheden, dus hun lichaam lijkt een realistisch te bereiken doel als je je maar genoeg inzet.

Hoe meer we streven naar de ‘perfecte gezondheid’, hoe ongezonder we ons voelen

Orthorexia nervosa lijkt de uiterste consequentie van de doorgeslagen gezondheidscultus. De diagnose is in 1997 in het leven geroepen door de Amerikaanse natuurarts Steven Bratman. De term is een samenvoeging van de Griekse woorden orthos en orexis. Het eerste betekent correct of juist, het tweede eetlust. De toevoeging nervosa impliceert dat het een psychische stoornis zou zijn. In tegenstelling tot andere eetstoornissen draait orthorexia niet zozeer om de hoeveelheid voedsel, als wel om de kwaliteit ervan. De orthorect is geobsedeerd door ‘foutloos’ eten. Toch ligt het gevaar van een tekort aan essentiële voedingsstoffen, en zelfs mentale uitputting, op de loer. Eindeloos informatie opzoeken, maaltijden inplannen en schema’s bijhouden wordt op den duur vermoeiend en stressvol.

Bootcamp in het Vondelpark, Amsterdam © Piet van der Meer / ANP

In extreme gevallen moet ook het sociale leven wijken omdat de orthorect uit angst voor ‘slechte voeding’ niet meer buiten de deur durft te eten. Ondanks de klinkende naam is orthorexia nervosa niet als officiële aandoening opgenomen in de DSM-5. Desalniettemin presenteren populaire media het als een zinderend nieuw gevaar. Verhalen over ‘een groeiend aantal slachtoffers’ doen het goed. Redacties spelen graag voor doktertje door online zelftests aan te bieden waarmee iedereen zelf een diagnose kan stellen. Dit leidt tot ergernis onder medisch experts. Volgens Eric van Furth, bijzonder hoogleraar eetstoornissen, moeten we terughoudend zijn met het bedenken van nieuwe psychiatrische diagnoses: ‘Binnen de psychiatrie is pas sprake van een eetstoornis als eetgedrag onvrijwillig gepaard gaat met beperkingen waar iemand gedurende langere tijd onder lijdt. De vraag is dus in hoeverre gezond eten je dagelijks leven beperkt.’

Een stoornis berust op menselijke afspraken die bepaald gedrag als abnormaal definiëren, en daar hebben we er volgens Van Furth juist minder van nodig: ‘In extreme vorm zou compulsief gezond eten eerder een variant kunnen zijn van een al bestaande eetstoornis of dwangstoornis en dan heb je dat nieuwe etiketje van orthorexia helemaal niet nodig.’

Een veelgehoord tegengeluid is dat orthorecten zich niet herkennen in bestaande eetstoornissen. Zij vrezen niet zozeer dik, maar ongezond te zijn. Een label kan van therapeutische waarde zijn en daarom willen zij een ‘eigen’ diagnose. Tegelijkertijd ligt het gevaar van de selffulfilling prophecy op de loer. In het boek Crazy Like Us neemt journalist Ethan Watters de ‘uitvinding’ van verschillende geestesziektes onder de loep. Volgens hem zijn eetstoornissen modegevoelig. Toen prinses Diana in de jaren negentig bijvoorbeeld toegaf aan boulimia te lijden, introduceerde dat in Hongkong een ziekte die er voorheen nog onbekend was. Voor jonge Chinese vrouwen werd overgeven en laxeren een manier om persoonlijke kwellingen – letterlijk – te uiten. De tijdgeest bepaalt dus welke innerlijke ellende als psychische stoornis wordt gedefinieerd en ervaren. Met de grote nadruk op controle over het eigen lichaam lijkt orthorexia op haar beurt een symptoom te zijn van een hedendaags ideaal van individuele maakbaarheid.

Doe een bootcamplesje of loop een vitaminewinkel binnen en de boodschap is al snel duidelijk: het lichaam is maakbaar en gezondheid is een keuze. Met de juiste mentaliteit en kennis is een lang en fit leven voor iedereen haalbaar. Zo spreekt de Schijf van Vijf tegenwoordig van ‘gezondheidswinst’. Een handje noten per dag zou de sterftekans verlagen en bosbessen zouden de groei van kankercellen tegengaan. Maar wie statistisch onderzoek foutief toepast op een individueel geval maakt zich schuldig aan de zogenoemde ecologische drogreden. Dat bepaald gedrag voor een groep gemiddeld goed uitpakt, is nog geen garantie dat dit voor elk individu binnen de groep zo zal zijn. Toch doet de gezondheidselite ons graag anders geloven.

Zo bepleit Fajah Lourens in haar bestseller Killerbody dat een afgetraind lichaam bereikbaar is mits men zich houdt aan haar strenge sportschema en spartaanse dieet. ‘Als ik het kan, kun jij het ook’, aldus de schrijfster. Het is een gevecht met de wetten van de natuur. Mind over matter, genetische opbouw ten spijt. Wat er kan gebeuren als dit individuele maakbaarheidsideaal doorslaat, wordt mooi beschreven door Bregje Hofstede. In het boek De herontdekking van het lichaam schetst zij de gevaren van de welzijnsrage op basis van haar persoonlijke ervaringen. Verregaande aandacht voor het lichaam, zoals hypergezond eten en extreem sporten, gaat volgens haar eigenlijk om presteren: ‘Gaandeweg ging ik me afvragen of ik – met al mijn aandacht en oefeningen en al mijn nieuwe weetjes over gezonde eet- en leefpatronen – er niet vooral handiger in werd mijn lichaam nog geraffineerder in dienst te stellen van mijn hoofd (of nauwkeuriger: mijn plichtsbesef).’

Door het lichaam zo efficiënt mogelijk te benutten, plegen we volgens Hofstede in feite roofbouw op onszelf. Het streven naar een perfecte gezondheid gaat bewust over lichamelijke grenzen heen. Wanneer dat lukt, wacht glorie, belooft Fajah Lourens. Maar veel mensen kunnen slechts korte tijd teren op hun fysieke reserves voordat het lichaam uitgeput raakt. In het meest extreme geval moet de opgebrande of zelfs uitgemergelde perfectionist in een kliniek weer leren luisteren naar het lichaam. Ignaas Devisch, hoogleraar ethiek en medische filosofie, plaatst dit verschijnsel in een breder cultureel perspectief. In de bundel Ziek van gezondheid beschrijft hij hoe het lichaam tegenwoordig niet alleen curatief maar ook preventief wordt aangepakt. De moderne mens gelooft niet langer in lotsbeschikking en is overgestapt op actief zelfmanagement: voorkomen is beter dan genezen. Volgens Devisch vindt er zo een uitbreiding van het begrip gezondheid plaats: ‘Gezondheid is niet langer een gegeven maar ook een norm, een richtsnoer waarnaar we maatschappelijk en individueel streven maar waarvan we zelden of nooit zeker zijn of we het wel bereikt hebben.’

Of je ‘gezond’ bent is niet langer een klinisch-medische vaststelling, maar een ideaal waar we voortdurend aan moeten werken. Voor wie slimmer, fitter, gezonder – kortom: beter – wil worden, bestaat er bovendien allerlei slimme technologie. Selftracking-polsbandjes hebben een stappenteller en waarschuwen bij te weinig beweging. Health-apps maken het mogelijk om een uitgebreid gezondheidsprofiel bij te houden dat inzicht biedt in eet-, slaap- en beweegpatronen. Op basis van de ingevoerde data krijgt de gebruiker tips, bijvoorbeeld om het slaapritme te optimaliseren door vroeger op te staan.

Maar er bestaat een frustrerend verschijnsel dat de Duitse filosoof Odo Marquard al beschreef met zijn ‘wet van de toenemende ergernis’: hoe meer controle we hebben over ons leven, hoe meer we ons ergeren aan het kleine beetje waar we (nog) geen grip op krijgen. Zo ontstaat er een groep mensen die Devisch de worried well noemt: ze zijn kerngezond, maar continu bang om alsnog ziek te worden. Paradoxaal genoeg creëert het doorgeschoten maakbaarheidsideaal zo een nieuw probleem: hoe meer we streven naar de ‘perfecte gezondheid’, hoe ongezonder we ons voelen. Het geloof in de kneedbaarheid van het lichaam is groot en een vitaal lijf is de norm. Maar we zijn nooit fit of slank genoeg. We bewegen per definitie te weinig en onze voeding kan altijd beter. De worried well voelen zich ongezond totdat het tegendeel bewezen is. Obesitas wordt ‘de cholera van deze tijd’ genoemd, omdat het wordt gezien als een moreel probleem van de onderklasse. Het maatschappelijk oordeel is vaak keihard: wie te dik is, heeft gebrek aan discipline. Tegelijkertijd leidt onder de nieuwe gezondheidselite een overvloed aan zelfdiscipline tot een tegenovergesteld moreel probleem. Hier manifesteert ziekelijke gezondheid zich als de nieuwe welvaartsziekte.


Dit is een ingekort essay uit de bundel Blikopener: Perspectieven van geëngageerde twintigers (Amsterdam University Press, 208 blz., € 17,99) van Niek Bollemeijer, Laura Burgers, Ramon Creyghton, Hugo van Dam, Ernée Derckx, Philip Stein en Bram van Vulpen dat deze week verschijnt. Als jongerenredactie SPUI25 in Spe organiseerden zij lezingen en debatten in academisch-cultureel podium SPUI25, Amsterdam; blikopenerboek.nl