Zielsbewegingen

Zelfs de allergrootsten kakelen elkaar maar een beetje na. Neem Thomas Mann. Die heeft het op de eerste pagina van Der Tod in Venedig over de motus animi continuus die volgens Cicero de essentie van de welsprekendheid en dus van de schrijverij zou zijn.

Voortdurende beweging van de ziel. Die wilde ik wel eens in het echt zien, in de oorspronkelijke context. Blijkbaar had Thomas Mann geen internetaansluiting, anders had hij kunnen lezen dat dit helemaal niet van Cicero was. Dat lees ik tenminste in allerlei bronnen, vooral in het Duits, de taal die bij uitstek gemaakt lijkt voor voetnoten, Quellenkritische Studien en dergelijke.
Wat blijkt? Mann heeft het riedeltje over de zielenroerselen klakkeloos van Flaubert overgenomen, die dit Latijn in een brief had gebruikt.
Je kunt de kwaliteit van literair werk beoordelen, vervolgt hij in diezelfde brief - van 15 juli 1853 aan Louise Colet - aan de kracht van de vuistslag die het je uitdeelt en de tijd die je nodig hebt om ervan te herstellen.
Flaubert zegt het allemaal op een aanstekelijke manier, waardoor je geneigd bent er zonder voorbehoud mee in te stemmen, of het rücksichtslos te gappen en er op z'n Thomas Manns mee te pronken.
Maar is het ook waar? Natuurlijk niet. Wie z'n voortdurende zielenroerselen als vertrekpunt van z'n schrijven neemt, zal in vrijwel alle gevallen stamelend snotterproza uitbraken dat wellicht voor de producent zelf een therapeutische waarde kan hebben maar potentiële lezers wegjaagt.
Om die te laten meeleven en meevoelen met de door jou bedachte personen is een heel repertoire aan technische middelen vereist dat bij voorkeur met droge ogen wordt gehanteerd. Je geeft ook geen cirkelzaag aan iemand die snikkend op de grond ligt.
Wil je vrees en medelijden opwekken (en volgens Aristoteles wil je dat met je geschrijf) dan moet je een tragische situatie, een decor, een sfeer, een conflict opbouwen met de kille berekendheid van een aannemer of fiscalist. Schrijf nooit: ‘Hij is verliefd’, maar timmer voor de lezer een wereld in elkaar waarin hij zelf geen andere keuze heeft dan verliefd te worden. Boeken zijn opgebouwd uit de verbeelding van de lezer, uit een mix van zíjn herinneringen en verlangens, uit hetzelfde soort spul als waarvan hij elk nacht zijn dromen spint. Hier moet je projectieschermen voor opwerpen, bevestigd aan stevige palen.
De essentie van de welsprekendheid? Dat is inmotus animi continuus, een ijzige, voortdurende onbewogenheid van de ziel.
Is dat waar? Natuurlijk niet. In werkelijkheid komt het neer op wat ik musici vaak heb horen vertellen. Ze moeten uiteraard voelen wat ze spelen, meegaan in die zielsbewegingen à la Cicero/Flaubert/Mann, maar mogen hier niet door overmand worden. Zodra dat dreigt te gebeuren, dwingen ze hun aandacht terug te keren naar het domein van technische beheersing, vingerzetting, ademhaling, tempo, maat.
Mijn stiekeme ideaal is ooit te kunnen schrijven zoals Johannes Vermeer schildert. Bij Vermeer vind je de perfecte samenkomst van ziel en techniek. Met het gebruik van de camera obscura liep hij op de fotografie vooruit, en zo gebruikte hij nog talloze andere technische trucs, zonder dat je kunt zeggen dat zijn werk ontzield is.
Een Vermeer bekijken betekent altijd een voyeur worden van iets alledaags. De schilderijen tonen handelingen die in stilte en introversie verricht worden en waarbij jij een voyeur bent. De melkkan wordt voortdurend door het melkmeisje uitgegoten. De brieflezende vrouw leest voortdurend haar brief. De schilder legt beweging vast, versmelt handeling met stilstand, wat zijn figuren hun kenmerkende verstilde bedachtzaamheid geeft, die raadselachtige sereniteit.
Bovendien heb je bij de interieurs van Vermeer altijd het gevoel dat je nét iets mist, dat je een belangrijk element, een ontknoping, een geadresseerde, een buitenwereld, een groter verband, wordt onthouden, maar dat die wel in aantocht is, of er juist al is, maar dan buiten het beeld, dat bij Vermeer altijd een kader is - ook daarmee loopt hij vooruit op de fotografie. We missen iets, maar misschien is het wel te vinden als we iets beter kijken. Op die manier dwingt Vermeer de toeschouwer tot nog meer aandacht, waardoor hij stilvalt en steeds meer dezelfde houding van geconcentreerde rust aanneemt als het model dat hij betrapt.
Vermeer toont nét te weinig. Exact genoeg dus, met andere woorden. Dat doet hij niet vanuit een hevig bewogen oprisping uit zijn arme kunstenaarsziel, maar vanuit een rationeel besluit, en met het kille middel van een raamwerk van houten latten die een uitsnede maken.
Daarvan moet hij het effect weliswaar kunnen invoelen, maar hij moet dit gevoel ook weer kunnen uitschakelen, een motus animi temporalis. Dan pas kun je misschien die klap in het gezicht uitdelen waar Flaubert zo naar verlangt.