The Closing of the American Mind, Allan Bloom

Zielen zonder verlangen

Amerikanen zijn nihilisten zonder de afgrond, stelde Allan Bloom, en maakte mensen boos met zijn aanklacht tegen de academische cultuur. Toch is er veel in The Closing of the American Mind waar je om kunt lachen.

Medium hh 43453410

Allan Bloom overleed jong, op 62-jarige leeftijd, in een ziekenhuisbed in Chicago in 1992. Kort daarvoor was hij opgetild door wat zijn vriend en collega Saul Bellow ‘massieve hydraulische krachten’ van de Verenigde Staten noemde. Blooms boek The Closing of the American Mind was een onverwacht publicatiesucces geworden en Bellow portretteerde hem in Ravelstein, onder de sluier van fictie, in zijn laatste levensfase, na de publicatie van zijn boek en zijn dood. Ravelstein is in de eerste plaats een karakterstudie. Ravelstein is het portret van een menstype zoals Toergenjev ze schreef: een studie naar het bijzondere soort dat The Closing of the American Mind wel had móeten schrijven.

The Closing of the American Mind is een verzameling aanklachten tegen de Amerikaanse academische cultuur. Bloom richtte zijn pijlen op wat hij beschouwde als diepgeworteld (maar tegelijkertijd oppervlakkig, omdat er nauwelijks over was nagedacht) relativisme. Dit relativisme, dat de universiteit binnenkwam door het agressieve egalitarisme uit de jaren zestig, bracht de klassieke liberal education in diskrediet. Liberal education had standgehouden tot na de oorlog, maar eindigde in de sixties. De paradox die Bloom formuleert is dat de aanval uit dat decennium op de klassieke erfenis, gedaan uit naam van openheid, slechts had geleid tot totale geslotenheid. Plato werd gedeconstrueerd, maar de studenten bleven verweesd achter, omdat ze niet langer het genoegen kenden in contact te staan met de lange traditie van universeel humanistische vragen, op zoek naar waarheid en schoonheid. De ‘kritische wetenschap’ verloste ze van de tirannie van de Great Books, maar er kwam niets voor in de plaats. Wat overbleef, stelde Bloom, waren uitsluitend nog gesloten geesten, veroordeeld tot een subjectieve en dus eenzame ervaring van het leven, zonder de verheven zucht naar waarheid die de academie eeuwenlang had gekenmerkt.

Vandaar ook Blooms merkwaardige pleidooi voor vooroordelen. Een geest zonder vooroordelen, stelde Bloom, was leeg. Het ging niet aan om mensen onder te dompelen in relativisme – het enige wat ze daaraan over zouden houden was dat niets waar was. Terwijl een gezond vooroordeel ook de belofte inhoudt van het overwinnen daarvan: zonder vooroordeel geen zoeken naar de waarheid. Relativisme is niet het overwinnen van het vooroordeel, maar het opgeven ervan – en per consequentie ook het opgeven van de zoektocht naar waarheid.

Blooms boek werd onverwacht een sensatie en een bestseller. Het werd besproken in talkshows, er vonden verhitte discussies plaats en er werden panels georganiseerd over de taak van het hoger onderwijs in de VS. De receptie van The Closing of the American Mind is uitgebreid gedocumenteerd – van de eerste bijtende kritiek tot de onvermijdelijke terugblik, later, wanneer nieuwe lezers zich afvragen waarom men destijds zo heftig op het boek reageerde. Men herleest, en stelt vast dat er veel boeiende dingen werden gezegd (en natuurlijk ook absurde dingen: Blooms afgrijzen van rockmuziek, bijvoorbeeld).

Meteen na verschijning ontketende het boek echter een stortvloed van recensies over wat voor een mens dat vreselijke boek had kunnen schrijven – Benjamin Barber stelde in Harper’s dat Bloom, gelijk de door hem bewonderde Plato, een despoot-filosoof was, en dat zijn aanklacht tegen de erfenis van de jaren zestig klonk als gekrijs van een in Romeinse toga gewikkeld oudje. In The New York Review of Books vroeg Martha Nussbaum wat voor een denker Bloom was – om die vraag vervolgens zelf te beantwoorden met de constatering dat hij er natuurlijk geen was. David Rieff stelde dat een fatsoenlijk mens zich ervoor geschaamd had het boek te hebben geschreven. De meest originele interpretatie kwam van Robert Wolff, die suggereerde dat in werkelijkheid niet Allan Bloom maar Saul Bellow achter het boek zat, en dat The Closing of the American Mind in die zin verstaan moest worden als een ‘fonkelend grappige roman in de vorm van een kleine, knorrige, reactionaire klacht tegen de laatste twee decennia’. James Atlas, in zijn profiel van Bloom voor The New York Times, stelde ten slotte voor om het boek te zien als een intellectuele autobiografie.

Bellow’s portret van hem in Ravelstein corrigeerde in die zin een conventioneel beeld van Bloom, dat van een oude man, gepasseerd door de tijdgeest, die zo onverstandig was exhibitionistisch te doen met zijn cultuurpessimistische oprispingen. Bellow maakt Bloom heroïsch, eenzaam maar moedig, omdat hij het durfde om zonder het air van valse bescheidenheid of compromis te spreken. De suggestie dat hij een belegen conservatief zou zijn, deed hem onrecht. Bloom, herhaalt Bellow, was beslist geen conservatief, en al helemaal niet in de meer vulgaire, Amerikaanse betekenis, voorzover dat duidt op een complex van puriteinse opvattingen over het gezin, bekrompen opvattingen over de samenleving en nihilistische opvattingen over economie en vrije markt.

Er was niets gewoontjes aan Blooms leven, schrijft Bellow. Hij introduceert zijn literaire stand-in, Abe Ravelstein, voor het eerst in de suite van Hotel de Crillon in Parijs, terwijl hij zich in een satijnen kimono een weg door de kamer baant. Zijn minnaar ligt nog te slapen. Bloom voelde zich thuis in Parijs, al was hij door en door Amerikaans. Hij was een self made aristocraat met een fijne smaak, hij smeet zijn fortuin opgewekt stuk op de beste pakken en de duurste horloges, de beste restaurants en de juiste meubels. Wat hem ook onderscheidde van het puriteinse Amerikaanse conservatisme was dat Bloom, in Bellows woorden, geen vijand was van genot. ‘Integendeel, hij zag de liefde mogelijk als de hoogste zegen van de mensheid. Een ziel zonder verlangen was misvormd, verstoken van zijn hoogste goed, doodziek.’

Bloom zag in de leegheid van andere mensen in vergelijking met zichzelf de grote aftakeling van de beschaving


Bloom, geboren in Indiana in een joods middenklassegezin, bereikte op vijftienjarige leeftijd de Universiteit van Chicago. Hij ervoer als geen ander de magie van de universiteit en de manier waarop dat instituut hem omzoomde, en hoe het een diepe liefde voor kennis in hem plantte. The Closing of the American Mind mag, zoals James Atlas voorstelde, inderdaad beschouwd worden als een autobiografie. Bloom schrijft als docent over zijn leerlingen, en maakt zijn eigen ervaringen regelmatig tot inzet van het relaas.

Maar dan is The Closing of the American Mind een bijzonder soort autobiografie – die van een teleurgestelde minnaar, die getraumatiseerd achterbleef nadat de sixties hadden huisgehouden. Bloom had nooit een andere ambitie dan zijn leven door te brengen in de academie: in het eeuwige instituut, onafhankelijk van het monotone ritme van het moderne leven daarbuiten, waar alles draaide om de liefde voor kennis. Die liefde is niet alleen metafoor. Hij is, zoals Bloom het gebruikt, een bouwsteen van de manier waarop het individu zijn leven leidt. In zijn vivisectie op de hedendaagse student schrijft hij: ‘Het erotisme van onze studenten is armzalig. Het is niet de goddelijke gekte die Socrates prees.’ De studenten neukten wel, maar ze bedreven niet de liefde. Ze zeiden wel ‘ik hou van je’, maar ze hadden geen besef van eros. Bloom is teleurgesteld in de wereld omdat iedereen aan het neuken is, terwijl hij als een van de laatsten uit een groep de kunst verstaat om de liefde te bedrijven. (Blooms laatste werk, gedicteerd vanuit zijn ziekbed en postuum verschenen, ging over de liefde).

De oorspronkelijke titel van The Closing of the American Mind – Blooms eigen suggestie – was dan ook Souls without Longing. Het ging Bloom erom dat er een levenskunst bestaat die wordt gedicteerd door het soort verheven verlangen zoals dat bestond in de klassieke Oudheid. Dat verlangen wijst namelijk het pad naar werkelijke verfijning, naar eros in plaats van erotica, naar leven in plaats van lifestyle, naar kennis in plaats van relativisme. Leven is levenskunst, en levenskunst moet gecultiveerd worden: van kennis tot liefde, van goede manieren tot savoir vivre – en precies dat is ook de eeuwige opdracht van de universiteit. Dat de universiteit mensen niet meer aanspoorde om net zo te worden als hij was niets minder dan misdadig.

De ultieme vraag die Bloom zichzelf steeds stelt is: waarom is het toch zo dat ik een verfijnd en prachtig mens heb kunnen worden, terwijl de studenten van vandaag allemaal zo grof en afgestompt en oppervlakkig zijn, zonder een spoor van verheven emoties? Hier is een man die zo geleerd is, en wiens eigen denken zo is geïntegreerd in het intellectuele landschap van de werken die hij las – van Plato tot de romans van Stendhal en Tolstoj – dat hij er niet meer in slaagt de werkelijkheid te onderscheiden van het ideaal; niet meer het verschil kan zien tussen de alledaagse omstandigheden van zijn eigen leven en de gestileerde beschaving uit de Great Books.

Bloom, in zijn eigen woorden, nam het altijd op voor het ‘theoretische leven’. Daarin zit het hele probleem: de hoofdstukken in The Closing of the American Mind kunnen alleen geschreven zijn door een man die de grandeur van boeken verwart met de realiteit, en vervolgens hopeloos, reddeloos verloren is. Bloom was een man die de desinteresse van anderen in zijn verfijning transfigureerde in de voortekenen van het naderende onheil; die in de oppervlakkigheid en leegheid van andere mensen in vergelijking met zichzelf de grote aftakeling van de beschaving zag – die iedere kritiek op zijn eigen pretentie, intellectueel of anderszins, uitsluitend kon zien als voorbode van de komende afrekening.

Vandaar ook de voortdurende parallellen met de nazitijd en het Interbellum. Neurenberg en Woodstock, het was Bloom om het even. De Amerikaanse cultuur was een Disneyland-versie van de Weimarrepubliek voor het hele gezin. Komisch dat The Closing of the American Mind, ondanks Blooms onderdompeling in de canon van West-Europa, zo door en door Amerikaans is. Bellow schreef in Ravelstein dat Bloom altijd stelde dat Amerikanen nihilisten waren zonder de afgrond. Bij analogie is The Closing of the American Mind een pastiche op het klassiek Europese ondergangsdenken, maar dan zonder de duistere visioenen van decadentie en vernietiging die de Europese traditie kenmerken. Blooms profetie is een dertienjarig ventje dat alle vrijheden geniet waar mensen honderden jaren voor vochten, en die vrijheid vervolgens invult door op zijn walkman te luisteren naar de orgastische ritmes van Mick Jagger – horreur! Zo bezien is het eigenlijk vreemd dat The Closing of the American Mind mensen destijds zo boos maakte: er is zo vreselijk veel te lachen.


Boeken die ons boos maakten

Soms valt een boek als een vinger op een zere plek, die de lezer boos, verontwaardigd of gekwetst laat opspringen. Doet het boek dan iets heel erg fout, of juist iets heel erg goed? Deze zomer herleest De Groene de naoorlogse boeken, fictie en non-fictie, die ons deden opschrikken en het boek door de kamer lieten smijten, van Nabokovs Lolita tot The Bell Curve van Murray Herrnstein. Was de verontwaardiging aan een specifieke tijd en moraal gebonden, of blijft die verontwaardiging vandaag nog steeds overeind?

Beeld: New York. 1987 (Paul Barnett / AP / HH)