JÜRG AMANN, DE COMMANDANT: MONOLOOG

Zielenleed van een massamoordenaar

Jürgen Amann. De Commandant. Uit het Duits (2011) vertaald door Gerrit Bussink, Contact, 108 blz., € 10,-

In de maanden voor zijn terechtstelling nadat hij op 16 april 1947 door het Poolse Hoogste Gerechtshof ter dood veroordeeld was, schreef de voormalige commandant van Auschwitz, Rudolf Höss, uit eigen beweging en even praatlustig als hij zich ook bij verhoren getoond had, zijn memoires. Met zijn titel gaf hij aan dat hij een introspectie beoogde: Meine Psyche: Werden, Leben und Erleben. Ik weet niet hoe de eerste uitgave, in 1958, eruit heeft gezien, maar vanaf 1963 werden herdrukken voorzien van inleidingen en vele noten, die toen al hard nodig waren om zelfs de feiten maar te kunnen plaatsen. Höss werd in mei 1940 belast met de uitbreiding van het strafkamp Auschwitz tot werk- en vernietigingskamp, een enorm karwei zoals hij zuchtend en steunend bericht, en was er drieënhalf jaar commandant. Hij vertelt tot in details en niet zonder trots maar verder zakelijk als een ingenieur hoe de machinerie van de doodsfabriek draaiend werd gehouden. Wat hij vertelde was toentertijd nog allemaal niet zo bekend, en een verslag uit de eerste hand was ook heel bijzonder, maar wat nu aan het ongelooflijke grenst is de manier waarop hij het vertelde. Uiteraard is zijn toon die van de vermoorde onschuld, maar hij verdedigt zich nauwelijks, zozeer is hij ervan overtuigd dat hij een voorbeeldig burger is geweest, nog altijd dezelfde ideologie toegedaan, een braaf man voor wie het bevel van de Führer wet was - dat was juridisch ook zo - en het antisemitisme een historische opdracht; hij werd gedreven door liefde voor het vaderland én voor zijn gezin.

De Zwitserse schrijver Jürgen Amann (1947), die ik vooral ken van kort proza en beknopte verhalen, ontdekte de memoires pas enkele jaren geleden en gebruikte ze als materiaal voor een toneelstuk dat ook als hoorspel heeft gediend en nu als ‘leesdrama’ vertaald is.

Ook Amann moet vastgesteld hebben dat voor onze tijd vooral de toon, de dictie, de formuleringen de meest verrassende informatie bieden. Hij heeft zich van commentaar onthouden en de driehonderd kleinbedrukte pagina’s zielenleed van de onverbeterlijke massamoordenaar bijgesneden tot een monoloog waarin toch alle fasen van zijn leven en beroep aan de orde komen. Toen al wist een boef dat een jeugd een goudmijn is voor verklaringen die al het slechte van later bij voorbaat excuseren. Geïntimideerd door een diepreligieuze vader die hem per se priester wilde zien worden, plichtsbesef bijbracht en uit een familie met soldatenbloed stamde; zijn moeder achtend; maar ouderliefde had hij nooit kunnen opbrengen. In militaire dienst vond hij gelukkig een soldatenvader. Een eenzaat is hij altijd gebleven, die in zijn jonge jaren troost vond in de natuur en bij dieren en later bij zijn lievelingen in de paardenstallen, waar hij rust vond als hij zich over gebeurtenissen in het kamp te zeer had opgewonden.

Wat een opluchting bracht het gas, omdat hij dan de bloederige executies niet meer hoefde aan te zien. 'Ik moest het hele gebeuren aanzien. Ik moest, of het nu dag of nacht was, toezien bij de aanvoer, bij het verbranden van de lijken, ik moest kijken naar het uitbreken van de tanden, het afknippen van het haar, al die afgrijselijke dingen, urenlang.’ Op diezelfde pagina staat er zes keer dat hij iets moest, tegen zijn zin allemaal, hij die al die jaren vooral moest strijden tegen zijn weekhartigheid. In datzelfde hoofdstukje zegt hij spijt te hebben dat hij niet meer tijd aan zijn gezin heeft besteed: 'Mijn vrouw zei steeds weer vermanend: denk niet altijd aan je werk, denk ook aan je gezin.’ Zij wist niet hoe hij innerlijk worstelde. Tevreden stelt hij vast dat hij zijn dienst altijd gewetensvol en tot ieders tevredenheid heeft vervuld - ieders? Hij had te lang zelf gevangen gezeten om de noden van de gevangenen niet te zien: 'Uiterlijk koud, ja, als van steen - maar innerlijk ten diepste opgewonden…’ Daar begon zijn schuld, dat hij niet naar zijn superieuren is gestapt om te vertellen dat hij ongeschikt was voor het werk in een concentratiekamp. Maar hij wilde zich niet laten kennen, dat wil zeggen zijn weekhartigheid. Tandenknarsend ziet hij hoe incapabele mensen afbreuk doen aan 'het serieuze antisemitisme’ - om dezelfde reden noemde hij daarom de vernietiging van de joden verkeerd.

Als de huilebalk zelfs oog in oog met de dood iets demonstreert is dat wel hoe sentimentaliteit en kitschgevoelens welig tieren op een ondergrond van kilte en zelfbedrog. 'In het voorjaar van 1942 gingen honderden bloeiende mensen onder de bloeiende fruitbomen van de boerderij, de meeste nietsvermoedend, de gaskamers in, de dood tegemoet.’ Welke observatie de dichter filosofisch aldus afrondt: 'Dat beeld van worden en vergaan staat me nog altijd duidelijk voor ogen.’

Het toppunt is zijn verbazing over de onverschilligheid waarmee Sondercommando’s hun rasgenoten de oven in helpen. 'En dat allemaal met een vanzelfsprekendheid alsof ze zelf bij de vernietigers hoorden.’ Nee, daar begreep hij niets van. Ongelooflijk dat er in het hele witwassen niet één zin is waaruit een zweempje inzicht blijkt. Niemand begrijpt hem. De gruwelen heeft hij nooit goedgekeurd. Jawel, hij neemt zijn verantwoordelijkheid, want in de reglementen van het kamp staat dat de commandant volledig verantwoordelijk is voor de totaliteit van zijn kamp. Ik begrijp Amann wel: hier past slechts letterlijk citeren, bijvoorbeeld de slotzinnen: 'De buitenwereld mag in mij gerust het bloeddorstige beest, de wrede sadist, de miljoenenvoudige moordenaar zien - want anders kan de grote massa zich de commandant van Auschwitz helemaal niet voorstellen. Men zou toch nooit begrijpen dat ook hij een hart had, dat hij niet slecht was.’