Witte veder

Zielige aapjes kijken

Sanneke van Hassel
Witte veder
De Bezige Bij, 142 blz., € 15,-

In Witte veder zet Sanneke van Hassel de ingeslagen weg uit haar debuutbundel IJsregen (2005) voort. Underdogs bevinden zich in haar verhalen in een beklemmende en vaak uitzichtloze situatie en weten zich daaruit niet te bevrijden. Bij IJsregen viel het me op dat ze dit gegeven vaak al direct in de eerste zin van de verhalen prijsgeeft. En ook nu is het weer raak. Het eerste verhaal begint met: ‘De eerste keer dat het mij in zijn greep kreeg was op een zondagmiddag in de tram.’ Deze zin probeert bij lezers de vraag op te roepen wat dat ‘het’ dan wel moge zijn en aan het eind weten we het: een jonge, zwangere vrouw voelt zich steeds meer bedreigd. Ik vind dit geen gelukkige zin, ‘het kreeg me in zijn greep’, een schoolopstelzin is het, een zin die alles aankondigt, volgens het boekje, een zin waar je als leraar creatief schrijven een klein vraagteken bij zou moeten zetten omdat hij later in het verhaal tot in detail verklaard wordt. Veel slechtere jeugdboeken beginnen met zulk soort zinnen. ‘De eerste keer dat ik oom Piet zag, was hij net terug uit Amerika.’ Ik snapte vroeger best dat zo’n zin de bedoeling had dat ik me afvroeg wie oom Piet was, wat hij in Amerika deed en dat de held waarschijnlijk binnenkort naar Amerika zou vertrekken om bij de cowboys avonturen te beleven. Maar wanneer dat vervolgens in het boek precies en stap voor stap werd uitgelegd, voelde ik me toch een beetje bekocht. Zo kan ik ook schrijven, dacht ik dan stiekem en dat is natuurlijk niet de bedoeling wanneer je leest.

Van Hassel heeft er vaker moeite mee om informatie soepel en niet al te opdringerig tot de lezer door te laten dringen. ‘Die ochtend was ik naar een koffieconcert van een paar oud-collega’s geweest’, staat er een paar zinnen na de openingszin. Weer moest ik aan schoolopstelproza denken: liever geen ‘die ochtend’- of ‘die avond’-zinnen. En in de volgende zinnen komt de informatie erg dwingend op me af: ‘Al vroeg had ik de trein genomen. John sliep nog, ik had een briefje achtergelaten en was het huis uit gelopen.’ Informatie die uiteraard de eenzaamheid van de heldin moet uitlichten. Treinreizigers in verhalen zijn altijd eenzaam en die John is een eikel: hij is niet bereid samen met haar op te staan. Dat briefje is een teken van haar wanhoop. Alles uitgesmeerd dus, er mag geen twijfel bestaan over deze eenzame, paranoïde jonge vrouw. Er worden geen vragen gesteld in dit verhaal, ze worden beantwoord. En zo is het ook in de andere verhalen: ze willen geen raadsels in stand houden of oproepen, maar ze oplossen.

Alle veertien verhalen lijden aan informatieoverschot. Het tweede verhaal begint met: ‘Als ze de brug op rijdt, schiet de strip van de bumper en zwiept over de motorkap.’ Het onheil, leed of verdriet voel je weer ver van tevoren aankomen. Hier een bloemlezing van andere eerste zinnen: ‘In haar nachtjapon staat oma in de deuropening.’ ‘In de trein (weer die trein – kh) zijn alle stoelen bezet.’ ‘Als ik wakker word zitten die rotmerels er weer.’ ‘Ze wordt wakker op de bank in de voorkamer.’ ‘Suus pakt de pop bij de benen en schudt.’ ‘Haastig propt Corneel haar wanten in haar zakken en zet haar fiets op slot tegen de lantaarnpaal. Tot drie keer toe glijdt hij van de stoep.’ ‘De afwas rukt op richting plafond.’ ‘Gerda is niet blij dat hij vanochtend zo vroeg vertrekt.’

De helden in deze verhalen (meestal heldinnen) zijn niet in staat hun eigen leven in de hand te houden, ze zijn uitgeleverd aan verkeerde figuren, komen om in beklemmende verhoudingen, worden dement, zijn overgeleverd aan geweld, zijn treurige schrijfsters, lijden onder thuiszorg, belanden tegen hun zin in een driehoeksrelatie, laten zich onjuist neuken et cetera, et cetera. Ze hebben het opgegeven illusies te hebben, verloren zielen zijn het in een trieste wereld. Neem het einde van het verhaal Goed zo, Ariël. Wat een ellende allemaal: ‘Hij pakt mama’s fiets die tegen de boom staat, stapt op, lacht en zwaait. Mama zwaait terug van achter het bovenraam. Ze heeft grijze kleren aan. Ze gaat werken. De stoep zit vol oranje vlekken. Alle bessen zijn kapot getrapt.’

Er zit uiteraard systeem achter Van Hassels poging ons de illusieloosheid zo expliciet voor te houden. Er verbergt zich in haar weergave van het verdriet van mensen een grote, geëngageerde woede. De mensen sterven en ze zijn niet gelukkig, dat is haar boodschap. Maar net als in haar vorige bundel krijgt die woede (nog steeds) niet een overtuigende inhoud en stem. Haar geëngageerdheid blijft steken in opgelegd medeleven met haar personages. Wat is er verder zo bijzonder aan, behalve dat ze het niet makkelijk hebben? Wat is er bijzonder aan de stijl waarin ze haar verhalen heeft gekleed? Gewone zinnen levert ze over ‘gewone’ mensen die niet veel meer zijn dan typen: de eenzame jonge vrouw, de eenzame oudere man, de demente oma, de jonge homoseksueel, de mislukte schrijfster, et cetera. Het komt uiteindelijk neer op zielige aapjes kijken. Haar mededogen en engagement met vertrapte mensen laten te weinig zien over de geheimen en raadsels die mensen met zich meedragen en die ze ten koste van alles voor elkaar proberen te verbergen. Ze zou die geheimen en raadsels op moeten roepen in plaats van ze te verklaren, maar daar begint ze geen moment aan.