Kees ‘t Hart

Ziekte

We lopen samen naar het station, steken eerst de weg over, draaien naar links, lopen dan onder een viaduct door, onze voetstappen horen bij het geluid dat ze voortbrengen. Wil ik iets zeggen of hoor ik te wachten op wat anderen zeggen? Langs een groot plein staan hoge gebouwen. De jongeman naast me vertelt plotseling dat hij een boek wil schrijven, al jarenlang eigenlijk, maar het lukt steeds niet, ik begin wel, maar dan lukt het niet. Boven op een flatgebouw staat een reusachtig uitvergrote leeslamp in het donker van licht te zijn, een beeld van Henneman. Je moet gewoon beginnen, zeg ik, ik begin altijd maar wat, ik schrijf maar een eind weg en dan komt er een verhaal. Ik lieg alsof het niet gedrukt staat. Tijdens schrijven lijd ik aan wondkoorts, maar dat wil niet zeggen, ik lijd aan mond en klauwziekte, dat zeg ik ook niet, ik brand me aan muren en aan gevels, dat zeg ik niet. Maar heb je dan wel een idee, zeg ik. Ik heb bijvoorbeeld het idee, zegt hij, dat een ik iemand op het strand tegenkomt en hem wel kent maar zijn naam is vergeten en vanaf dat moment pogingen doet de naam in zijn herinnering op te roepen. Maar heeft hij hem ooit ontmoet? Dat is niet zeker, zegt hij, misschien niet misschien wel. Misschien ontmoet hij hem later, zegt hij. Hij ziet hem bijvoorbeeld ineens op een balkon staan, zeg ik. Of hij blijkt in een restaurant te werken.

We beginnen het plein over te steken. Je moet gewoon gaan schrijven, zeg ik, het is een goed idee. Vraag je af wat die ik-figuur op het strand doet, waarom is hij daar beland, vraag je af hoe oud hij is, hoe hij heet, wat voor kleren hij draagt. Waar woont hij, waar gaat hij naartoe, van welke muziek houdt hij? We lopen langs spoorrails, straks zijn we bij het station. Ik begin wel, zegt hij, maar ik gooi alles weer weg en als ik begonnen ben wil ik weer ophouden. Hij wil zeggen dat hij aan wondkoorts lijdt, denk ik, net als ik, dat wil hij niet zeggen omdat hij er nog erger aan lijdt dan ik, als dat niet zo was zou hij niet begonnen zijn over het schrijven van een verhaal. Ik sta op het punt te zeggen dat ik aan mond en klauwzeer lijd, niet erg, pas in een beginnend stadium. Kun je het aan me zien? Maar dat zeg ik niet. Je moet eerst flink ziek zijn, wil ik zeggen, anders gaat het niet, zoveel mogelijk ziekten hebben, schimmels, uitslag op tong en geslachtsdelen, dubbele botbreuken, miltsmelting, longoedeem, blaasbreuk, ongelooflijk perverse neigingen, brandblaren, overal opduikende gezwellen. Maar dat zeg ik niet. Voordat we in het station verdwenen zijn moet er nog iets gezegd zijn. Moet het iets bijzonders zijn, vraagt hij, daar loop ik steeds op vast, ik wil een bijzonder verhaal schrijven dat niemand nog gelezen heeft, alles is al geschreven, vind je ook niet. We lachen.