Els Moors bespeelt zowel het emotionele als het komische register © Pieter van der Meer

Het is altijd slim voor schrijvers om een dagboek bij te houden zodra zich een persoonlijke crisis voordoet. Sterfgevallen, verbroken relaties, ziekte: als het dagelijks bestaan treurnis is, blijft er altijd iets in de ziel dat opveert bij al die onversneden opwellingen, erupties, inzichten. Vastleggen, fluistert het. Dit benutten, voordat het allemaal weer is afgekoeld, gestold, en afgedekt onder de bedrieglijke geruststelling van het alledaagse.

Tegelijkertijd kent elke auteur er de gevaren van. Oeverloosheid loert. En larmoyante navelstaarderij. De Vlaamse schrijfster en dichter Els Moors leek zich daar allemaal van bewust, toen ze aan dit dagboek-achtige project begon. Concrete aanleiding was haar breuk met een Duitse schrijver, H., van wie zij de geheime minnares was. En niet eens de enige, ontdekte ze. Maar deze H. koos toch voor zijn vrouw.

Banaal, ja. Navertellen maakt alles banaal. Dat neemt niet weg dat de persoonlijke beleving intens, rauw en veelkantig kan zijn, en dit een heel proces van zelfonderzoek en turbulente gebeurtenissen kan initiëren. Dat is wat er bij Moors een zomer lang gebeurt, en waarom ze 48 dagen lang een dagboek besluit bij te houden. Waarschijnlijk om genoemde gevaren te ondervangen, het al te particuliere en het vormloze, hangt ze die op aan de 48 affecten die Spinoza in het derde hoofdstuk van de Ethica behandelt, chirurgisch ontleed tot formules die onbedoeld wat komisch aandoen: ‘7. Haat is droefheid, begeleid door het idee van een externe oorzaak.’

Gaandeweg wordt het verband met die fragmenten steeds losser, al blijft Moors met Spinoza in gesprek. Het ik, de drijvende kracht achter die affecten, is volgens haar veel interessanter om in kaart te brengen dan die affecten zelf te systematiseren.

‘We leefden in de roes. We ontwaakten in de impasse’

Dus volgen we dicht op de huid haar persoonlijke crisis, beginnend bij een dichtersfestival in Perugia, gevolgd door een verblijf in het huis van haar moeder in Gent, een thuiskomst in Brussel. En overal duiken minnaars op, potentiële nieuwe geliefden die ze mee naar huis sleept, en herinneringen aan vroegere bedpartners. Steevast zijn deze mannen en jongens aangeduid met initialen. Dat zal zijn om de privacy te beschermen, maar het effect is ook dat deze figuren de status krijgen van inwisselbare figuranten. Ze vervullen rollen die vacant zijn. We hebben de grote, verbroken liefde H., zijn vriend U., de nieuwe mooie donkere jongen in Gent, K., tussendoor zijn er nog J. en C. en de oude geliefde P… Behalve bij ons, stort ze haar hart over hen uit bij A., de therapeute bij wie ze wekelijks op gesprek komt.

Op een onverwachte manier is het allemaal meeslepend. Doordat Moors zowel het emotionele als het komische register bespeelt, raak je als lezer steeds weer nieuwsgierig naar wat een nieuwe dag nu weer voor haar in petto zal hebben. Na een tijdje krijgt het ook iets te repetitiefs, al dat boodschappen doen en koffiedrinken en vrijen met minnaars en treuren om H. Het werden te veel kringetjes, waaruit maar af en toe werd weg gestapt.

Bijvoorbeeld bij een sterke, herkenbare beschouwing over haar generatie (we zijn allebei in 1976 geboren, ontdekte ik): ‘Plots zag ik ons daar staan, als in een groter verband haast, onze generatie, die opgegroeid was in de jaren negentig van de vorige eeuw. Een decennium dat vol van beloftes had geleken na een tijd van donkerte en crisis die de jaren tachtig werd genoemd. We liepen nog op feestjes met zwartgelakte nagels en volledig in het zwart gekleed te luisteren naar new wave, maar in ons hart brak alvast een vreemd soort van optimisme door. (…) We leefden in de roes. We ontwaakten in de impasse.’

De dag erna (volgens Spinoza’s schema zitten we dan bij affect 17: wroeging) heeft ze dan weer spijt van zoveel abstractie, maar mij troffen zulke passages juist als een verademing te midden van dat grillige slagveld van zielenpijn en dagdromen. Die komen op die manier in een wat breder, filosofischer licht te staan dan het particuliere zelfonderzoek.

Moors excuseert zich bijna voor die meer beschouwende passages, terwijl ik die juist iets vaker had gewild en, ook door de opzet en de titel, had verwacht. Nu zijn het eerder nachten met K., H., U. enzovoort dan met Spinoza.

De waarde van dit boek zit hem met name in het vermogen ons mee te trekken in een innerlijke ruimte, waar we het gevoel hebben aan een intelligente en bewogen conversatie mee te doen met de auteur. ‘Zodra je je in de wereld van de geschreven taal begeeft, betreed je een ruimte, een manier van ademen en zijn en voortbewegen.’ Met een boek als dit verbind je je weer met, in Moors’ woorden, ‘de parallelle werkelijkheid die we geestelijk bestaan noemen’.