Perquin

Zielig

‘Het was een diertje van niks, eigenlijk.’ Dat zegt mijn man tijdens het ontbijt. We eten een gekookt ei en lezen de krant. Hij heeft Opinie & Debat, ik heb de bijlage met de rijkemensendingetjes. Foto’s van zeiljachten en reisbeschrijvingen. Als ik net wakker ben, wil ik nooit meningen lezen. Daar word ik onrustig van. Mijn man steekt nu zijn handen in de lucht, hooguit drie centimeter van elkaar verwijderd, om nog eens extra te onderstrepen dat het om een heel klein exemplaar ging. Er valt een klodder eigeel op de krant. 'Zoiets ongeveer.’ Aan zijn gezicht kan ik zien dat hij dit zegt om het me makkelijker te maken. Maar zo werkt dat natuurlijk niet. Als er één ding erger is dan een grote muis, dan is het een kleine. Zo'n jonkie nog. Moederloos. Trillend op zijn pootjes van de honger. Helemaal alleen in het keukenkastje, waar we hem dagenlang hoorden ritselen.
Ik probeer een artikel over diamantmijnen te lezen. Het is flink donker, in zo'n mijn. Donker en benauwd. En er is instortingsgevaar, dat ook nog. Als je pech hebt, zit je er dagenlang gevangen. 'Was hij op slag dood?’ vraag ik. Mijn man kijkt naar een foto waarop Sarkozy Merkel lijkt te kussen. 'Mmm’, zegt hij. 'Ik moest hem een handje helpen.’ Wat zijn eufemismen toch handige dingen, denk ik. De Perzische tapijten van de taal. Je veegt de onaangename details eronder en klaar ben je. Toch mag ik daar nu geen genoegen mee nemen. Tenslotte ben ik medeverantwoordelijk voor deze kwestie, al stond ik onder de douche toen het gebeurde.
'Wat heb je dan gedaan?’ Mijn man kijkt bedachtzaam, pakt zijn eierdopje en zet de lege schaal er omgekeerd in. Dan heft hij zijn lepel. 'Laat maar!’ roep ik nog. Maar hij slaat al. De eierschaal verbrijzelt. 'Jezus’, zeg ik. Mijn man knikt. 'Hij was stervende, hoor’, zegt hij. 'Dan moet je ingrijpen. Anders is het zielig.’ We zwijgen even en ik schenk koffie in. Mijn man buigt zich weer over Merkel en Sarkozy. In het keukenkastje klinkt, op zeer nadrukkelijke wijze, geen geritsel meer.